ECLI:NL:RBAMS:2026:6674

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
13-093736-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor drugshandel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 17 juni 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Duitse autoriteiten tegen een Poolse verdachte zonder vaste verblijfplaats in Nederland. Het EAB betreft een veroordeling voor illegale handel in verdovende middelen, met een opgelegde gevangenisstraf die nog deels moet worden uitgezeten.

De verdediging voerde aan dat onduidelijkheid bestond over de juridische grondslag van het EAB en dat de zaak aangehouden moest worden om nadere informatie op te vragen bij de Duitse autoriteiten. Ook werd een schending van het specialiteitsbeginsel betoogd. De rechtbank verwierp deze verweren, stellende dat de verstrekte informatie betrouwbaar is en dat het specialiteitsbeginsel niet is geschonden.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen van de Overleveringswet, dat er geen weigeringsgronden zijn en dat de overlevering aan Duitsland toegestaan moet worden. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe voor drugshandel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-093736-26
Datum uitspraak: 17 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 21 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 december 2025 door het
Amtsgericht Rastatt, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1967 in [geboorteplaats] (Polen
)
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 juni 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van het
Amtsgericht te Rastatt(eerste instantie) van 19 juli 2024 en een arrest van het
Landgericht(tweede instantie) van 11 december 2024, in kracht van gewijsde sinds 19 december 2024, met referenties: 11 Ls 301 Js 5763/21 (eerste instantie) en 5 NBs 301 Js 5764/21 (tweede instantie). Hierna zal de rechtbank voormelde uitspraken aanduiden als “het vonnis” en “het arrest”.
De aanvullende informatie van de Duitse autoriteiten van 23 april 2026 vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij beide processen die tot voormelde beslissingen hebben geleid.
Uit de aanvullende informatie van 23 april 2026 blijkt tevens dat bij het vonnis een vrijheidsstraf van twee jaar en zeven maanden is opgelegd en dat die straf bij arrest is vervangen door twee vrijheidsstraffen voor de duur van respectievelijk één jaar en negen maanden, waarvan nog 343 dagen resteren, en één jaar en drie maanden, waarvan nog 228 dagen resteren. Gelet op deze aanvullende informatie begrijpt de rechtbank dat de overlevering – zoals ook vermeld in het EAB – wordt verzocht ten behoeve van de bij arrest opgelegde vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is hoe het arrest zich verhoudt tot het vonnis. De raadsman heeft een e-mail overgelegd, waarin de Duitse advocaat van de opgeëiste persoon schrijft dat bij het arrest sprake zou zijn geweest van het samenvoegen van verschillende vonnissen en waarbij de Duitse advocaat een parketnummer noemt dat niet in het EAB voorkomt. De raadsman heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om over dat parketnummer aanvullende informatie op te vragen aan de Duitse autoriteiten en daarnaast te vragen of er in hoger beroep wel sprake is geweest van een situatie waarbij de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er, mede gelet op het vertrouwensbeginsel, geen reden is te twijfelen aan de juistheid van de door de Duitse autoriteiten verstrekte informatie. In het licht hiervan en de inhoud van de verstrekte aanvullende informatie volgt de rechtbank de raadsman niet in zijn standpunt dat er onduidelijkheid bestaat over de grondslag van het EAB en dat de zaak dient te worden aangehouden om hierover opheldering te vragen aan de Duitse autoriteiten.

4.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit schaart de strafbare feiten onder een zogenoemd lijstfeit die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Overige verweren

De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon stelt dat er in Duitsland sprake is geweest van schending van het specialiteitsbeginsel. De opgeëiste persoon is in 2024 ter fine van vervolging voor twintig feiten betreffende het bezitten en verkopen van amfetamine, marihuana en xtc-pillen overgeleverd aan Duitsland. Het EAB dat nu voorligt ziet op een veroordeling voor vijftien strafbare feiten, bestaande uit het bezitten en verkopen van amfetamine en marihuana. De raadsman heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om hierover nadere informatie op te vragen aan de Duitse autoriteiten.
De rechtbank ziet alleen al geen aanleiding tot het stellen van nadere vragen aan de Duitse autoriteiten nu de stelling dat het specialiteitsbeginsel niet is nageleefd niet is onderbouwd. De feiten die ten grondslag liggen aan de veroordeling, en zoals die zijn vermeld in het EAB, bevatten bovendien ook geen enkel aanknopingspunt voor de juistheid van de stelling van de opgeëiste persoon.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Rastatt, Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter
mrs. E. de Rooij en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. D.F.A. Reuvekamp en B.C.M. Burger, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.