Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
bijlageaan dit vonnis gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3.De waardering van het bewijs
bastarden
beestnoemt, in onderlinge samenhang bezien met de hierboven beschreven feiten en omstandigheden, roepen bij de rechtbank de vraag op of verdachte niet meer betrokkenheid heeft gehad bij het door medeverdachte gepleegde feit dan zij tot op heden heeft willen prijsgeven. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis hiervan echter niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte en de medeverdachte in nauwe en bewuste samenwerking hebben gehandeld bij de uitvoering van het feit. De medeverdachte [medeverdachte] is alleen in de woning van aangeefster geweest en is ook de enige geweest die het letsel bij haar heeft toegebracht. Verdachte heeft daartoe geen uitvoeringshandelingen verricht en daarmee niet een zodanige wezenlijke bijdrage aan het geweld geleverd dat kan worden gesproken van een intensieve samenwerking tussen haar en verdachte. Daarbij overweegt de rechtbank dat het weggooien van de werkschoenen na afloop op zichzelf geen medeplegen oplevert, nu daarvoor tevens moet vaststaan dat al voorafgaand aan of ten tijde van het delict daaraan een bijdrage is geleverd. Ook is niet gebleken dat verdachte en de medeverdachte dit al van tevoren met elkaar hadden besproken.
4.Vrijspraak
5.De vorderingen van de benadeelde partijen
6.Beslissing
niet bewezenen
spreektde verdachte daarvan
vrij.
niet-ontvankelijkin hun vorderingen tot schadevergoeding en bepaalt dat de vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.
opgeheven.