Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6287

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
26-010165
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 2 WVW 1994Art. 164 lid 4 WVW 1994Art. 164 lid 8 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beklag tegen inhouding rijbewijs na rijden onder invloed en gevaarlijk rijgedrag

Op 4 april 2026 werd het rijbewijs van klager ingevorderd na het constateren van rijden onder invloed met een ademalcoholgehalte van 690 µg/l, gevaarlijk rijgedrag en het veroorzaken van een verkeersongeval op de Gooiseweg in Amsterdam. De officier van justitie besloot het rijbewijs zes maanden in te houden tot uiterlijk 1 oktober 2026.

Klager diende een beklag in met het verzoek om teruggave van zijn rijbewijs, stellende dat hij zijn les heeft geleerd en het rijbewijs nodig heeft voor zijn werk als vrachtwagenchauffeur. Zijn werkgever dreigt zijn arbeidsovereenkomst niet te verlengen indien hij niet voor 1 juni 2026 kan hervatten, wat financiële problemen en mogelijk verlies van zijn woning tot gevolg zou hebben.

De officier van justitie verzette zich tegen teruggave, stellende dat de verkeersveiligheid en het algemeen belang zwaarder wegen en dat een onvoorwaardelijke rijontzegging waarschijnlijk is. De rechtbank oordeelde dat de inhouding rechtmatig is, mede gelet op het strafblad van klager en het feit dat hij ondanks eerdere sancties opnieuw onder invloed en met gevaarlijk rijgedrag heeft gereden. Het beklag werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beklag tegen de inhouding van het rijbewijs wordt ongegrond verklaard en het rijbewijs blijft tot uiterlijk 1 oktober 2026 ingevorderd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer: 13-105591-26
raadkamernummer: 26-010165
datum: 13 mei 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) van:

[klager] ,

geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. F.W.M. Hopmans;
[adres] ,
hierna te noemen: klager.

Feiten

Tegen klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 8, tweede lid, WVW 1994, gepleegd op 4 april 2026 omstreeks 18:32 uur op de Gooiseweg in Amsterdam.
Het proces-verbaal houdt onder meer in dat klager in een personenauto reed, dat hij zeer gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond, een verkeersongeval heeft veroorzaakt en dat het alcoholgehalte in zijn adem hoger was dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Tijdens de ademanalyse werd een ademalcoholgehalte van 690 µg/l geconstateerd.
Op 4 april 2026 is op grond van het bovenstaande het rijbewijs van klager ingevorderd.
De officier van justitie heeft vervolgens binnen tien dagen beslist het rijbewijs onder zich te houden voor een periode van zes maanden, tot uiterlijk 1 oktober 2026.

Procedure

Het klaagschrift is op 8 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 13 mei 2026 het beklag in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft klager, zijn advocaat, mr. F.W.M. Hopmans, en de officier van justitie, mr. S.M. Hoogerheide, op zitting gehoord.

Beklag

Het beklag strekt tot teruggave van het rijbewijs van klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt.
Door klager is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.
Ik heb een ernstige fout gemaakt en daar heb ik spijt van. Ik weet niet waarom ik zo heb gereden. Het heeft een grote impact op mijn leven. Ik heb ervan geleerd en ik zal het nooit meer doen.
Namens klager is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.
Klager heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk als vrachtwagenchauffeur bij [bedrijf] B.V.. De werkgever van klager heeft hem verteld dat als hij zijn werkzaamheden voor 1 juni 2026 niet kan hervatten, zijn arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd. Hierdoor zal klager zijn vaste lasten niet meer kunnen betalen en zal hij zijn woning verliezen. Klager beseft dat hij een enorme fout heeft gemaakt. Hij heeft zijn les geleerd. Gelet op het persoonlijk belang van klager dient het rijbewijs onmiddellijk dan wel met ingang van 1 juni 2026 aan hem te worden teruggegeven. Hiermee blijft er voor de later oordelende rechter ook ruimte over voor de oplegging van een forse voorwaardelijke rijontzegging.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat - gelet op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en de oriëntatiepunten van het LOVS - ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan klager in geval van veroordeling door de rechter een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd van langere duur dan de tijd dat het rijbewijs is ingevorderd en ingehouden geweest. De officier van justitie heeft ook aangevoerd dat verdere inhouding het algemeen belang en de verkeersveiligheid dient en dat het persoonlijk belang van klager daartegen niet opweegt.

Beoordeling

De rechtbank acht de inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 lid 4 WVW Pro 1994 rechtmatig. De officier van justitie heeft in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
Klager is vrachtwagenchauffeur en afhankelijk van zijn rijbewijs. Uit het strafblad van klager blijkt dat aan hem eerder een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van vier maanden is opgelegd en dat in verband met een openstaande zaak wegens het weigeren van een ademanalyse zijn rijbewijs ingevorderd is geweest. Desondanks heeft klager onder invloed van alcohol een personenauto bestuurd, zeer gevaarlijk rijgedrag vertoond en een verkeersongeval veroorzaakt. Hiermee heeft hij een onverantwoord risico genomen. In raadkamer heeft klager geen verklaring voor zijn gedrag kunnen geven. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank onvoldoende vertrouwen in het feit dat klager zich veilig zal gedragen in het verkeer. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de belangen van de verkeersveiligheid thans zwaarder wegen dan de persoonlijke belangen van klager. Hetgeen hierover in raadkamer is aangevoerd, maakt dit niet anders.
Het beklag zal dan ook ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. R.A. Overbosch, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager en het openbaar ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,
in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, voor het openbaar ministerie binnen veertien (14) dagen en voor klager binnen veertien (14) dagen na de dagtekening van deze beslissing.