Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6242

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
13-035915-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 310 SrArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging ISD-maatregel voor recidiverende diefstal van cosmeticaproducten en sieraden

Op 3 februari 2026 heeft verdachte zich te Amsterdam schuldig gemaakt aan diefstal van cosmeticaproducten en sieraden van een bedrijf. De rechtbank acht dit bewezen op basis van een bekennende verklaring en diverse proces-verbalen. Verdachte heeft geen bewijsverweren gevoerd.

De rechtbank heeft de ernst van het feit en de recidive van verdachte meegewogen. Verdachte heeft meerdere eerdere ISD-maatregelen ondergaan zonder duurzaam resultaat, mede door zijn verslavingsproblematiek en psychosociale omstandigheden. De reclassering adviseert een onvoorwaardelijke ISD-maatregel vanwege de hardnekkige vicieuze cirkel en het ontbreken van een stabiele basis.

De rechtbank volgt dit advies en legt een ISD-maatregel van twee jaar op, zonder aftrek van voorarrest. De maatregel is bedoeld om het recidivegedrag te doorbreken en de maatschappij te beschermen. Verdachte wordt strafbaar verklaard voor diefstal en vrijgesproken van overige tenlasteleggingen.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld voor diefstal en krijgt een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar opgelegd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/035915-26
Datum uitspraak: 15 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland 1] ) op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland ,
nu gedetineerd in de [detentieadres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.S. Gerritsen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.K.S. Toelsie, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank op de terechtzitting de deskundige mevrouw [persoon 1] , reclasseringswerker, gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is - kort samengevat - tenlastegelegd dat hij zich op 3 februari 2026 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan diefstal van cosmeticaproducten en/of sieraden die toebehoorden aan [bedrijf]
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in
de bijlageen geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen (bewijs)verweren gevoerd ten aanzien van het tenlastegelegde feit.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Op basis van de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde diefstal kan worden bewezen. Gelet op het standpunt van de verdediging behoeft dit oordeel geen nadere motivering.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de hierna in rubriek 5. opgesomde bewijsmiddelen - waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat - bewezen dat verdachte op 3 februari 2026 te Amsterdam cosmeticaproducten en sieraden, die toebehoorden aan [bedrijf] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

5.Het bewijs

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. Daarom wordt volstaan met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen, namelijk:
  • een proces-verbaal aangifte met nummer 260203-1269-648 van 3 februari 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , pagina’s 8 en 9;het proces-verbaal van bevindingen nr. PL1300-2023005127-4 in wettige vorm op 7 januari 2023 opgemaakt door de daartoe bevoegde opsprongsambtenaren [opsporingsambtenaar 2] en [opsporingsambtenaar 3] (doorgenummerd p. 004 e.v.)
  • een proces-verbaal aanvullend met nummer 260203-1269-490 van 3 februari 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 1] , pagina’s 13 en 14;
  • de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 mei 2026.

6.De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar, zonder aftrek van voorarrest.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat aan verdachte geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel dient te worden opgelegd, omdat dit niet opportuun en disproportioneel is. Verdachte heeft deze maatregel al drie keer eerder opgelegd gekregen zonder dat dit tot positieve resultaten heeft geleid. Het is iedere keer misgegaan, omdat verdachte na afloop van de ISD-maatregel niet over een woning beschikt en hierdoor terugvalt in middelengebruik en daarmee samenhangend (strafbaar) gedrag. Dit probleem wordt niet opgelost met wederom een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Verdachte kan tijdelijk verblijven bij een kennis en hij beschikt over voldoende financiële middelen nu hij toegang heeft kunnen krijgen tot zijn bankrekening. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de maatregel voorwaardelijk op te leggen dan wel de duur ervan te beperken tot één jaar.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
7.3.1.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Hiermee heeft hij aangetoond geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Dergelijke feiten brengen daarnaast ook overlast en gevoelens van onveiligheid met zich mee.
7.3.2.
Advies van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassering Fivoor van 28 april 2026, opgemaakt door mevrouw [persoon 1] . Dit rapport houdt - zakelijk weergegeven - in dat sprake is van een delictpatroon aangaande vermogensdelicten waarmee het middelengebruik van verdachte een samenhang kent. Er is sprake van een hardnekkige vicieuze cirkel. Hoewel verdachte de wens uitspreekt het anders te willen doen, slaagt hij er door een stapeling van factoren niet in om deze intentie om te zetten in stabiel gedrag. Zijn verslavingsproblematiek en psychosociale problematiek staan op de voorgrond en het ontbreken van een stabiele basis houdt de problematiek in stand. Ondanks drie eerdere ISD-trajecten is er nog geen sprake van een duurzame gedragsverandering of een verbetering van zijn leefomstandigheden. Verdachte blijkt in de praktijk niet in staat tot zelfregie en is afhankelijk van externe sturing vanwege zijn zwakbegaafdheid (VG7-niveau). Het ontbreken van voldoende probleeminzicht en zijn neiging tot zelfoverschatting maken hem bovendien beperkt leerbaar. Op verzoek van de rechtbank en het Openbaar Ministerie is door de reclassering onderzoek gedaan naar een alternatief traject. Volgens verdachte zou zijn broer werk en huisvesting kunnen regelen en zou zijn familie hem intensief kunnen ondersteunen. Uit gesprekken met hen is echter het tegendeel gebleken. Vanwege de verslavingsproblematiek en een gebrek aan vertrouwen kan de familie de benodigde ondersteuning niet bieden. Gezien deze bevindingen acht de reclassering de kans op recidive bij vrijlating zeer reëel. Verdachte keert immers terug naar de situatie van voor zijn detentie. Omdat een aansluitende klinische opname niet realiseerbaar is, de familie hem niet kan ondersteunen en de inschatting is dat verdachte zich aan voorwaarden zal onttrekken, is een alternatief kader naar inziens van de reclassering niet toereikend. De reclassering ziet dan ook geen grond voor een alternatief traject en adviseert de oplegging van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel.
De rechtbank heeft ter terechtzitting reclasseringswerker mevrouw [persoon 1] als deskundige gehoord. De deskundige heeft ter terechtzitting het reclasseringsadvies bevestigd en nader toegelicht. Verdachte is tijdens zijn laatste ISD-maatregel niet teruggekeerd van verlof. De reclassering was bezig met het regelen van een plek voor verdachte bij een begeleid wonen instelling. Vanwege zijn VG7-indicatie in combinatie met een strafrechtelijke titel zijn deze plekken schaars. Er was een plek voor verdachte gevonden maar toen heeft hij zich onttrokken, waardoor hij als niet betrouwbaar wordt gezien en hij de – voor het succesvol afronden van de extramurale fase van de ISD-maatregel – vereiste klinische opname niet heeft afgerond. Verdachte heeft stappen gemaakt, maar hij is er nog niet. De hoop is dat dit zijn laatste ISD-maatregel zal zijn.
De rechtbank acht zich op basis van het reclasseringsadvies voldoende voorgelicht om te komen tot een passende afdoeningsmodaliteit. Zij zal overgaan tot oplegging van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel en overweegt hiertoe als volgt.
7.3.3.
Motivering oplegging ISD-maatregel
Voldaan aan ‘harde’ ISD-criteria
De voorwaarden voor oplegging van een ISD-maatregel staan in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. Vereist is dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Omdat de rechtbank in dit vonnis tot een bewezenverklaring is gekomen van diefstal, is aan deze voorwaarde voldaan. Ook moet verdachte gedurende vijf jaren voorafgaand aan de pleegdatum van 3 februari 2026 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk zijn veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf/maatregel of taakstraf, terwijl het in dit vonnis bewezenverklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen/maatregelen. Uit het strafblad van verdachte van 17 maart 2026 volgt dat ook aan deze voorwaarde is voldaan. Blijkens het strafblad is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het openbaar ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren
processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt wordenvoor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.
Voldaan aan ‘zachte’ ISD-criteria
De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel vereist, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. Verdachte is na de beëindiging van zijn derde ISD-maatregel in oktober 2025 wederom gerecidiveerd. Hij is in november en december 2025 en januari 2026 veroordeeld ter zake van (winkel)diefstallen tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Hoewel verdachte de intentie uitspreekt om zijn leven te beteren, blijkt dit hem in de praktijk (nog) niet te lukken. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat bij verdachte sprake is van hardnekkige meervoudige problematiek. Daarbij is het de rechtbank opgevallen dat verdachte zichzelf overschat door te denken dat hij het zelf kan en dat enkel het ontbreken van huisvesting de oorzaak is voor zijn terugvallen. Ook toont hij weinig zelfinzicht en is hij zelfbepalend. Dit is passend bij zijn licht verstandelijke beperking en duidt meer op onmacht dan op onwil. Met de reclassering is de rechtbank dan ook van oordeel dat een dwangkader in de vorm van de oplegging van een ISD-maatregel voor de duur van twee jaar wenselijk en noodzakelijk is om het overlast veroorzakende delictgedrag van verdachte te doorbreken en de maatschappij daartegen te beveiligen. Binnen de ISD-maatregel kan een (klinische) behandeling plaatsvinden en kan verdachte daarna worden begeleid om de nodige stappen te zetten die nodig zijn voor een veilige en zo stabiel mogelijke terugkeer in de maatschappij.
De rechtbank stelt daarmee vast dat aan alle voorwaarden voor oplegging van een ISD-maatregel is voldaan. De rechtbank ziet geen reden om deze maatregel in voorwaardelijke vorm op te leggen en zal daarom de officier van justitie op dit punt van de vordering volgen.
Termijn
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de ISD-maatregel.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4. is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (twee) jaren.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,
mrs. R. van de Water en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 mei 2026.
[--]