ECLI:NL:RBAMS:2026:6365

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
11592656 \ CV EXPL 25-4315
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verstekvonnis inzake consumentenrechtelijke toetsing prijsbeding en proceskosten

In deze bodemzaak heeft de kantonrechter bij verstek uitspraak gedaan tegen gedaagde, die niet is verschenen. Eiser vorderde betaling van een factuur voor werkzaamheden, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

De rechter heeft ambtshalve het consumentenrecht getoetst, met name de informatieplichten uit artikel 6:230l BW en de transparantie van het prijsbeding. Eiser heeft toegelicht dat de oorspronkelijke offerte gebaseerd was op 10 uren werk, maar dat gedaagde opdracht gaf tot meerwerk, waarvoor een uurtarief was afgesproken. Gedaagde was op de hoogte van de hogere kosten en heeft tussentijds gefactureerd gekregen zonder bezwaar.

De rechter oordeelt dat gedaagde de economische gevolgen voldoende kon inschatten en dat het prijsbeding transparant is. Er zijn geen algemene voorwaarden van toepassing, zodat toetsing op oneerlijkheid achterwege blijft. De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen conform het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten.

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, de incassokosten en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt bij verstek veroordeeld tot betaling van de factuur, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11592656 \ CV EXPL 25-4315
Vonnis van 21 mei 2026
in de zaak van
[eiser] , handelend onder de naam [handelsnaam eiser],
wonende en zaakdoende te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: Stichting Univé Rechtshulp (mr. M.V. Rekker),
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 5 maart 2026,
- de akte uitlating van [eiser], met een productie.
1.2.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [gedaagde] niet gereageerd op de door [eiser] ingediende akte.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is [eiser] in de gelegenheid gesteld zich (nader) uit te laten over:
  • de wijze waarop hij heeft voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW),
  • de transparantie van het prijsbeding, waarbij hij moest betrekken de omstandigheid dat de factuur uiteindelijk vier keer zo hoog is dan vooraf begroot,
  • de toepasselijkheid van algemene voorwaarden.
2.2.
[eiser] heeft bij akte aangevoerd dat hij heeft voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230l BW en verwijst naar de offerte, waarmee [gedaagde] akkoord is gegaan. Op het moment van verzending van de offerte was nog niet duidelijk of, en zo ja hoeveel meerwerk er zou moeten gebeuren. Wel is de prijs per uur voor meerwerk afgesproken. [eiser] heeft geen schatting voor de hoeveelheid werk gegeven. Uitsluitend is een offerte uitgebracht voor de werkzaamheden, gebaseerd op 10 uren werk, met een duidelijke prijs. Dat de factuur uiteindelijk veel hoger is geworden, kwam doordat [gedaagde] daarna opdracht gaf tot uitvoering van meerwerk, waaronder het oplossen van storingen, werkzaamheden aan het balkon, het plaatsen van buitenverlichting en extra stopcontacten, werkzaamheden aan de meterkast en het trekken van datakabels door meerdere verdiepingen. Hierover hebben partijen veelvuldig contact gehad. [gedaagde] wist dat de 10 geoffreerde uren zouden worden overschreden. Dat blijkt ook uit de WhatsApp-correspondentie, waarbij afspraken voor meerdere dagen werk zijn gemaakt. [gedaagde] wist dat het meerwerk zou leiden tot een hogere prijs. Daarom vroeg [gedaagde] op 18 oktober 2024 ook om een schatting van de kosten tot zover. Op 21 oktober 2024 heeft [eiser] een tussentijdse factuur gestuurd van € 2.513,78 inclusief btw. Deze factuur is zonder bezwaar in ontvangst genomen, waarna [gedaagde] vroeg hoeveel uren [eiser] nog nodig dacht te hebben. Daarop heeft [eiser] laten weten dat de klus nog ongeveer 10-14 uren zou duren als alle materialen aanwezig zouden zijn. Vervolgens zijn op 26 oktober 2024 de laatste werkzaamheden afgerond. [eiser] heeft dus steeds duidelijk en transparant gecommuniceerd over de prijs. De economische gevolgen heeft [gedaagde] dan ook voldoende kunnen inschatten. [gedaagde] heeft [eiser], na de eerste 10 uren en ook na de tussentijdse factuur, laten doorwerken en heeft hem niet verzocht te stoppen. [eiser] hanteert geen algemene voorwaarden, zodat er ook geen algemene voorwaarden van toepassing zijn, aldus – steeds – [eiser].
2.3.
Op grond van de nadere stellingen van [eiser], die [gedaagde] niet heeft weersproken, wordt geoordeeld dat [gedaagde] de economische gevolgen van de overeenkomst voldoende heeft kunnen inschatten, ondanks dat de factuur vier keer zo hoog is als de offerte. Dat laatste had er immers mee te maken dat [eiser] in opdracht van [gedaagde] meerwerk heeft verricht, waarmee in de offerte geen rekening kon worden gehouden. [gedaagde] was op de hoogte van de prijs per uur voor meerwerk. Het meerwerk heeft meerdere dagen in beslag genomen. Verder is in aanmerking genomen de omstandigheid dat [eiser] tussentijds heeft gefactureerd en [gedaagde] op dat moment dus wist wat de kosten waren (vgl. ECLI:EU:C:2023:14, overwegingen 43 en 44). [gedaagde] vroeg [eiser] toen niet te stoppen omdat het te duur werd. Integendeel, partijen hebben vervolgens afgesproken dat [eiser] op 26 oktober 2024 weer zou langskomen om de klus af te ronden. Nu [eiser] gemotiveerd heeft gesteld dat na het verzenden van de offerte in opdracht van [gedaagde] meerwerk is verricht, [eiser] dit meerwerk ook expliciet heeft benoemd, hij tussentijds heeft gefactureerd en na afronding van het werk uiteindelijk heeft gefactureerd overeenkomstig het vooraf afgesproken tarief, wordt alles in aanmerking nemend geoordeeld dat het prijsbeding voldoende transparant is, zodat verdere toetsing aan Richtlijn 93/13 EG niet aan de orde is.
2.4.
Uit het door [eiser] gestelde volgt dat [gedaagde] is geïnformeerd over alle essentiële informatie voortvloeiend uit artikel 6:230l BW.
2.5.
Nu geen algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn verklaard, is toetsing van bedingen op oneerlijkheid niet aan de orde.
2.6.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Het gevorderde bedrag van € 448,37 is in overeenstemming met het tarief dat volgt uit het Besluit en wordt daarom toegewezen.
2.7.
Met inachtneming van het voorgaande komt de vordering niet onrechtmatig of ongegrond voor.
2.8.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,16
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
253,00
(1 punt × € 253,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
705,16

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.233,73 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 12 november 2024, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 448,37 aan buitengerechtelijke kosten,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 705,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.
991