ECLI:NL:RBAMS:2026:6651

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
12209994 CV EXPL 26-6286
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit Gemeentelijke SchuldhulpverleningRichtlijn 93/13 EGArt. 4 lid 2 Richtlijn 93/13 EGArt. 3 lid 1 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)Art. 6:96 lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming met langere termijn wegens minderjarig kind

Eisende partij, Stichting Duwo, vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de zelfstandige woonruimte, alsmede betaling van huurachterstand en nevenvorderingen. Gedaagde verschijnt niet, waardoor verstek wordt verleend.

De kantonrechter toetst ambtshalve de huurovereenkomst aan Richtlijn 93/13 EG inzake oneerlijke bedingen. Kernbedingen zoals huurprijs en servicekosten worden als transparant en niet oneerlijk beoordeeld. Echter, het beding over buitengerechtelijke incassokosten wordt als oneerlijk aangemerkt en buiten toepassing gelaten, omdat het afwijkt van de wettelijke regeling en incassokosten te vroeg in rekening kan worden gebracht.

Er woont een minderjarig kind in de woning, waardoor op grond van artikel 3 lid 1 IVRK Pro de belangen van het kind zwaar wegen. De kantonrechter geeft daarom een langere ontruimingstermijn van twee maanden om het kind de gelegenheid te geven onderdak te regelen.

De gevorderde rente wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, wettelijke rente, maandelijkse huur tot ontruiming, en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en ontruiming wordt toegewezen met een termijn van twee maanden vanwege een minderjarig kind; buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12209994 CV EXPL 26-6286
vonnis van: 12 juni 2026
fno.: 506

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de stichting Stichting Duwo

gevestigd te Delft
eisende partij
gemachtigde: [gemachtigde]
t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen

Verloop van de procedure

Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.

Gronden van de beslissing

1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen.
Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening
2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).
4. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de zelfstandige woonruimte gelegen aan het adres [adres] en de daarop van toepassing zijnde Huurvoorwaarden februari 2021 (hierna: de Huurvoorwaarden) in het geding gebracht.
5. Het huurprijsbeding (artikel 3.1 van de huurovereenkomst) en het servicekostenbeding (artikel 3.2 en 3.3 van de huurovereenkomst) zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en zijn op grond van artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
6. Het betreft een niet-geliberaliseerde huurprijs. De kantonrechter heeft de bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten de artikelen 7.1, eerste zin (huurverhoging), 7.5 (wijziging servicekostenvoorschot), 7.11 (rente) van de Huurvoorwaarden getoetst en niet oneerlijk bevonden.
7. Voor zover de in de vordering begrepen voorschotverhogingen niet al waren gebaseerd op de hiervoor bedoelde artikelen 7.1. en 7.5, maar (mede) op artikel 7.2 van de hiervoor genoemde Huurvoorwaarden, zoals eiseres stelt, is ook dat artikel getoetst en niet oneerlijk bevonden.
8. Tot slot is met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten in artikel 7.12 het volgende bepaald:
“Als huurder na aanmaning niet aan zijn betalingsverplichting voldoet, is verhuurder gerechtigd incassokosten in rekening te brengen overeenkomstig het tarief opgenomen in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.” |
9. Eisende partij stelt in de dagvaarding dat het voorgenoemde beding met betrekking tot buitengerechtelijke incassokosten niet onredelijk bezwarend is.
10. De kantonrechter is echter van oordeel dat dit beding oneerlijk is, aangezien daarin niet is bepaald dat de aanmaning moet voldoen aan artikel 6:96 lid 6 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Het beding wijkt daardoor ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling over buitengerechtelijke kosten. Op basis van dit beding kan immers op een kortere termijn dan veertien dagen na aanmaning incassokosten in rekening worden gebracht. Contractuele afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen is, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:198, r.o. 3.8.4) oneerlijk. Dit beding wordt dan ook buiten toepassing gelaten en de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.
De vordering
11. Uit de dagvaarding blijkt dat er een minderjarig kind in de woning woont. Meer informatie is niet beschikbaar, nu gedaagde niet in de procedure is verschenen. De kantonrechter moet op grond van artikel 3 lid 1 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) de belangen van het kind bij behoud van de woning als eerste meewegen, ook in een verstekzaak (HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799). De ontruiming van een woning met minderjarige kinderen is namelijk een ingrijpende maatregel voor de kinderen. Dit betekent echter niet dat de kantonrechter de huurovereenkomst niet kan ontbinden als er kinderen in de woning wonen. De kantonrechter zal gedaagde in dit geval een iets ruimere termijn geven om de woning te ontruimen. De kantonrechter vindt dat deze beslissing recht doet aan de belangen van het minderjarige kind van gedaagde. Daarmee is er tijd om – al dan niet met hulpverlening – onderdak voor het kind te regelen.
12. De vordering komt voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de rente, de ontruimingstermijn en het griffierecht nog is overwogen.
13. De over de rente gevorderde rente wordt afgewezen omdat daarover onvoldoende is gesteld.
14. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee maanden.
15. Gelet op het feit dat een deel van de vordering is afgewezen wordt de gedaagde partij veroordeeld tot betaling van griffierecht corresponderende met het toegewezen deel van het gevorderde. Het (eventueel) meer betaalde aan griffierecht blijft voor rekening van eisende partij.

BESLISSING

De kantonrechter:
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak (de zelfstandige woonruimte) gelegen aan het adres [adres] ;
veroordeelt gedaagde partij om het gehuurde binnen twee maanden na betekening van dit vonnis te ontruimen en ter beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;
veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:
a) € 2.364,08 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 30 april 2026, vermeerderd met de wettelijke rente over het voorgenoemde bedrag vanaf 15 april 2026 tot de voldoening;
b) € 8,17 aan wettelijke rente, berekend tot 15 april 2026;
c) € 588,33 per maand vanaf 1 mei 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt;
veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van de eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,02 aan explootkosten, € 217,00 aan salaris gemachtigde, € 397,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.