ECLI:NL:RBAMS:2026:6523

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
13/090498-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak mishandeling zus, veroordeling mishandeling en poging zware mishandeling levensgezel

De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van mishandeling van zijn zus en mishandeling en poging tot zware mishandeling van zijn levensgezel. Na onderzoek achtte de rechtbank de mishandeling van de zus niet bewezen vanwege onvoldoende en tegenstrijdig bewijs, waaronder een onbetrouwbare verklaring van de moeder van verdachte.

Voor de mishandeling en poging tot zware mishandeling van zijn levensgezel werd verdachte wel schuldig bevonden. Hij had haar meerdere malen geslagen, geschopt en een kopstoot gegeven terwijl zij op de grond lag, wat een ernstig geweldsdelict binnen een relatie betreft.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 120 dagen op, waarvan 117 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 120 uur met vervangende hechtenis van 60 dagen bij niet-naleving. Daarnaast werden diverse bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen, contact- en locatieverbod, en verplichting tot schuldhulpverlening.

De benadeelde partij die immateriële schadevergoeding vorderde, werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf of maatregel was opgelegd ten aanzien van het mishandelingfeit dat haar betrof. De rechtbank bepaalde dat ieder zijn eigen kosten draagt.

Het vonnis werd gewezen door de meervoudige strafkamer op 16 april 2026 en is gebaseerd op de zittingen van 18 september 2025 en 2 april 2026.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van mishandeling zus, veroordeeld tot 120 dagen gevangenisstraf (117 voorwaardelijk) en taakstraf voor mishandeling en poging zware mishandeling van levensgezel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/090498-25
Datum uitspraak: 16 april 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2000,
wonende op het adres [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 18 september 2025 en 2 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. Grünfeld, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 18 september 2025 – ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 24 maart 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zijn levensgezel, [persoon 1] , heeft mishandeld door haar:
  • een of meerdere malen te slaan in het gezicht, in elk geval het lichaam, en/of
  • met een oplader tegen het gezicht, in elk geval het lichaam, van die [persoon 1] te gooien;
2
hij op of omstreeks 3 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [persoon 2] heeft mishandeld door haar tegen haar borst, in elk geval het lichaam, te trappen;
3
hij op of omstreeks 30 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [persoon 1] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen:
  • een kopstoot heeft gegeven tegen het hoofd, althans het lichaam,
  • een of meermalen heeft geslagen tegen het gezicht, althans het lichaam, en/of
  • een of meermalen heeft geschopt tegen de rug en/of het hoofd, althans het lichaam, van [persoon 1] , terwijl deze [persoon 1] op de grond lag,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zijn levensgezel, [persoon 1] heeft mishandeld door die [persoon 1] :
  • een kopstoot te geven tegen het hoofd , althans het lichaam,
  • een of meermalen te slaan tegen het gezicht, althans het lichaam, en/of
  • een of meermalen te schoppen tegen de rug en/of het hoofd, althans het lichaam, van [persoon 1] , terwijl die [persoon 1] op de grond lag.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.1.
De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie en met de verdediging – niet bewezen hetgeen onder 2 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Zij overweegt daartoe als volgt.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de verklaring die de moeder van verdachte in de woning tegenover de politie heeft afgelegd ondersteunend is voor de aangifte. Daar heeft zij concreet over haar zoon en het geweld verklaard.
Naar het oordeel van de rechtbank kan die verklaring niet als steunbewijs dienen. De moeder van verdachte is de Nederlandse taal niet (volledig) machtig. Zij is daarom bij de rechter-commissaris gehoord met behulp van een tolk Twi. Toen de rechter-commissaris de moeder confronteerde met haar verklaring die zij tegenover de politie heeft afgelegd, heeft ze verklaard dat ze dat niet aan de politie heeft verteld. Bij de rechter-commissaris heeft zij anders verklaard.
Nu de aangifte niet wordt ondersteund door de overige inhoud van het dossier is er onvoldoende wettig bewijs.
4.1.2.
De rechtbank acht – eveneens anders dan de officier van justitie en met de verdediging – het tweede gedachtestreepje van de tenlastelegging onder feit 1 niet bewezen. De aangifte wordt met betrekking tot het gooien van de oplader niet ondersteund door de overige inhoud van het dossier. De letselverklaring past ook op het geven van vuistslagen.
4.1.3.
De rechtbank acht – met de officier van justitie en anders dan de verdediging – het laatste gedachtestreepje van de tenlastelegging onder feit 3 ook bewezen. De aangifte vindt op dit punt steun in de verklaring van getuige [getuige] .
Het hoofd is een kwetsbaar lichaamsdeel. Verdachte heeft daarom door zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans dat de aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, aanvaard. Het onder 3 primair tenlastegelegde is naar het oordeel van de rechtbank dan ook bewezen.
4.2.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
op 24 maart 2025 te Amsterdam zijn levensgezel, [persoon 1] , heeft mishandeld door haar meerdere malen te slaan in het gezicht;
ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde:
op 30 november 2024 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [persoon 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
  • een kopstoot heeft gegeven tegen het hoofd,
  • meermalen heeft geslagen tegen het gezicht,
  • eenmaal heeft geschopt tegen het hoofd van [persoon 1] , terwijl deze [persoon 1] op de grond lag,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5.Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1, 2 en 3 primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 87 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren, met oplegging van de bijzondere voorwaarden als door de reclassering geadviseerd, en een taakstraf van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling en een poging tot zware mishandeling tegen zijn toenmalige levensgezel. Hij heeft daarmee haar lichamelijke integriteit geschonden en haar gezondheid in gevaar gebracht. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat een en ander heeft plaatsgevonden binnen een relatie en in de woning van het slachtoffer. De woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig moet kunnen voelen.
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 3 maart 2026 betreffende verdachte, blijkt dat verdachte eerder ter zake een geweldsdelict is veroordeeld.
De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 20 maart 2026, in het bijzonder op de daarin voorgestelde interventies. In dat rapport valt ook te lezen dat verdachte tijdens het schorsingstoezicht – van inmiddels ruim een jaar – goed meewerkt aan begeleiding vanuit de reclassering.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt opgelegd, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. Ondanks dat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie zal zij toch een hogere straf opleggen dan geëist (zoals onder 10 opgenomen).

9.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon 2] vordert € 3.750,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;
ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde:
poging tot zware mishandeling.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
120 dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 117 dagen, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
Ambulante behandeling
Veroordeelde werkt mee aan diagnostiek en laat zich gedurende de proeftijd begeleiden/behandelen door Indaad of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De begeleiding start zodra er plek is. De zorgverlener bepaalt de wijze van begeleiding/behandeling. De begeleiding is gericht op agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en schuldenproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo spoedig mogelijk zodra er plek is. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
Contactverbod
Veroordeelde zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [persoon 1] , geboren op [geboortedag 2] 2003, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Locatieverbod(zonder elektronisch toezicht)
Veroordeelde bevindt zich gedurende de proeftijd niet in de woning van het slachtoffer [adres 2] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van een door de toezichthouder goedgekeurde vorm van dagbesteding (betaald werk of een opleiding met een vaste structuur). De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Aflossing schulden
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstraf van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.
Verklaart [persoon 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.H.J. Zevenhuijzen, voorzitter,
mrs. E. Biçer en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 april 2026.