Uitspraak
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
3.
[gedaagde 3],
4.
[gedaagde 4],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
- het pand aan de [adres] te ontruimen met achterlating van de inventaris en apparatuur van [eisende partij] ;
- de markies, het logobord en het uithangbordje van [eisende partij] terug te plaatsen;
- het pand schoon en gedweild achter te laten;
- het gebruik van het internetabonnement van [eisende partij] te staken;
- alle sleutels van het pand aan [eisende partij] te overhandigen;
- aan [eisende partij] dagelijks te betalen een bedrag van € 444,60 als (voorschot op de) vergoeding van de schade die zij lijdt aan winstderving op elke dag die verstreken is vanaf 1 maart 2026 tot gedaagden hebben voldaan aan de ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- aan [eisende partij] te betalen een dwangsom van € 5.000,00 per dag voor elke dag dat zij niet (tijdig) aan het vonnis voldoen;
- aan [eisende partij] ter zake van buitengerechtelijke kosten te betalen een bedrag van € 5.482,47, bestaande uit de kosten voor de werkzaamheden van de advocaat van [eisende partij] ;
- de proceskosten te betalen.
4.De beoordeling
Ja we zouden vanaf 1 okt tot 1 maart hem graag verhuren, een maand borg vooraf, 2500/ mnd.” Hierop reageert [gedaagde 1] : “
Ok ga ik het regelen Borg moeten zij aan mij betalen. Ik ben de verhuurder.” Een paar berichten later schrijft [naam 1] : “
Prima om hem te verhuren 1 okt tot 1 mrt zitten wij er niet in.” Ook [gedaagde 2] begreep dat zij slechts tijdelijk in de bedrijfsruimte zou zitten. In de huurovereenkomst die zij sloot met [gedaagde 1] staat dat de overeenkomst ingaat op 1 oktober 2025 en eindigt op 1 maart 2026. Dit uitgangspunt is ook, zo blijkt uit de ingebrachte stukken, door [gedaagde 2] zelf voortdurend naar buiten toe gecommuniceerd.