Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6383

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
13-113666-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Europees aanhoudingsbevel ondanks betwisting adres opgeëiste persoon

De rechtbank Amsterdam behandelde op 23 juni 2026 het verzoek tot overlevering van een persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de District Court in Radom. De opgeëiste persoon werd verdacht van meerdere strafbare feiten en er resteerde nog een gevangenisstraf van bijna twaalf maanden.

De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon geen adres had opgegeven tijdens het Poolse verhoor en dat de Poolse autoriteiten mogelijk een oud adres van zijn overleden moeder hadden gebruikt voor de oproeping, wat volgens hen de overlevering zou moeten weigeren. De officier van justitie stelde dat het vertrouwensbeginsel geldt en dat de opgeëiste persoon tijdens het voorbereidend onderzoek een adres had opgegeven en was gewezen op de gevolgen van het niet doorgeven van een adreswijziging.

De rechtbank oordeelde dat geen van de in artikel 12 OLW Pro genoemde weigeringsgronden zich voordeed en dat het vertrouwensbeginsel de juistheid van het opgegeven adres ondersteunt. Er is geen sprake van schending van verdedigingsrechten of een concreet gevaar op een oneerlijk proces. Het subsidiaire verzoek tot aanhouding van de zaak voor aanvullende informatie werd afgewezen.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat de overlevering aan Polen kan worden toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks betwisting van het opgegeven adres.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-113666-26
Datum uitspraak: 23 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 11 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 april 2026 door de
Sąd Okręgowy w Radomiu (District Court in Radom),Polen, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
nu gedetineerd in de [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Regional Court [Sąd Rejonowy] in Radomvan 9 januari 2025, met kenmerk II K 2855/23
.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog elf maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [2]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon stelt tijdens zijn verhoor in Polen geen adres te hebben opgegeven. Hij had geen woning en familie meer in Polen. De Poolse autoriteiten noemen in de aanvullende informatie van 28 mei 2026 ook niet welk adres de opgeëiste persoon zou hebben doorgegeven. De opgeëiste persoon vermoedt dat de Poolse autoriteiten hem op het adres van zijn moeder hebben gedagvaard en dat de Poolse autoriteiten dit adres kennelijk uit de Gemeentelijke Basisadministratie als laatst bekende adres hebben gehaald. In 2023 woonde de opgeëiste persoon daar echter niet meer en was zijn moeder al geruime tijd overleden. Volgens de raadsman had een verzetgarantie moeten worden verstrekt, omdat de opgeëiste persoon betwist dat het vonnis onherroepelijk is. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht om de zaak aan te houden en de Poolse autoriteiten om aanvullende informatie te verzoeken naar welk adres de oproeping is verstuurd, hoe de Poolse autoriteiten aan dat adres zijn gekomen en of dat mogelijk het laatstgenoemde adres in de Gemeentelijke Basisadministratie is geweest, te weten het adres waar de opgeëiste persoon al geruime tijd niet meer woonde.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank af kan zien van toepassing van de weigeringsgrond en dat de overlevering kan worden toegestaan. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat uitgegaan moet worden van de juistheid van de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 28 mei 2026. [3] Het kan volgens de officier van justitie bovendien niet zo zijn dat de Poolse autoriteiten ermee akkoord zijn gegaan dat de opgeëiste persoon bij zijn verhoor geen adres heeft opgegeven waarop hij (daadwerkelijk) bereikbaar is voor de Poolse autoriteiten. Mogelijk hebben de Poolse autoriteiten het in de Gemeentelijke Basisadministratie opgenomen adres van de moeder van opgeëiste persoon genoemd en heeft de opgeëiste persoon aangegeven dat dat adres gebruikt kon worden, ondanks dat hij daar niet meer woonde. Het is dan vervolgens aan de opgeëiste persoon om in de gaten te houden of op dat adres post met betrekking tot de lopende strafzaak tegen hem wordt ontvangen. Het nalaten daarvan komt voor zijn rekening en risico.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de stukken volgt dat de opgeëiste persoon tijdens het voorbereidend onderzoek als verdachte is gehoord. Tijdens dat verhoor heeft hij een adres opgegeven is hij gewezen op de gevolgen van het niet doorgeven van een wijziging van adres. De oproep voor de zitting die tot de beslissing hebben geleid is, volgens de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 28 mei 2026, gezonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat de rechtbank uitgaat van de juistheid van deze informatie. De enkele stelling van de opgeëiste persoon dat hij in deze zaak geen adres heeft opgegeven en dat hij toen niet meer bij zijn moeder woonde is niet voldoende om hieraan te twijfelen. De rechtbank stelt dan ook vast dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank wijst het door de raadsman subsidiair geformuleerde verzoek om de behandeling van de zaak aan te houden om bij de Poolse autoriteiten aanvullende informatie op te vragen dan ook af.

5.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
wederspannigheid;
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en het feit begaan tegen een
ambtenaar van politie, meermalen gepleegd;
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 180, 267, 285 en 350 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Sąd Okręgowy w Radomiu (District Court in Radom),Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. L. Sanders en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (