Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van de ouderlijke bijdrage voor zijn zoon, waarbij hij stelde dat de minister onvoldoende gegevens had verstrekt en dat sprake was van discriminatie door het niet toepassen van de verhoogde vrije voet op zijn inkomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad oordeelde dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek vertoont omdat niet alle relevante gegevens, zoals het toetsingsinkomen van de andere ouder en het type onderwijs van de zoon, in het besluit zijn vermeld. Hierdoor kan appellant de juistheid van de bijdrage niet controleren.
De Raad vernietigt het besluit en draagt de minister op binnen vier weken een nieuw besluit te nemen met volledige vermelding van de gegevens. Tevens oordeelt de Raad dat het verschil in behandeling met betrekking tot de verhoogde vrije voet objectief en redelijk gerechtvaardigd is en geen verboden discriminatie oplevert.
De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.