ECLI:NL:RBAMS:2026:6442

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
12082471 \ CV EXPL 26-1389
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 lid 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning exclusief gebruiksrecht woning na beëindiging samenwoning ex-partners

De zaak betreft een geschil tussen ex-partners over het exclusieve gebruiksrecht van een woning die door de vrouw sinds 2008 wordt gehuurd. Na beëindiging van hun relatie in februari 2025 en een mislukte poging van de man om medehuurder te worden, vorderen partijen ieder het exclusieve gebruiksrecht van de woning op grond van artikel 7:267 lid 7 BW Pro.

De kantonrechter weegt de belangen van beide partijen af. De vrouw woont al 18 jaar in de woning, is geworteld in de buurt en kan de huur alleen betalen. De man woont er ook, heeft medische klachten en is ingeschreven bij DAK sinds juni 2025. Beide partijen hebben onvoldoende zoekpunten om snel een andere woning te vinden en zijn sociaal verbonden aan de buurt.

Een doorslaggevend element is dat partijen na de relatiebreuk hebben afgesproken dat de man de woning zou verlaten, een afspraak die schriftelijk en mondeling is bevestigd. De vrouw heeft op die grond meer belang bij het exclusieve gebruiksrecht. De man moet de woning uiterlijk 23 juli 2026 ontruimen. De huur- en vaste lasten worden naar rato verdeeld. De vorderingen van de man worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De vrouw krijgt het exclusieve gebruiksrecht van de woning toegewezen en de man moet uiterlijk 23 juli 2026 de woning verlaten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12082471 \ CV EXPL 26-1389
Vonnis van 23 juni 2026
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1],
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: [de vrouw],
gemachtigden: mr. P.M. Poelman en mr. R. Sheombar
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: [de man],
gemachtigde: mr. J. Wildevuur.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 januari 2026, met producties, waarin bij wijze van incident ook is gevorderd een voorlopige voorziening te treffen;
- de conclusie van antwoord, met eis in reconventie en producties;
- de berichten van 10 maart 2026 en 7 april 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte nadere producties en eisvermeerdering in conventie, tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie, met producties, zijdens [de vrouw];
- de akte overlegging aanvullende producties zijdens [de man].
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 20 mei 2026. [de vrouw] was aanwezig met haar gemachtigden. [de man] was aanwezig met zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, [de vrouw] mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Partijen hebben ter zitting over een gedeelte van het geschil overeenstemming bereikt. Van de in dat kader gemaakte afspraken is proces-verbaal opgemaakt. De zaak is voor het overige verwezen naar de rol van heden voor vonnis.

2.De feiten

2.1.
[de vrouw] huurt met ingang van 1 januari 2008 de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning) van (de rechtsvoorganger van) Ymere. De woning is gelegen op [locatie]. [de vrouw] heeft de woning in 2008 verkregen door woningruil. Zij is in de woning gaan wonen met haar destijds minderjarige dochter. Later kreeg [de vrouw] een relatie met [de man]. In 2015 heeft [de man] zijn eigen koopwoning verkocht en is hij bij [de vrouw] ingetrokken. [de vrouw] en [de man] zijn nooit gehuwd en hebben geen samenlevingscontract opgemaakt.
2.2.
De relatie tussen [de vrouw] en [de man] is in februari 2025 op initiatief van [de vrouw] verbroken. [de vrouw] heeft [de man] enkele maanden de tijd gegeven om nieuwe woonruimte te vinden.
2.3.
Op 26 juni 2025 heeft [de man] zonder medeweten van [de vrouw] aan Ymere verzocht om als medehuurder te worden aangemerkt. Ymere heeft dat verzoek afgewezen. Sindsdien zijn de betrekkingen verslechterd en verblijven [de vrouw] en [de man] om beurten in de woning en proberen zij elkaar zo veel mogelijk te ontlopen. [de vrouw] slaapt er een nacht in de week en is er door de week overdag vaak, de rest van de week slaapt [de man] in de woning.
2.4.
In oktober 2025 heeft [de vrouw] een kort geding-procedure aanhangig gemaakt. Bij vonnis van 9 december 2025 heeft de kantonrechter de over en weer ingestelde vorderingen tot toekenning van het exclusief gebruiksrecht van de woning afgewezen, omdat naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter vooralsnog niet was aangetoond dat één van hen een groter belang had bij tijdelijke toekenning van het uitsluitend gebruik dan de ander. [de vrouw] is veroordeeld tot het verlenen van haar medewerking aan het aanvragen van het medehuurderschap in de zin van artikel 7:267 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) door [de man], bij gebreke waarvan het vonnis in de plaats treedt van die medewerking.
2.5.
Bij brief van 11 februari 2026 heeft Ymere aan partijen bericht dat zij akkoord gaat met het verzoek tot het toekennen van het medehuurderschap aan [de man] en dat zij de contractgegevens per 1 maart 2026 zal aanpassen.
2.6.
De huurprijs van de woning zal per 1 juli 2026 € 666,65 per maand inclusief servicekosten bedragen.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
[de vrouw] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis en na wijziging van eis, samengevat:
In het incident, bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van de procedure:
I. toekenning van het exclusieve gebruiksrecht van de woning aan [de vrouw] gedurende bepaalde in de dagvaarding genoemde periodes per week, op straffe van een dwangsom;
In de hoofdzaak:
II. te bepalen dat [de vrouw], met uitsluiting van [de man], gerechtigd is tot het voortgezet en exclusief gebruik van de woning aan de [adres] en dat het huurrecht aan haar wordt toegewezen, met bevel aan [de man] om deze woning binnen één maand na dit vonnis te verlaten onder afgifte van de sleutels aan [de vrouw], en de woning zonder uitdrukkelijke toestemming van [de vrouw] niet meer te betreden;
III. te bepalen dat de huur en de vaste lasten van de woning tot aan de bepaalde datum door partijen naar evenredigheid van hun aanwezigheid in de woning worden gedragen, en dat de partij die meer heeft bijgedragen dan zijn aandeel daarvoor een direct vorderingsrecht op de ander zal verkrijgen;
IV. te bepalen dat [de man] binnen één maand na betekening van het vonnis ontruimd wordt van de woning met al het zijne en de zijnen;
V. veroordeling van [de man] in de proceskosten.
In reconventie
3.2.
[de man] vordert in reconventie, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis en na wijziging van eis, samengevat:
In het incident, bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van de procedure:
I. inzage in de DAK/Woningnet-status van [de vrouw];
In de hoofdzaak:
II. inzage in de DAK/Woningnet-status van [de vrouw];
III. te bepalen dat [de man] met uitsluiting van [de vrouw] het huurrecht van de woning zal voortzetten;
IV. veroordeling van [de vrouw] in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen in het incident en in de hoofdzaak, in conventie en in reconventie, wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In de hoofdzaak
In conventie en in reconventie
4.1.
Om proceseconomische redenen zal eerst worden ingegaan op de vorderingen in de hoofdzaak. Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en de reconventie in die hoofdzaak zullen deze gezamenlijk worden behandeld.
7:267 lid 7 BW
4.2.
[de vrouw] en [de man] baseren hun vorderingen tot toekenning van het exclusieve gebruiksrecht van de woning op artikel 7:267 lid 7 BW Pro. Op grond van dat artikel kunnen kort gezegd huurders en medehuurders vorderen dat de rechter zal bepalen dat een of meer van deze personen de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer zullen voortzetten. Inhoudelijk komt een dergelijk geschil neer op een belangenafweging. Beoordeeld moet worden of het belang bij het behoud van het huurrecht van de ene huurder zwaarder dient te wegen dan het belang van de andere huurder.
4.3.
[de vrouw] heeft ter ondersteuning van haar stelling dat zij meer belang heeft bij toekenning van de woning dan [de man] samengevat het volgende naar voren gebracht. Zij woont al 18 jaar in de woning en is geworteld in en verbonden met de buurt. Zij kan de huur in haar eentje opbrengen. Door het steeds wisselende verblijf komt haar positie als huurder onder druk te staan. Als gevolg van de situatie heeft [de vrouw] ook medische klachten. De situatie is niet langer houdbaar. Bovendien heeft [de man] een grotere kans op het vinden van alternatieve woonruimte dan [de vrouw]. [de vrouw] staat sinds oktober 2024 ingeschreven bij DAK (het voormalige Woningnet). [de vrouw] kan niet langer bij vrienden of familie verblijven. Bovendien hebben partijen destijds ook afgesproken dat [de man] op zoek zou gaan naar een nieuwe woning. Daarvoor heeft [de vrouw] hem ook lang de tijd gegeven.
4.4.
Volgens [de man] heeft juist hij meer belang bij toekenning van het huurrecht. Hij heeft in dat kader samengevat het volgende naar voren gebracht. [de man] heeft zijn hoofdverblijf in het gehuurde. [de vrouw] daarentegen verblijft veel elders. Ook heeft zij meer woonpunten bij DAK dan [de man]. [de man] staat sinds juni 2025 bij DAK ingeschreven. [de man] is geworteld op [locatie] en heeft er belang bij daar te blijven wonen, ook vanwege zijn werk in een verfwinkel aldaar. [de man] heeft rugklachten en zal vermoedelijk instromen in de WIA. Deze sociale huurwoning kan hij wel alleen betalen, eventueel met huursubsidie. [de man] heeft geen andere woningmogelijkheden. Weliswaar heeft hij in het begin ermee ingestemd dat hij op zoek zou gaan naar iets anders, maar dat heeft hij in een opwelling gedaan, toen hij nog verkeerd was geïnformeerd over zijn juridische positie.
4.5.
De kantonrechter stelt vast dat de situatie voor beide partijen in bepaalde opzichten gelijk is. Zij hebben allebei medische problemen. Zij hebben allebei – zoveel is niet in geschil – op dit moment onvoldoende zoekpunten bij DAK om op korte termijn een andere woning te vinden. Ook hebben zij, zoals blijkt uit door beide partijen overgelegde getuigenverklaringen c.q. steunbetuigingen, allebei binding met de buurt [locatie]. Allebei hebben zij werk in [plaats], waardoor zij graag in de buurt blijven wonen. En allebei stellen zij de woning in hun eentje te kunnen betalen.
4.6.
[de man] heeft gesteld dat hij nergens anders terecht kan. Hij heeft dat onderbouwd aan de hand van bewijzen van hotelovernachtingen. [de vrouw] heeft gesteld dat zij in het verleden wel bij vrienden heeft kunnen logeren, maar zij heeft aan de hand van een getuigenverklaring toegelicht dat ook dat stopt per 1 mei 2026. Ook voor wat betreft de acute opvang zitten partijen dus min of meer in dezelfde situatie.
4.7.
Wat een doorslaggevend verschil maakt, is het volgende. Partijen zijn in februari 2025 uit elkaar gegaan. Niet in geschil is dat partijen daarna hebben afgesproken dat [de man] de woning zou verlaten en ergens anders zou gaan wonen. Daar mocht [de vrouw] vanuit gaan. Dat [de man] die toezegging in een opwelling zou hebben gedaan, zoals [de man] ter zitting heeft verklaard, is onvoldoende voor een ander oordeel. Bovendien blijkt uit de door [de vrouw] overgelegd correspondentie ook niet dat sprake is geweest van een opwelling. Zij heeft gewezen op WhatsApp-correspondentie van 4 juni 2025, dus vier maanden na de breuk, waarin [de vrouw] onder andere schrijft: “
Voor nu laten we een termijn afspreken voor het vinden van een huis voor jou. Uiterlijk maart 2026? Tot die tijd laten we het beste ervan maken voor ons beide belangrijk (bloeddruk). Veel logeren bij vrienden, allebei. (…).” [de man] heeft hierop geantwoord met: “
Oké.”. Er is dus niet alleen sprake van een mondelinge toezegging, gedaan in een opwelling, maar ook van een schriftelijke toezegging, gedaan na enkele maanden. Die toezegging heeft uiteraard ook gevolgen gehad voor de verdere gang van zaken. [de vrouw] is niet verder gaan zoeken naar woonruimte voor haarzelf, omdat zij er gezien de toezegging vanuit ging dat [de man] de woning op afzienbare termijn zou verlaten. En in de tussentijd hadden zij afgesproken er het beste van te maken en afwisselend elders te verblijven. Onder die omstandigheden kan [de man] nu niet aan [de vrouw] tegenwerpen dat zij niet op zoek is gegaan naar een andere woning en ook niet dat zij, anders dan hij, veel elders heeft verbleven.
4.8.
Verder is nog van belang dat [de vrouw] als eerste in de woning is komen wonen en daar inmiddels al bijna twee keer zo lang woont als [de man].
4.9.
Na weging van alle belangen valt de beslissing in het voordeel van [de vrouw] uit. De vorderingen van [de vrouw] op dit punt worden dus toegewezen. Een ontruiming per uiterlijk een maand na dit vonnis, derhalve 23 juli 2026, komt de kantonrechter niet onredelijk voor. De andersluidende vordering van [de man] op dit punt wordt afgewezen.
Vordering tot betaling van lasten naar rato
4.10.
[de man] heeft verzocht de vordering van [de vrouw] om de vaste lasten en huurlasten naar rato te verdelen, toe te wijzen. De kantonrechter zal die vordering daarom toewijzen.
Inzage in de DAK/Woningnet-status
4.11.
[de man] heeft ter zitting toegelicht dat hij de vordering tot inzage in de DAK/Woningnetstatus van [de vrouw] niet alleen in de voorlopige voorziening, maar ook in de hoofdzaak vordert. Hij voert daartoe aan dat [de vrouw] ooit aan hem heeft verteld dat zij daar al lang staat ingeschreven en dat hij daarom vermoedt dat [de vrouw] al zo’n 26 wachtpunten heeft opgebouwd en daarmee goede kans op een alternatieve woning maakt, in ieder geval meer kans dan hij. Daarom wil hij inzage in de zoekpunten die [de vrouw] nu heeft.
4.12.
Hoewel de kantonrechter hiervoor al heeft beslist over de vraag wie van partijen de huur mag voortzetten en wie niet, zou [de man] met het oog op een eventueel hoger beroep nog een belang kunnen hebben bij dit onderdeel van de vordering. De kantonrechter zal daar dan ook op beslissen.
4.13.
De vordering wordt afgewezen. [de vrouw] heeft als productie 44 een voorblad van haar DAK-profiel overgelegd, waarop staat dat zij sinds 14 oktober 2024 staat ingeschreven. Ter zitting heeft zij, gevraagd naar haar DAK-punten, in aanvulling daarop nog verklaard dat zij niet weet hoeveel punten zij precies heeft. Het zullen er volgens haar wel minder zijn dan [de man] heeft, omdat zij de afgelopen periode niet heeft gezocht vanwege de afspraak tussen partijen dat [de man] de woning zou verlaten. De inschrijfduur en de stelling dat [de vrouw] de afgelopen periode niet heeft gezocht zijn door [de man] niet weersproken. Tegen die achtergrond heeft [de man] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende toegelicht belang te hebben bij inzage in méér gegevens dan [de vrouw] al heeft verstrekt. Zijn vordering daartoe wordt dus afgewezen.
Proceskosten
4.14.
Gelet op het feit dat partijen ex-partners zijn, zullen de proceskosten in de hoofdzaak zowel in conventie als in reconventie worden gecompenseerd.
In het incident
In conventie en in reconventie
4.15.
Omdat hiervoor op de vorderingen in de hoofdzaak is beslist, hebben beide partijen geen belang meer bij een beslissing op hun vorderingen over en weer in het incident. Deze vorderingen worden afgewezen.
4.16.
Gelet op het feit dat partijen ex-partners zijn, zullen de proceskosten in het incident zowel in conventie als in reconventie worden gecompenseerd.

5.De beslissing

De kantonrechter:
In het incident
In conventie en in reconventie
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
compenseert de proceskosten aldus dat elk van partijen de eigen kosten draagt;
In de hoofdzaak
In conventie
5.3.
bepaalt dat [de vrouw], met uitsluiting van [de man], gerechtigd is tot het voortgezet en exclusief gebruik van de woning aan de [adres] en dat het huurrecht daarvan wordt toegewezen aan [de vrouw], en bepaalt dat [de man] met ingang van 23 juli 2026 de huur niet langer voortzet;
5.4.
bepaalt dat [de man] de woning uiterlijk 23 juli 2026 dient te ontruimen met al het zijne en de zijnen en de sleutels dient te overhandigen aan [de vrouw] en dat hij na die datum de woning zonder uitdrukkelijke toestemming van [de vrouw] niet meer mag betreden;
5.5.
bepaalt dat de huur en de vaste lasten van de woning tot aan 23 juli 2026 door partijen naar evenredigheid worden gedragen, waarbij het aandeel van een partij wordt bepaald door de duur van zijn/haar verblijf in de woning en bepaalt dat de partij die meer heeft bijgedragen dan zijn/haar aandeel een direct vorderingsrecht zal verkrijgen op de andere partij ter hoogte van het te veel betaalde;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af;
In reconventie
5.7.
wijst de vorderingen af;
In conventie en in reconventie
5.8.
compenseert de proceskosten aldus dat elk van partijen de eigen kosten draagt;
5.9.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.B. Cramwinckel, kantonrechter, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.