ECLI:NL:RBAMS:2026:6362

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
11444357 \ CV EXPL 24-15756
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 1 Verordening (EU) nr. 1215/2012Verordening (EU) nr. 593/2008 (Rome I)Art. 6:230m lid 1 BWArt. 6:230m lid 1 onder h BWArt. 6:230v BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende stellingen over consumentenrecht en informatieplichten

Eisende partij, een rechtspersoon naar buitenlands recht, vordert betaling van gedaagde die via een achteraf betaalservice producten bestelde bij een webwinkel. De kantonrechter toetst ambtshalve de bevoegdheid en het toepasselijke recht, en concludeert dat Nederlands recht van toepassing is en consumentenrechtelijke regels moeten worden nageleefd.

De kantonrechter constateert dat de overgelegde schermafdrukken van het bestelproces ongedateerd zijn en niet aantonen dat aan essentiële informatieplichten is voldaan, zoals het informeren over betalingsverplichting en ontbindingsrecht. Ook is onduidelijk of de algemene voorwaarden van toepassing zijn, omdat deze dateren van een later tijdstip dan de overeenkomst.

Verder ontbreken de betalingsvoorwaarden van de achteraf betaalservice, waardoor niet kan worden beoordeeld of er oneerlijke bedingen zijn. Door het ontbreken van voldoende feiten en stellingen kan de kantonrechter het ambtshalve onderzoek niet uitvoeren en wijst daarom de vordering af. Eisende partij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de naleving van consumentenrechtelijke informatieplichten en toepasselijkheid van algemene voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11444357 \ CV EXPL 24-15756
Vonnis van 29 mei 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
COEO SECURITISATION LIMITED,
gevestigd te Dublin (Ierland),
eisende partij,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 november 2024, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Vanwege de buitenlandse vestigingsplaats van eisende partij moet de kantonrechter ambtshalve de bevoegdheid van de Nederlandse rechter toetsen. Geoordeeld wordt dat de kantonrechter op grond van artikel 4 lid 1 van Pro de in deze toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Op grond van Verordening 593/2008 (Rome I) is Nederlands rechts van toepassing.
2.2.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.3.
Eisende partij stelt in de dagvaarding dat zij de vordering gecedeerd heeft gekregen van Klarna Bank AB, gevestigd te Stockholm (hierna: Klarna). Eisende partij stelt verder dat gedaagde partij online, via de webwinkel van ZARA, producten heeft besteld. Gedaagde partij heeft ervoor gekozen om achteraf te betalen met een achteraf betaalservice, aangeboden door Klarna.
2.4.
Op grond van het door eisende partij gestelde is sprake van een overeenkomst op afstand, zodat moet worden getoetst of is voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW). De bestelling is geplaatst in het jaar 2022.
2.5.
Eisende partij stelt dat ZARA aan vorenbedoelde informatieplichten heeft voldaan en verwijst naar schermafdrukken van het online bestelproces. De kantonrechter kan aan de hand van de overgelegde schermafdrukken echter niet vaststellen of ZARA ten tijde van het sluiten van de overeenkomst tegenover gedaagde partij aan haar informatieplichten heeft voldaan, omdat de schermafdrukken ongedateerd zijn. Voor zover de schermafdrukken al ter onderbouwing zouden kunnen dienen, volgt daaruit dat meerdere essentiële informatieplichten voortvloeiend uit artikel 6:230m lid 1 en 6:230v BW worden geschonden. Zo blijkt uit de knop waarmee het bestelproces wordt afgesloten niet dat een betalingsverplichting wordt aangegaan (artikel 6:230v lid 3 BW) en wordt tijdens het bestelproces geen informatie over het ontbindingsrecht verstrekt (artikel 6:230m lid 1 onder h BW).
2.6.
Eisende partij stelt verder dat algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn verklaard. De overgelegde algemene voorwaarden dateren echter van september 2023 (dat blijkt uit pagina 18, waar staat “Bijgewerkt in september 2023”), terwijl de overeenkomst tussen ZARA en gedaagde partij een jaar eerder is gesloten in 2022. Zonder toelichting hierover, die ontbreekt, kan niet van de toepasselijkheid van de overgelegde algemene voorwaarden worden uitgegaan.
2.7.
Gedaagde partij heeft volgens eisende partij gekozen voor betaling achteraf via Klarna. Achteraf betalen is een vorm van kredietverstrekking, zodat de consumentrechtelijke bepalingen die daarop betrekking hebben moeten worden getoetst. Dat is niet mogelijk zonder stellingen hierover en de betalingsvoorwaarden van Klarna die van toepassing worden verklaard. Deze betalingsvoorwaarden heeft eisende partij niet in het geding gebracht. Daardoor kan evenmin worden vastgesteld of er bedingen aan de onderhavige vordering ten grondslag hadden kunnen worden gelegd en zo ja, of die bedingen oneerlijk zijn in de zin van de richtlijn.
2.8.
Eisende partij heeft de voor de beoordeling van belang zijnde feiten op meerdere onderdelen niet volledig aangevoerd, waardoor zij het de kantonrechter onmogelijk heeft gemaakt om het in overweging 2.2 omschreven ambtshalve onderzoek uit te voeren. Eisende partij heeft dan ook niet volledig voldaan aan haar stelplicht. Dat leidt tot afwijzing van de vordering.
2.9.
Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vordering af,
3.2.
veroordeelt eisende partij in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.
991