ECLI:NL:RBAMS:2026:6653

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
12228285 CV EXPL 26-6912
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 2 Richtlijn 93/13 EGArt. 6:96 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling huurachterstand en nota boedelbeheer na ontruiming woning

Eisende partij, een stichting, vordert betaling van een huurachterstand van €863,43 en een nota van €1.499,98 van de Gemeente Amsterdam, vermeerderd met rente en kosten. De gedaagde is niet verschenen, waarna verstek is verleend.

De huurovereenkomst tussen partijen betreft een consumentovereenkomst, waardoor ambtshalve toetsing aan Richtlijn 93/13 EG plaatsvindt. Kernbedingen zoals huurprijs en servicekosten zijn transparant en uitgesloten van toetsing. Niet-geliberaliseerde bepalingen over huurprijswijziging en servicekostenvoorschot zijn getoetst en niet oneerlijk bevonden.

Echter, bepalingen over buitengerechtelijke incassokosten en boetes bij niet-tijdige betaling (artikel 11 lid Pro 1, 2 en 3) zijn als oneerlijk aangemerkt omdat zij niet voldoen aan wettelijke vereisten en de consument kunnen benadelen. Deze bedingen worden buiten toepassing gelaten, waardoor de gevorderde incassokosten en rente worden afgewezen.

De kantonrechter veroordeelt de gedaagde tot betaling van de huurachterstand en de nota boedelbeheer, en in de proceskosten, waarbij het griffierecht wordt aangepast aan het toegewezen deel van de vordering. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van huurachterstand en nota boedelbeheer, incassokosten en boetebepalingen worden afgewezen wegens oneerlijkheid.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12228285 CV EXPL 26-6912
vonnis van: 16 juni 2026
fno.: 506

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de stichting stichting Ymere

statutair gevestigd te Amsterdam
eisende partij
gemachtigde: M.O. de Boer (Geerlings & Hofstede Gerechtsdeurwaarders)
t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen

Verloop van de procedure

Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.

Gronden van de beslissing

1. Eisende partij vordert in deze procedure betaling van de huurachterstand (€ 863,43) en betaling van de nota (Boedelbeheer) van de Gemeente Amsterdam (€ 1.499,98) vermeerderd met rente en kosten.
Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
2. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).
3. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres] en de daarop van toepassing zijnde Algemene Huurvoorwaarden versie december 2017 (verder: de algemene voorwaarden) in het geding gebracht. De hiervoor genoemde huurovereenkomst is beëindigd.
4. Bij vonnis in kort geding van 19 oktober 2023 (KK 23-565) is de ontruiming van het gehuurde toegewezen en door deurwaarder op 30 januari 2024 ten uitvoer gelegd.
5. Eisende partij heeft bij dagvaarding het standpunt ingenomen dat zij zich voor wat betreft de ambtshalve toetsing van specifieke bepalingen in de huurovereenkomst of de daar onderdeel van uitmakende algemene voorwaarden aan het oordeel van de kantonrechter zal conformeren en dat zij geen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid zich daarover nader uit te laten.
6. Het huurprijsbeding en het servicekostenbeding in de huurovereenkomst en het daarbij horende Overzicht maandelijkse prijs zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
7. Het betreft niet-geliberaliseerde huur. De bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten artikel 4 lid Pro 4 (huurprijswijziging) en artikel 5 lid Pro 7 (wijziging voorschot servicekosten) van de algemene voorwaarden, zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijke bevonden.
8. Ook de artikelen 11 lid 1, 11 lid 2 en 11 lid 3 van de algemene voorwaarden zijn getoetst. Deze artikelen luiden als volgt:

Artikel 11

1. Als de huurder in gebreke blijft in de nakoming van enige verplichting die ingevolge de wet en/of deze overeenkomst op hem rust en daardoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moeten worden genomen, komen alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van de huurder.
2. Als de huurder de maandelijkse prijs niet uiterlijk op de eerste van de maand heeft voldaan, is hij in verzuim zonder dat ingebrekestelling vereist is. Ymere kan in dat geval per (deel van de) maand een boete opleggen.
3. Buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd op het moment dat de ene partij haar vordering op de andere partij uit handen geeft. Deze kosten bedragen 15% van de vordering met een minimum van een in de Tarievenlijst (bijlage bij de huurovereenkomst) opgenomen bedrag.
9. De Tarievenlijst, als bedoeld in artikel 11 lid 3 van Pro de algemene voorwaarden, is bij dagvaarding overgelegd. Het in artikel 11 lid 3 bedoelde Pro minimumbedrag is € 40,00.
10. De hiervoor geciteerde bedingen over buitengerechtelijke incassokosten (artikel 11 lid 1 en Pro 11 lid 3) zijn oneerlijk, omdat daarin niet (voldoende duidelijk) staat dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast. Dit kan ertoe leiden dat hogere kosten voor rekening van de consument komen dan wettelijk is toegestaan.
10. Artikel 11 lid 1 is Pro voorts ook oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv Pro kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.
12. Ook artikel 11 lid 2 van Pro de algemene voorwaarden moet naar het oordeel van de kantonrechter als oneerlijk worden aangemerkt. Op basis van dit beding kan Ymere een boete opleggen bij niet tijdige betaling van de huurprijs. Deze boete is een gefixeerde schadevergoeding vanwege niet tijdige betaling en treedt daarmee in de plaats van de wettelijke rentebepalingen. De door Ymere bedongen boete is niet gespecificeerd of gelimiteerd, zodat Ymere op basis van dit beding elk door haar zelf te bepalen bedrag in rekening kan brengen. Daardoor kan de consument bij het aangaan van de overeenkomst de (financiële) gevolgen van dit beding niet overzien.
13. Eisende partij heeft te kennen gegeven zich hieraan te zullen conformeren en zich hierover niet te willen uitlaten.
14. Het voorgaande betekent dat de onder r.o. 8 geciteerde bedingen buiten toepassing worden gelaten en de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en rente worden afgewezen.
De vordering
15. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot het griffierecht nog is overwogen.
16. Gelet op het feit dat een deel van de vordering is afgewezen wordt de gedaagde partij veroordeeld tot betaling van griffierecht corresponderende met het toegewezen deel van het gevorderde. Het (eventueel) meer betaalde aan griffierecht blijft voor rekening van eisende partij.

Beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:
a) € 863,43 ter zake van achterstallige huur woning [adres], berekend tot en met de ontruiming (30 januari 2024);
b) € 1.499,98 ter zake van de nota (Boedelbeheer) van de Gemeente Amsterdam;
veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van de eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,71 aan explootkosten, € 217,00 aan salaris gemachtigde, € 397,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.