ECLI:NL:RBAMS:2026:6632

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
13/149909-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling diefstal en gedeeltelijke vrijspraak heling medische nietjes met schadevergoeding

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor diefstal van medische nietjes uit twee verschillende ziekenhuizen in Amsterdam en Heerlen/Sittard-Geleen, gepleegd tussen 2022 en 2023. Verdachte werd tevens verdacht van heling van medische nietjes, maar is daarvan vrijgesproken omdat hij deze zelf had gestolen.

De rechtbank kon niet exact vaststellen hoeveel dozen medische nietjes van welk ziekenhuis afkomstig waren vanwege niet-unieke LOT-nummers, waardoor verdachte partieel werd vrijgesproken voor de aantallen die niet met zekerheid konden worden vastgesteld. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte minimaal 150 dozen medische nietjes heeft weggenomen met het oogmerk zich deze wederrechtelijk toe te eigenen.

De strafoplegging bestond uit een taakstraf van 240 uur, vervangende hechtenis van 120 dagen bij niet-naleving, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, het financieel gewin, het vertrouwen dat verdachte schond, en zijn persoonlijke omstandigheden.

Daarnaast werden schadevergoedingen toegewezen aan de benadeelde partijen: €226.758,71 aan het eerste ziekenhuis en €64.920,- aan het tweede ziekenhuis, inclusief wettelijke rente en kosten van een recherchebureau. Voor het overige werden vorderingen afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of onevenredige belasting van het strafproces. Bij niet-betaling kan gijzeling worden toegepast.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor diefstal medische nietjes met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf, vrijgesproken van heling, en veroordeeld tot schadevergoeding aan benadeelde ziekenhuizen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 13/149909-23
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verachte] ,
geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mrs. J.J. Veldheer, en M.C.E.A. Kloosterman, en de heer [naam] , namens de benadeelde partij [naam stichting 1] , naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
diefstal van 118 dozen (medische) nietjes van [naam stichting 1] (
hierna: [naam stichting 1]) in de periode van 1 juli 2022 tot en met 17 januari 2023 in Amsterdam;
diefstal van 1500 tot 2000 dozen (medische) nietjes van [naam stichting 2] (
hierna: [naam stichting 2]) in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 januari 2023 in Heerlen en/of Sittard-Geleen;
opzet/schuldheling van 26 dozen (medische) nietjes in de periode van 20 september 2022 tot en met 10 januari 2023 in Heerlen en/of Sittard-Geleen en/of Achterveld.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Ten aanzien van feit 3 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hij de dozen medische nietjes heeft gestolen en daardoor niet ook kan worden veroordeeld wegens heling van deze nietjes.
De officier van justitie stelt zich verder op het standpunt dat het ten laste gelegde onder 1 en 2 kan worden bewezen.
Verdachte moet van de onder 2 ten laste gelegde aantallen van 1500 – 2000 dozen partieel worden vrijgesproken, omdat deze hoeveelheid onvoldoende uit het procesdossier blijkt.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte voor het onder feit 3 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat hij de dozen medische nietjes heeft gestolen en daardoor niet ook kan worden aangemerkt als heler.
Ten aanzien van feit 1 en feit 2 verzoekt de verdediging verdachte partieel vrij te spreken ten aanzien van de ten laste gelegde aantallen van respectievelijk 118 dozen en 1500 – 2000 dozen, omdat op basis van het procesdossier niet kan worden vastgesteld hoeveel weggenomen dozen oorspronkelijk aan het [naam stichting 1] , danwel het [naam stichting 2] , toebehoorden.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in
bijlage IIvan dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Ten aanzien van feit 1 en feit 2
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte, binnen de ten laste gelegde periode, een hoeveelheid dozen met medische nietjes die toebehoorden aan het [naam stichting 1] en het [naam stichting 2] heeft gestolen. Verdachte heeft verklaard dat hij de dozen heeft weggenomen uit verschillende ziekenhuizen, met de bedoeling om die te verkopen. De rechtbank kan echter niet vaststellen hoeveel weggenomen dozen oorspronkelijk toebehoorden aan het [naam stichting 1] en het [naam stichting 2] . De door [leverancier] aan het ziekenhuis geleverde dozen met medische nietjes hebben weliswaar LOT-nummers, maar deze LOT-nummers zijn niet uniek per doos. Daardoor is het mogelijk dat dozen met dezelfde LOT-nummers aan verschillende ziekenhuizen zijn geleverd. Er is dan ook niet vast te stellen welke doos bij welk ziekenhuis vandaan komt. De rechtbank zal verdachte daarom partieel vrijspreken ten aanzien van de onder feit 1 en 2 ten laste gelegde aantallen dozen.
Ten aanzien van feit 3
Verdachte heeft in de ten laste gelegde periode 26 dozen medische nietjes verworven, voorhanden gehad en overgedragen door deze dozen uit verschillende ziekenhuizen weg te nemen en te leveren aan zijn broer. Tijdens de verwerving en het voorhanden krijgen van de dozen wist verdachte dat deze uit misdrijf afkomstig waren. Het ten laste gelegde kan dan ook worden bewezen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
Ten aanzien van feit 1:in de periode van 1 juli 2022 tot en met 17 januari 2023 te Amsterdam dozen medische nietjes behorende bij de EHMS stapler, die aan [naam stichting 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Ten aanzien van feit 2:in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 januari 2023 te Heerlen dozen medische nietjes behorende bij de EHMS stapler die aan [naam stichting 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Ten aanzien van feit 3:
in de periode van 20 september 2022 tot en met 10 januari 2023 te Heerlen en Achterveld gemeente Leusden, 26 dozen medische nietjes behorende bij de EHMS stapler heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

Ten aanzien van feit 3
De rechtbank heeft geoordeeld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van dozen medische nietjes (feiten 1 en 2). Het is vaste rechtspraak dat de omstandigheid dat iemand een helingshandeling als genoemd in de artikelen 416 of 417bis van het Wetboek van Strafrecht verricht ten aanzien van een voorwerp dat hij zelf als pleger door misdrijf heeft verkregen aan de kwalificatie heling in de weg staat. Dat betekent dat het bewezenverklaarde onder 3 niet gekwalificeerd kan worden als heling en derhalve geen strafbaar feit oplevert, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De overige bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1 en 2 is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.
7.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en acht te slaan op de inhoud van het reclasseringsrapport. Daarnaast verzoekt de verdediging om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
7.3.1.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van medische nietjes. Verdachte heeft door zijn handelen ernstig en schaamteloos misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de ziekenhuizen en haar medewerkers in hem stelden. Hij heeft toegang gehad tot de operatiekamers van meerdere ziekenhuizen. Hij heeft daar op verschillende momenten voorraadlades opengetrokken en dozen met (kostbare) medische nietjes gepakt en mee naar zijn kantoor aan huis genomen. Door grote hoeveelheden dozen te ontvreemden heeft verdachte bewust tekorten bij de ziekenhuizen veroorzaakt. Vervolgens heeft hij geprobeerd om de door hem gestolen dozen, via de onderneming van zijn broer, aan de ziekenhuizen terug te verkopen. Dat is ook gelukt, op het moment dat bij het [naam stichting 2] een tekort aan nietjes was ontstaan en er snel moest worden geleverd. Gedurende dit hele proces is verdachte enkel gedreven door zijn verlangen naar financieel gewin. Verdachte heeft hierbij geen rekening gehouden met het belang van de patiënten en de voortgang van medische ingrepen, die afhankelijk is van de beschikbare voorraden. Daarbij komt dat Nederland al kampt met hoge zorgkosten en dat door het handelen van verdachte deze kosten alleen maar toenemen.
7.3.2.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 27 maart 2025. Hieruit blijkt dat verdachte zelf hulp van De Waag heeft ingeschakeld en een behandeling heeft gevolgd voor onder andere het verwerken van zijn trauma’s en zijn delictgedrag. De reclassering adviseert negatief ten aanzien van het opleggen van een gevangenisstraf, omdat hij als eigenaar een belangrijke rol heeft in zijn bedrijf.
7.3.3.
Het benadelingsbedrag
Allereerst staat vast dat verdachte via [naam bedrijfsrecherche] 118 dozen aan het [naam stichting 1] heeft gegeven. Daarnaast heeft verdachte een levering gedaan van 4 dozen aan het [naam stichting 1] en 26 dozen aan het [naam stichting 2] . Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij nog een paar dozen thuis had staan die hij heeft weggegooid. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat het dus om minimaal 150 dozen gaat, die verdachte heeft weggenomen. Op basis van de door het [naam stichting 1] ter terechtzitting gegeven toelichting dat het [naam stichting 1] voor een doos medische nietjes € 2.164,- betaalde, het gegeven dat de onderneming van de broer van verdachte dozen aan het [naam stichting 2] heeft verkocht voor € 1.300,- per stuk en de omstandigheid dat verdachte heeft verklaard dat hij een lager bedrag dan [leverancier] wilde rekenen, gaat de rechtbank uit van een kostprijs van € 2.164,- per doos medische nietjes. Het totale benadelingsbedrag komt, uitgaande van 150 gestolen dozen, dan neer op minimaal
€ 324.600,-.
7.3.4.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de landelijke Oriëntatiepunten voor Strafoplegging die de rechtbanken en hoven onderling hebben afgesproken. Gezien de aard van het bewezenverklaarde, zoals overwogen onder rubriek 7.3.1, en het feit dat verdachte door zijn handelen de gemeenschap heeft benadeeld sluit de rechtbank aan bij de oriëntatiepunten voor fraude. Het oriëntatiepunt voor fraude met een benadelingsbedrag tussen € 250.000,- en € 500.000,- is, bij een first offender, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden. Dit neemt de rechtbank in overweging bij de keuze tot het al dan niet opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 11 februari 2026, waaruit is gebleken dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Daarnaast weegt de rechtbank bij het bepalen van de straf mee dat de bewezenverklaarde feiten dateren uit 2022 en 2023 en dus al wat langer geleden zijn. Daarbij komt ook dat verdachte uit zichzelf bij [naam bedrijfsrecherche] heeft verklaard dat hij niet alleen bij het [naam stichting 1] heeft gestolen, maar ook bij het [naam stichting 2] . Hierdoor is de diefstal bij het [naam stichting 2] aan het licht gekomen.
Daarnaast acht de rechtbank het in het onderhavige geval belangrijk dat de door verdachte veroorzaakte schade - waarover meer bij de bespreking van de vorderingen van de benadeelde partijen - zoveel mogelijk door hem hersteld wordt. Doordat de maatschappij door het handelen van verdachte financieel is benadeeld, is de maatschappij er meer bij gebaat als verdachte bijdraagt aan het herstel. Verdachte moet daartoe met zijn huidige financiële positie ook toe in staat worden geacht, maar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dat mogelijk doorkruisen.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank ziet wel aanleiding om af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Om de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking te brengen zal de rechtbank een langere voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan is geëist.
Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren opleggen, te vervangen door 120 dagen hechtenis. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Aan de proeftijd worden de algemene voorwaarden verbonden.

8.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1.
Benadeelde partij [naam stichting 1]
De benadeelde partij [naam stichting 1] vordert € 261.447,37 aan vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit is inclusief een vergoeding voor de kosten die het [naam stichting 1] aan [naam bedrijfsrecherche] heeft moeten betalen, ter hoogte van € 31.998,71.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering kan worden toegewezen.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. De verdediging heeft primair een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van het [naam stichting 1] in de vordering, omdat het uittreksel van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) ontbreekt, waardoor niet kan worden vastgesteld of de heer [naam] op correcte wijze is gemachtigd. Subsidiair stelt de verdediging dat het [naam stichting 1] in de vordering niet-ontvankelijk is, omdat deze onvoldoende is onderbouwd en meer subsidiair een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de gehele vordering moet worden afgewezen, danwel niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat het schadebedrag met betrekking tot de weggenomen nietjes en de kosten van recherchebureau [naam bedrijfsrecherche] onvoldoende zijn onderbouwd. De verdediging stelt daarbij dat de (terug)gegeven nietjes alsnog gebruikt kunnen worden waardoor het [naam stichting 1] ten aanzien van de weggenomen nietjes geen schade heeft.
Ten aanzien van het primaire standpunt van de verdediging overweegt de rechtbank dat voldoende duidelijk is dat de heer [naam] gemachtigd is om de vordering namens het [naam stichting 1] in te dienen. De schriftelijke vordering benadeelde partij bevat als bijlage een door de voorzitter van de Raad van Bestuur ondertekende machtiging. De omstandigheid dat een uittreksel van de KvK bij de huidige stukken ontbreekt – terwijl het [naam stichting 1] dit uittreksel kennelijk wel aan het Openbaar Ministerie had doen toekomen – maakt niet dat de rechtbank redenen heeft om aan deze machtiging te twijfelen. [naam stichting 1] kan dan ook in haar vordering worden ontvangen.
De rechtbank overweegt ten aan aanzien van de bruikbaarheid van de (terug)gegeven dozen dat deze, gelet op de uitleg van het [naam stichting 1] (ter terechtzitting) en [leverancier] (schriftelijk), niet meer voor operaties gebruikt kunnen worden. De rechtbank acht dit ook aannemelijk.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank kan de exacte hoeveelheid bij het [naam stichting 1] weggenomen dozen niet vaststellen. Zij zal daarom bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid op grond van artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
Zoals eerder overwogen gaat de rechtbank uit van een totaal benadelingsbedrag (van alle ziekenhuizen) van € 324.600,-. Verdachte heeft verklaard dat hij dozen bij drie verschillende ziekenhuizen heeft weggenomen, namelijk het [naam stichting 1] , het [naam stichting 2] en het [naam ziekenhuis] , en dat hij het grootste deel van de dozen heeft weggenomen bij het [naam stichting 1] . Op basis van de verklaring van verdachte gaat de rechtbank er schattenderwijs van uit dat verdachte 60% van de dozen bij het [naam stichting 1] heeft weggenomen. Op basis hiervan wijst de rechtbank, ten aanzien van de gevorderde materiele schade met betrekking tot de gestolen (medische) nietjes, een bedrag toe ter hoogte van € 194.760,- (90 stuks vermenigvuldig met de kostprijs van € 2.164,- per doos).
De rechtbank overweegt ten aanzien van de kosten van recherchebureau [naam bedrijfsrecherche] het volgende. De aanleiding voor het inschakelen van het recherchebureau was de constatering dat er veel nietjes verdwenen zonder dat daar een verklaring voor was. De kosten van [naam bedrijfsrecherche] zijn dan ook gemaakt ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd met facturen. De kosten staan in redelijke verhouding tot de omvang van de bewezenverklaring en het dossier. De rechtbank wijst, ten aanzien van de gevorderde materiele schade met betrekking tot de kosten van recherchebureau [naam bedrijfsrecherche] , het gehele gevorderde bedrag toe. De rechtbank gaat ervanuit dat die kosten ook zijn betaald door [naam stichting 1] , zoals zij ter zitting heeft verklaard.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 226.758,71, te vermeerderden met de wettelijke rente over de kosten voor de vervanging van de weggenomen nietjes (€ 194.760) vanaf 12 januari 2023, de dag waarop de laatste diefstal heeft plaatsgevonden. De rente over de kosten voor [naam bedrijfsrecherche] (€ 31.998,71) worden toegewezen vanaf de datum van het opstellen van de vordering (20 juli 2023), omdat niet duidelijk is dat die kosten eerder verschuldigd zijn geworden.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Voorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, die tot op heden begroot worden op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
8.2.
Benadeelde partij Stichting [naam stichting 2]
De benadeelde partij [naam stichting 2] ( [naam stichting 2] ) vordert € 437.000,- aan vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit is inclusief een bedrag van € 25.000,- voor de kosten van [naam bedrijfsrecherche] en
€ 12.000,- aan personeelskosten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de kosten van de [naam bedrijfsrecherche] en de personeelskosten kunnen worden toegewezen. Het vaststellen van de schade van de diefstal zelf levert een onevenredige belasting van het strafproces op, waardoor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. De verdediging heeft primair een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van de vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd en subsidiair gesteld dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair stelt de verdediging dat de gehele vordering moet worden afgewezen, danwel niet ontvankelijk worden verklaard, omdat het schadebedrag, de kosten van recherchebureau [naam bedrijfsrecherche] en de personeelskosten onvoldoende zijn onderbouwd.
De rechtbank overweegt het volgende. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank kan de exacte hoeveelheid bij het [naam stichting 2] weggenomen dozen niet vaststellen. Zij zal daarom bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid op grond van artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
Zoals overwogen in rubriek 7.3.3 gaat de rechtbank uit van een totaal benadelingsbedrag van € 324.600,-. De rechtbank heeft hiervoor overwogen op basis van welke omstandigheden zij heeft geschat dat 60% van de dozen bij [naam stichting 1] zijn weggenomen. Op dezelfde wijze schat de rechtbank dat 20% van de door verdachte weggenomen dozen is van het [naam stichting 2] afkomstig is. Op basis hiervan wijst de rechtbank, ten aanzien van de gevorderde materiele schade met betrekking tot de gestolen (medische) nietjes, een bedrag toe ter hoogte van € 64.920,- (30 stuks vermenigvuldigd met de kostprijs van € 2.164,- per doos).
Ten aanzien van de gevorderde kosten van recherchebureau [naam bedrijfsrecherche] en de personeelskosten stelt de rechtbank vast dat deze onvoldoende zijn onderbouwd. Ter terechtzitting is gemotiveerd verweer gevoerd en de vordering is op zitting niet (nader) toegelicht. Ten aanzien van de vordering die betrekking heeft op de kosten van [naam bedrijfsrecherche] overweegt de rechtbank nog het volgende. Het is onduidelijk welke kosten [naam bedrijfsrecherche] nog heeft moeten maken en voor welk bedrag, omdat verdachte eerder al had verklaard dat hij doosjes bij [naam stichting 2] had weggenomen en uit de rapportage van [naam bedrijfsrecherche] blijkt dat voor het onderzoek geheel is uitgegaan van de gegevens die reeds bekend waren door het voor het [naam stichting 1] gedane onderzoek.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 64.920,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2023, de dag waarop verdachte door recherchebureau [naam bedrijfsrecherche] met de bevindingen is geconfronteerd en hij heeft bekend bij [naam stichting 2] te hebben gestolen. Het is voor de rechtbank niet duidelijk geworden wanneer de schade (eerder) is ontstaan.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
8.3.
De schadevergoedingsmaatregel
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van beide vorderingen af moet worden gezien van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, omdat het [naam stichting 1] en het [naam stichting 2] in staat moeten worden geacht de geleden schade zelf te incasseren.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de schadevergoedingsmaatregel met betrekking tot beide vorderingen moet worden opgelegd.
De rechtbank overweegt in dit kader dat een ziekenhuis niet te vergelijken is met een commercieel bedrijf. Ziekenhuizen worden gefinancierd met publieke middelen en door burgers betaalde verzekeringspremies en vervullen een belangrijke maatschappelijke functie. Er is dan ook een publiek belang dat de kosten voor het innen van deze schuld laag blijven en dat de ziekenhuizen de schade vergoed krijgen. Tegen die achtergrond wijst de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van beide vorderingen toe.
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam stichting 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte onder 2 is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 226.758,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2023. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 283 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam stichting 2] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte onder 2 is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 64.920,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2023. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 82 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
telkens: diefstal, meermalen gepleegd;
Verklaart het bewezen verklaarde ten aanzien van feit 3 niet strafbaar en
ontslaatde verdachte ten aanzien van dat feit
van alle rechtsvervolging.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van
240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van
120 (honderdtwintig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
6 (zes) maanden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Benadeelde partij [naam stichting 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam stichting 1] toe tot een bedrag van
€ 226.758,71 (tweehonderdzesentwintigduizend zevenhonderdachtenvijftig euro en eenenzeventig eurocent), aan vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 194.760 vanaf 12 januari 2023 en over € 31.998,71 vanaf 20 juli 2023, telkens tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam stichting 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam stichting 1] aan de Staat
€ 226.758,71 (tweehonderdzesentwintigduizend zevenhonderdachtenvijftig euro en eenenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 194.760 vanaf 12 januari 2023 en over € 31.998,71 vanaf 20 juli 2023, telkens tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 283 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Benadeelde partij Stichting [naam stichting 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij Stichting [naam stichting 2] toe tot een bedrag van
€ 64.920,- (vierenzestigduizend negenhonderdtwintig euro), aan vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan Stichting [naam stichting 2] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van Stichting [naam stichting 2] aan de Staat
€ 64.920,- (vierenzestigduizend negenhonderdtwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 82 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Nieuwenhuijs, voorzitter,
mrs. B. Vogel en G.J.M. Kruizinga, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Brouwer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2026.
[...]
[...][...]
[...][...]
[...][...]