Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6245

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
13-031816-26 en 13-159871-25 (tul)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 38m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging ISD-maatregel voor diefstal elektrische fiets en verbeurdverklaring slijptol

Op 30 januari 2026 heeft verdachte in Amsterdam een elektrische fiets gestolen door het eerste fietsslot door te slijpen, een nieuwe code op de boordcomputer in te stellen en te beginnen met het doorslijpen van het tweede slot. De rechtbank acht dit een voltooide diefstal, ondanks het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn van poging.

Verdachte heeft een langdurig strafblad met meerdere vermogensdelicten en is eerder tweemaal onvoorwaardelijk geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD). De reclassering adviseert opnieuw een onvoorwaardelijke ISD-maatregel vanwege het recidivepatroon en problematisch middelengebruik, ondanks eerdere positieve doorlopen ISD-maatregelen.

De rechtbank legt een ISD-maatregel op voor de duur van één jaar, korter dan de gevorderde twee jaar, vanwege de motivatie van verdachte en eerdere positieve resultaten. Daarnaast wordt de slijptol verbeurd verklaard en de schroevendraaier en nepbot onttrokken aan het verkeer. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf wordt afgewezen vanwege de ISD-maatregel.

De rechtbank acht het bewezen dat verdachte de diefstal heeft gepleegd en verklaart het feit strafbaar. De opgelegde maatregel is gebaseerd op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een ISD-maatregel van één jaar voor diefstal van een elektrische fiets; slijptol verbeurd verklaard en schroevendraaier en nepbot onttrokken aan het verkeer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/031816-26 en 13/159871-25 (tul)
Datum uitspraak: 15 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1992,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in het [detentieadres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.S. Gerritsen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.J. Wiersma, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank op de terechtzitting de deskundige mevrouw [persoon 1] , reclasseringswerker, gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is - kort samengevat - tenlastegelegd dat hij zich op 30 januari 2026 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan primair diefstal van een (elektrische) fiets en subsidiair een poging tot diefstal van die (elektrische) fiets.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Ien geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. Met het doorslijpen van het fietsslot, het verplaatsen van de fiets, het voorzien van de fiets van een nieuwe code op de boordcomputer en het begin maken van het doorslijpen van het tweede slot heeft verdachte de feitelijke heerschappij over de fiets gehad en is sprake van een voltooide diefstal.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een poging tot diefstal, omdat verdachte het tweede slot nog niet had doorgeslepen en daarom nog geen feitelijke macht had over de fiets.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Anders dan de raadsvrouw en met de officier van justitie vindt de rechtbank het primair tenlastegelegde feit (een voltooide diefstal) bewezen. De eigenaar van de fiets heeft die dag zijn fiets op het Waterlooplein geparkeerd. Verdachte werd beneden in het metrostation van het Waterlooplein aangetroffen met deze fiets waarvan hij het eerste fietsslot (het hoefijzerslot) al had doorgelepen en in de lift bezig was met het tweede fietsslot. Daarnaast heeft verdachte een code ingesteld op de fiets. Tot slot heeft verdachte ter terechtzitting verklaard de fiets te hebben gestolen omdat hij hiertoe gedwongen werd door schuldeisers. Op grond van voornoemde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte deze fiets aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 30 januari 2026 te Amsterdam een (elektrische) fiets die aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

5.De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.
6. Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
6.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar, zonder aftrek van voorarrest.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van drie weken op te leggen met daarbij een voorwaardelijk deel van vier weken met eventueel bijzondere voorwaarden. Subsidiair verzoekt de verdediging de ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen. Verdachte is bereid zich aan alle voorwaarden van de reclassering te houden. Door de ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen kan er nog een ultieme poging worden gedaan om een gedragsverandering te bewerkstelligen. Meer subsidiair verzoekt de raadsvrouw de ISD-maatregel op te leggen voor de duur van één jaar met daarbij een tussentijdse toetsing van zes maanden en met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft gezeten. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank bij dit alles rekening te houden met het feit dat verdachte het langere tijd erg goed heeft gedaan en hij door persoonlijke omstandigheden helaas is teruggevallen. Verdachte heeft aangetoond dat hij ook zonder ISD-maatregel kan werken aan recidivebeperking.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
6.3.1.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een fiets. Dit is een hinderlijk feit dat bij het slachtoffer overlast en schade heeft veroorzaakt. Verdachte heeft met zijn handelen geen respect getoond voor andermans eigendommen en enkel gedacht aan zijn eigen gewin.
6.3.2.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 17 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte zich sinds 2021 meermalen schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten, waaronder met name vermogensdelicten.
6.3.3.
Advies van de reclassering
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het rapport van de Jeugdbescherming & Reclassering van het Leger des Heils, opgemaakt door mevrouw [persoon 2] . Dit rapport houdt - zakelijk weergegeven - in dat bij verdachte sprake is van een langdurig delictpatroon van vermogensdelicten. Verdachte komt sinds 2010 in aanraking met politie en justitie en sinds 2014 wordt tevergeefs geprobeerd daar middels reclasseringstoezichten en hulpverleningstrajecten verandering in aan te brengen. Vrijwel alle hulpverlenings- en reclasseringstrajecten werden voortijdig afgebroken omdat verdachte zich niet conformeerde aan de afspraken of recidiveerde. Dit heeft ertoe geleid dat verdachte al enige tijd geregistreerd staat als veelpleger en hem in 2017 en 2022 de onvoorwaardelijke ISD-maatregel is opgelegd. Verdachte is bekend met problematisch middelengebruik wat veelal heeft bijgedragen aan het ontstaan van justitiecontacten. Blijkens het reclasseringsdossier heeft verdachte beide ISD-maatregelen positief doorlopen. Er was stabiliteit binnen zijn leefsituatie bewerkstelligd nu hij adequaat meewerkte met de aangeboden hulpverlening binnen de ISD extramurale fase. Ondank de inzet van de hulpverlening is het verdachte niet gelukt om na beëindiging van de ISD-maatregel de eerder ingezette positieve ontwikkelingen door te zetten. In de zaak met parketnummer 13/159871-25 heeft verdachte vervolgens een laatste kans gekregen om mee te werken aan interventies binnen een voorwaardelijke veroordeling. In augustus 2025 is het toezicht in deze zaak voortijdig negatief beëindigd omdat betrokkene onbereikbaar was voor de reclassering. Verdachte heeft bij de reclassering aangegeven nog een kans te willen om zijn leven te beteren binnen een reclasseringtoezicht. De reclassering heeft, gelet op de voorgaande informatie, grote twijfels over de haalbaarheid van een ambulant hulpverleningsproject. Binnen de onvoorwaardelijke ISD-maatregel dient volgens de reclassering onderzocht te worden of er naast middelenproblematiek sprake is van dieperliggende persoonlijkheidskenmerken die aan een langdurige gedragsverandering in de weg staan. Van belang is dat de ingezette gedragsverandering, die verdachte mogelijk wederom binnen de ISD extramurale fase zal bewerkstelligen, na afloop van de ISD-maatregel blijft behouden ter voorkoming van recidive. De reclassering ziet geen andere mogelijkheden dan een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.
Op de zitting van 1 mei 2026 heeft mevrouw [persoon 1] (waarnemend voor mevrouw [persoon 2] ) als deskundige het advies nader toegelicht en bevestigd.
De rechtbank acht zich op basis van het reclasseringsadvies voldoende voorgelicht om te komen tot een passende afdoeningsmodaliteit. Zij zal overgaan tot oplegging van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel en overweegt hiertoe als volgt.
6.3.4.
Motivering oplegging ISD-maatregel
Voldaan aan ‘harde’ ISD-criteria
De voorwaarden voor oplegging van een ISD-maatregel staan in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. Vereist is dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Omdat de rechtbank in dit vonnis tot een bewezenverklaring is gekomen van diefstal, is aan deze voorwaarde voldaan. Ook moet verdachte gedurende vijf jaren voorafgaand aan de pleegdatum van 30 januari 2026 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk zijn veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf/maatregel of taakstraf, terwijl het in dit vonnis bewezenverklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen/maatregelen. Uit het strafblad van verdachte van 17 maart 2026 volgt dat ook aan deze voorwaarde is voldaan. Blijkens het strafblad is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het openbaar ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren
processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt wordenvoor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.
Voldaan aan ‘zachte’ ISD-criteria
De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel vereist, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. Ondanks alle hulpverleningstrajecten is het verdachte niet gelukt om niet te recidiveren. De rechtbank meent dat een ISD-maatregel op dit moment de enige en aangewezen wijze is waarop verdachte opnieuw de hulp krijgt die hij nodig heeft om stabiliteit op meerdere leefgebieden te krijgen en het recidiverisico te verlagen.
Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank dan ook het verweer van de raadsvrouw dat zou kunnen worden volstaan met een gevangenisstraf met daarbij een voorwaardelijk deel, dan wel een voorwaardelijke ISD-maatregel. Voor verdachte is op dit moment een strenger kader nodig.
Termijn van één jaar
De rechtbank heeft echter oog voor het feit dat verdachte de ISD-maatregel twee keer positief heeft doorlopen en dat het verdachte is gelukt om in en na de extramurale fase zijn leven (gedurende een behoorlijke periode) op orde te krijgen met huisvesting en werk. Een aantal tegenslagen in het leven van verdachte hebben ervoor gezorgd dat hij opnieuw gerecidiveerd is. Verdachte heeft aangegeven op dit moment gemotiveerd te zijn mee te werken met alle hulpverlening om zijn leven te stabiliseren. De situatie op dit moment is echter dat deze stabiliteit ontbreekt. Verdachte heeft bijvoorbeeld op dit moment geen vaste woonplek en geen baan. Tot slot neemt de rechtbank in het voordeel van de verdachte in aanmerking dat de reden dat het toezicht in de vorige zaak niet goed is verlopen deels buiten hemzelf lag. In voorgaande omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding de ISD-maatregel op te leggen voor een kortere duur van gevorderd door de officier van justitie. De rechtbank maakt daarbij de inschatting dat, gezien zijn gemotiveerde houding en het feit dat hij eerder de ISD-maatregel positief heeft afgerond, een ISD-maatregel voor de duur van één jaar voldoende is om in de extramurale fase zijn leven weer te stabiliseren.
Het verzoek van de raadsvrouw om de maatregel na zes maanden te toetsen, wordt afgewezen. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding. De raadsvrouw of de verdachte kan te zijner tijd op grond van het bepaalde in artikel 6:6:14, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering zo nodig een verzoek daartoe doen.

7.Beslag

De officier van justitie heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen goederen worden onttrokken aan het verkeer. De raadsvrouw heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Onder verdachte zijn de volgende voorwerp inbeslaggenomen en niet teruggegeven:
  • G6768058 – een slijptol / zaag van het merk Wesco
  • G6768052 – een schroevendraaier
  • G6768054 – een nepbot
Verbeurdverklaring
Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp te weten: de slijptol, die aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurdverklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met dat voorwerp het strafbare feit is begaan.
Onttrekking aan het verkeer
De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de schroevendraaier en het nepbot, die aan verdachte toebehoren, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf. De schroevendraaier zat door het nepbot heen en kon op die manier als steekwapen dienen. Dit voorwerp kan dienen tot het begaan van een misdrijf en is van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

8.Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf opgelegd in de zaak met parketnummer 13/159871-25 afwijzen, omdat de tenuitvoerlegging van die gevangenisstraf zich niet verdraagt met de oplegging van de ISD-maatregel.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4. is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte] ,daarvoor strafbaar.
Legt op
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
1 (één) jaar.
Verklaart verbeurd:
- G6768058 – een slijptol / zaag van het merk Wesco.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
  • G6768052 – een schroevendraaier;
  • G6768054 – een nepbot.
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/159871-25.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,
mrs. R. van de Water en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 mei 2026.
[…]

3.[…]