Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6489

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
AMS 21 / 4918
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 6:19 AwbArt. 3.1.2 RobArt. 3.2.1 RobArt. 10 Dienstenrichtlijn 2006/123/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit exploitatievergunningen passagiersvaart Amsterdam wegens motiveringsgebreken volumebeleid

De zaak betreft het beroep van Holy Boat B.V. tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om haar aanvraag voor een exploitatievergunning voor het vaartuig Zoë af te wijzen op grond van welstand en het beschikkingscriterium.

De rechtbank volgt de eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit 2024, waarin werd geoordeeld dat het volumebeleid van het college onvoldoende is gemotiveerd en niet voldoet aan de Dienstenrichtlijn. Ook de segmentindeling waarop het college het volumebeleid baseert, is niet adequaat onderbouwd. Hierdoor ontbreekt een rechtvaardiging voor de daaraan gekoppelde welstandseisen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 2 september 2021 en draagt het college op binnen achttien weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

De procedure kende meerdere zittingen in november 2025 en januari 2026, waarbij het volumebeleid en het welstandsbeleid zijn besproken. De rechtbank acht de aard van de zaak niet geschikt voor definitieve geschilbeslechting en laat het aan het college over om een nieuw besluit te nemen.

De uitspraak bevestigt dat het college onvoldoende heeft aangetoond dat het vergunningenplafond en de verdeling over segmenten geschikt, noodzakelijk en evenredig zijn ter verwezenlijking van dwingende redenen van algemeen belang, zoals vereist door de Dienstenrichtlijn.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebreken en het college moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/4918

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen

de besloten vennootschap Holy Boat B.V., gevestigd te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. J. Monster),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder(het college)
(gemachtigden: mrs. B.S. Jaasma en M.H.A. Bakkum).

Samenvatting en conclusie

1.1.
Deze uitspraak gaat over de aanvragen uitgifteronde 2024 voor exploitatievergunningen voor de passagiersvaart. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat het bestreden besluit motiveringsgebreken bevat. Eiseres krijgt dus op dit punt gelijk. Het college moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.
1.2.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft, voor zover hier van belang, een aanvraag ingediend voor exploitatievergunning voor het vaartuig Zoë. Het college heeft met het besluit van 16 maart 2021 (het primaire besluit) de aanvraag afgewezen op grond van welstand en op grond van het beschikkingscriterium. Met het bestreden besluit van 2 september 2021 heeft het college de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.
3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een algemeen en een specifiek verweer.
4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2025 in deze zaak en de zaken genoemd in bijlage 2 bij deze uitspraak. De zaken zijn gelijktijdig behandeld. Op die zitting is het volumebeleid besproken en zijn met partijen afspraken gemaakt over het verdere verloop van de procedure. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting in alle zaken gesloten. De rechtbank heeft op 1 december 2025 in alle zaken het onderzoek heropend en bepaald dat in alle zaken het onderzoek op 13 januari 2026 wordt voortgezet.
5. Vervolgens heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 13 januari 2026 in deze zaak en de zaken genoemd in bijlage 2. De zaken zijn gelijktijdig behandeld waarbij het welstandsbeleid is besproken. Hieraan heeft gemachtigde van eiseres deelgenomen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.
6. Bij brief van 16 januari 2026 heeft de rechtbank in alle zaken partijen meegedeeld dat er geen nadere zittingen zullen plaatsvinden.

Achtergrond

7.
Het college heeft in het verleden exploitatievergunningen voor de passagiersvaart voor onbepaalde tijd verleend. Daarbij was het aantal verleende vergunningen gemaximeerd. Tot 2013 werden door middel van uitgifterondes alleen nieuwe exploitatievergunningen verleend als het college van mening was dat de drukte op het water dat toestond. In 2016 [1] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat de Dienstenrichtlijn [2] op deze vergunningen van toepassing is en dat de geldigheidsduur van vergunningen voor passagiersvaart niet onbeperkt mag zijn als het aantal vergunningen is beperkt door een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in de Dienstenrichtlijn. Omdat het college het aantal exploitatievergunningen wilde maximeren, heeft het beleid vastgesteld voor de passagiersvaart op de Amsterdamse binnenwateren. Dat beleid is neergelegd in de Nota Varen deel 1 van maart 2019. Hierin is onder meer een volumebeleid voor de passagiersvaart opgenomen, waarbij het maximum aantal exploitatievergunningen is vastgesteld op 550 (hierna ook: het vergunningenplafond). In de Verordening op het binnenwater 2010 (Vob) en in hoofdstuk 3 van de Regeling op het Binnenwater 2020 (Rob) is hier verder invulling aan gegeven. Met de Beleidsregels omzetting vergunning passagiersvaart heeft het college bepaald hoe de wijziging van vergunningen van onbepaalde naar bepaalde tijd in zijn werk zal gaan. In 2020 heeft het college op basis van deze regelgeving de op dat moment geldende exploitatievergunningen omgezet naar vergunningen voor bepaalde tijd. Een aantal van die vergunningen kreeg een geldigheidsduur tot 1 maart 2024.
8.
De Afdeling heeft op 25 september 2024 geoordeeld [3] over de rechtmatigheid van de omzetting van de vergunningen van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd. Het college mocht een volumebeleid vaststellen en de geldigheidsduur van de exploitatievergunningen wijzigen ter uitvoering van de Dienstenrichtlijn. De wijze waarop het college dat met het huidige volumebeleid heeft gedaan, voldoet volgens de Afdeling echter niet aan die richtlijn omdat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het gevoerde beleid geschikt en noodzakelijk is om het doel (het maximeren van het aantal passagiersvaartuigen) te bereiken. De Afdeling heeft alle omzettingsbesluiten herroepen. Dit had tot gevolg dat de eerder voor onbepaalde tijd verleende exploitatievergunningen herleefden. Het college heeft diezelfde dag een vergunningstop (moratorium) voor de duur van één jaar afgekondigd. De duur van de vergunningstop is nadien verlengd tot 1 april 2027.

Omvang van het geding

9. De 550 vergunningen zijn verdeeld over een aantal segmenten en worden uitgegeven in tranches van twee jaar. In eerste instantie zouden de vergunningen voor de eerste tranche op 1 maart 2022 in werking treden. Op verzoek van vergunninghouders heeft het college besloten de datum van inwerkingtreding uit te stellen tot 1 maart 2024. Daarmee schoven de overige tranches ook twee jaar op.
10. In september 2020 konden vergunninghouders van de vergunningen die per
1 maart 2024 zouden aflopen, almede nieuwe toetreders, een aanvraag indienen voor een exploitatievergunning voor bepaalde tijd. Deze exploitatievergunning gaat in per 1 maart 2024. In deze uitgifteronde 2024 waren 155 exploitatievergunningen beschikbaar.
11. Omdat er meer aanvragen zijn ingediend dan exploitatievergunningen beschikbaar waren, heeft er een loting plaatsgevonden. Vervolgens is onderzocht of de aanvragen compleet waren en zijn incomplete aanvragen buiten behandeling gesteld. Tegen deze buitenbehandelingstelling is tevergeefs geprocedeerd. [4] De complete aanvragen die hoog genoeg op de lotingslijst stonden, zijn in volgorde van rangorde inhoudelijk beoordeeld totdat het maximum aantal te verlenen vergunningen was bereikt. Het college heeft de procedure inzake de uitgifte van de nieuwe exploitatievergunningen op grond van de uitgifteronde 2024 in 2021 afgerond. Als gevolg van de uitspraak van de Afdeling van
25 september 2024 is de looptijd van de toegekende vergunningen gewijzigd van bepaalde in onbepaalde tijd waardoor er inmiddels 728 vaartuigen zijn met een exploitatievergunning.
12. In onderhavige procedure komt eiseres uitsluitend op tegen de afgewezen aanvraag om een exploitatievergunning op grond van welstand. De gronden van het beroep zien ook uitsluitend op het welstandsbeleid.

Beoordeling door de rechtbank

13. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in bijlage 1 bij deze uitspraak.
Welstandsbeleid
14. De rechtbank heeft in de zaken die gelijktijdig met deze zaak zijn behandeld, geoordeeld dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat de begrenzing van het aantal vergunningen en de gekozen systematiek voor de verdeling van de vergunningen geschikt, noodzakelijk en evenredig is ter verwezenlijking van de nagestreefde dwingende redenen van algemeen belang en dat het stelsel coherent en systematisch bijdraagt aan die doelen. De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat de welstandseisen onlosmakelijk zijn verbonden met het volumebeleid en de daarbij gehanteerde segmentindeling. Nu de rechtbank van oordeel is dat het college bij het hanteren van het volumebeleid onvoldoende heeft gemotiveerd dat de segmentindeling in overeenstemming is met de Dienstenrichtlijn, ontbreekt daarmee tevens een toereikende rechtvaardiging voor de daaraan gekoppelde welstandseisen. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres op grond van welstand niet in stand kan blijven. Vorenstaande brengt mee dat de aangevoerde gronden geen bespreking meer behoeven.
Overige gronden
15. Voor zover eiseres overige gronden aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding om deze te beoordelen omdat het beroep gelet op het bovenstaande gegrond is.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit motiveringsgebreken bevat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. De aard van de zaak leent zich niet voor definitieve geschilbeslechting.
17. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor achttien weken.
18. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.335,- (1 punt voor het beroep,
1 punt voor het verschijnen op zitting en 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting [5] , met een wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 934,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 2 september 2021;
- draagt het college op binnen achttien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 360,- aan eiseres moet vergoeden;
-veroordeelt het college tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzitter, en mr. L.H. Waller en mr. M.H. van Haeften, leden, in aanwezigheid van mrs. C. Simonis en N. van der Kroft, griffiers.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage 1: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Rob

Artikel 3.1.2 Verdelingsronde 2024

1. Een exploitatievergunning voor vervoer van personen wordt slechts verleend indien daarvoor een aanvraag is ontvangen in de periode tussen 1 september 2020 om 8:00 uur en 30 september 2020 om 16:00 uur.
2. Het college kan op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid een vergunning verlenen voor een vaartuig in het segment:
a. “beeldbepalend en historisch groot” als het een vaartuig betreft dat voldoet aan de eisen in bijlage 1 of bijlage 2 en het aantal zitplaatsen op het vaartuig meer dan 50 bedraagt;
b. “beeldbepalend en historisch klein en middelgroot” als het een vaartuig betreft dat voldoet aan de eisen in bijlage 1 of bijlage 2 en het aantal zitplaatsen op het vaartuig 50 of minder bedraagt;
c. “groot” als het aantal zitplaatsen op het vaartuig meer dan 50 bedraagt;
d. “klein en middelgroot” als het aantal zitplaatsen op het vaartuig 50 of minder bedraagt;
e. “onbemand” als het een vaartuig betreft dat bestemd is voor onbemande verhuur.
3. Het college verleent op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid geen exploitatievergunning voor vervoer van personen:
a. met een ongemotoriseerd vaartuig;
b. voor onbemande verhuur met vaartuigen langer dan 5,5 meter of breder dan 2 meter, gemeten over alles.
Artikel 3.2.1
Het college verleent voor de aanvragen, bedoeld in artikel 3.1.2, eerste lid, ten hoogste:
a. 10 vergunningen voor historische vaartuigen in het segment “beeldbepalend en historisch groot”,
b. 18 vergunningen voor historische vaartuigen in het segment “beeldbepalend en historisch klein en middelgroot”,
c. 6 vergunningen voor beeldbepalende vaartuigen in het segment “beeldbepalend en historisch groot”,
d. 5 vergunningen voor beeldbepalende vaartuigen in het segment “beeldbepalend en historisch klein en middelgroot”,
e. 25 vergunningen voor vaartuigen in het segment “groot”,
f. 30 vergunningen voor vaartuigen in het segment “klein en middelgroot”,
g. 50 vergunningen voor vaartuigen in het segment “onbemand”, en
h. 11 vrij te verdelen vergunningen.

Dienstenrichtlijn

Artikel 10
Vergunningsvoorwaarden
1. Vergunningstelsels zijn gebaseerd op criteria die beletten dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid op willekeurige wijze uitoefenen.
2. De in lid 1 bedoelde criteria zijn:
a. a) niet-discriminatoir;
b) gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
c) evenredig met die reden van algemeen belang;
d) duidelijk en ondubbelzinnig;
e) objectief;
f) vooraf openbaar bekendgemaakt;
g) transparant en toegankelijk.
3. De vergunningsvoorwaarden voor een nieuwe vestiging mogen gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare, eisen en controles waaraan de dienstverrichter al in een andere of dezelfde lidstaat onderworpen is, niet overlappen. De in artikel 28, lid 2, bedoelde contactpunten en de dienstverrichter staan de bevoegde instantie bij door over deze eisen de nodige informatie te verstrekken.
4. De vergunning biedt de dienstverrichter op het gehele nationale grondgebied het recht op toegang tot of uitoefening van de dienstenactiviteit, mede door de oprichting van agentschappen, dochterondernemingen, kantoren of bijkantoren, tenzij een vergunning voor elke afzonderlijke vestiging of een beperking van de vergunning tot een bepaald gedeelte van het grondgebied om dwingende redenen van algemeen belang gerechtvaardigd is.
5. De vergunning wordt verleend zodra na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan de vergunningsvoorwaarden is voldaan.
6. Behalve in het geval van het verlenen van een vergunning, wordt elke beslissing van de bevoegde instanties, waaronder ook de weigering of intrekking van een vergunning, met redenen omkleed, en moet dit besluit voor de rechter of andere beroepsinstanties kunnen worden aangevochten.
7. Dit artikel doet geen afbreuk aan de toedeling van de bevoegdheden, op lokaal of regionaal niveau, van de instanties die in de betrokken lidstaat vergunningen verlenen.

Awb

Artikel 6:19

1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
2. Het eerste lid geldt ook indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen.
3. Het bestuursorgaan stelt het nieuwe besluit onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.
4. Indien een ander orgaan een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, zendt het dit met toepassing van artikel 6:15, eerste en tweede lid, door.
5. De bestuursrechter kan het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.
6. Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

Bijlage 2: overzicht zaaknummers

1. [bedrijf 1] , (21/4914)
2. Holy Boat B.V. (21/4918)
3. Rederij Nassau B.V. (21/4919)
4. Flagship Holding B.V. (21/4920)
5. Rederij Lovers B.V. (21/5147)
6. Algemene Amsterdamse Rederij Noord-Zuid B.V. , h.o.d.n. Blue Boat
Company en Dobber Amsterdam Canal Cruises B.V., (21/5187)
7. Rederij Amsterdam B.V. (21/5310)
8. de heer [naam] , (21/5679)
9. Join our Cruise B.V. (21/5787)
10. Greenboats B.V. (Boot2go B.V.), (21/5820)
11. Stromma Nederland B.V., (21/5937)
12. Rederij Belle B.V., (22/518),
13. Rederij P. Kooy B.V., (23/2726 en 23/2728)
14. Reederij E.E. Plas B.V., (23/3080 en 23/3083)
15. [bedrijf 2] (eenmanszaak), (23/6964)

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:160).
2.Richtlijn 2006/123/EG van het Europese Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3732.
4.Zie de uitspraak van 2 april 2026 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2025:1234.
5.Op grond van onderdeel A1, nr. 15, bijlage Besluit proceskosten bestuursrecht (nadere zitting (8:64) anders dan na tussenuitspraak).