Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Samenvatting
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Rechtbank Amsterdam
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de weigering van de Minister van Onderwijs om hem de tegemoetkoming studievoucher toe te kennen, omdat hij niet voldeed aan de voorwaarde dat studiefinanciering tussen september 2015 en september 2019 moest zijn ontvangen.
De rechtbank overweegt dat de studievoucher is ingevoerd als compensatie voor studenten die als eerste onder het leenstelsel vielen en daardoor niet direct konden profiteren van kwaliteitsverbeteringen in het hoger onderwijs. De voorwaarde dat studiefinanciering in die periode moest zijn ontvangen, is volgens de rechtbank niet evident van redelijke grond ontbloot en strookt met het systeem van de Wet Studiefinanciering 2000.
Eiser voerde een beroep op het Europeesrechtelijk discriminatieverbod en de hardheidsclausule aan, maar de rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van ongelijke behandeling zonder objectieve rechtvaardiging en dat eiser geen onbillijkheid van overwegende aard heeft aangetoond.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, eiser krijgt geen tegemoetkoming en ook geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de tegemoetkoming studievoucher wordt ongegrond verklaard omdat eiser niet voldoet aan de studiefinancieringsvoorwaarde.