Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Stichting Stadgenoot
1.Het procesverloop
- de dagvaarding van 20 juni 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie;
- het instructievonnis van 9 september 2025, met dagbepaling mondelinge behandeling;
- de mondelinge behandeling op 19 december 2025;
- de dagbepaling van de voortzetting van de mondelinge behandeling;
- de akte aanvullende producties 1 en 2 van verhuurder;
- de akte aanvullende producties 9 en 10 van [eiser] .
2.De feiten
3.De vorderingen en het verweer
4.De beoordeling
huurder en die andere persoon […] gezamenlijk” de rechter kunnen verzoeken om die persoon medehuurder te laten zijn. Anders dan in [naam 2] / [naam 3] was vóór het overlijden geen gezamenlijke vordering tot medehuurderschap ingesteld. Het aan verhuurder gerichte verzoek van eind 2024 maakt dat niet anders: dat verzoek is slechts de voorwaarde om de gezamenlijke vordering bij de rechter te mogen instellen (artikel 7:267 lid 1 BW Pro) en niet de vordering zelf. [eiser] kon na het overlijden langs de weg van artikel 7:267 BW Pro dus geen medehuurder meer worden. Voor zijn positie als achterblijver kent de wet, zoals hiervoor al is overwogen, nadrukkelijk een eigen regeling (artikel 7:268 BW Pro).De vordering tot vaststelling van het medehuurderschap kan dus uitsluitend samen met de huurder worden ingesteld. Daarvan is hier geen sprake. Dit betekent dat [eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek.