ECLI:NL:RBAMS:2026:6723

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
11958450 \ CV EXPL 25-15555
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 3 lid 1 Richtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing consumentenrecht bij huurovereenkomst auto zonder huurprijs

In deze civiele zaak vordert eiser betaling van een openstaande factuur van €194,13 wegens ongeoorloofd langer gebruik van een huurauto, vermeerderd met rente, incassokosten en proceskosten. De huurovereenkomst is gesloten tussen een handelaar en consument en bevat geen huurprijs. De kantonrechter stelt vast dat ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht en de Richtlijn 93/13 EG over oneerlijke bedingen noodzakelijk is.

De rechter benadrukt dat de informatieplichten uit artikel 6:230l BW zijn nageleefd, maar dat eiser zich niet heeft uitgelaten over de specifieke contractuele grondslagen van de afzonderlijke onderdelen van de vordering, zoals de kosten voor langer gebruik en administratiekosten. Eiser wordt daarom opgedragen zich hierover schriftelijk uit te laten, met name over artikel 6 lid 5 van Pro de algemene voorwaarden en het ontbreken van een huurprijs in de overeenkomst.

De zaak wordt aangehouden tot de akte-uitlating van eiser is ontvangen en aan gedaagde is toegezonden met de mogelijkheid tot reactie. De kantonrechter bepaalt een rolzitting op 17 juli 2026 voor verdere behandeling. Het vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.

Uitkomst: De zaak is aangehouden voor nadere toelichting over de grondslagen van de vordering en de (on)eerlijkheid van bedingen, met rolzitting op 17 juli 2026.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11958450 \ CV EXPL 25-15555
Vonnis van 19 juni 2026
in de zaak van
[eiser], wonende te [woonplaats 1] , rechtsopvolger onder bijzondere titel van
[bedrijf 1] B.V., voorheen genaamd
[bedrijf 2] B.V., rechtsopvolger onder algemene titel van
[bedrijf 3] B.V.,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 oktober 2025, met producties,
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
[eiser] vordert, uit hoofde van een tussen [bedrijf 3] B.V. (hierna: verhuurder) en [gedaagde] gesloten huurovereenkomst met betrekking tot een auto, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 194,13 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
2.2.
[eiser] stelt de huurovereenkomst is gesloten in de verkoopruimte van verhuurder en dat is voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden BOVAG verhuur- en deelautobedrijven van toepassing (hierna: de algemene voorwaarden). De verzekeraar betaalt volgens [eiser] geheel of gedeeltelijk de huur voor de huurperiode.
2.3.
[gedaagde] heeft volgens [eiser] een factuur van € 194,13 onbetaald gelaten. Deze factuur bestaat uit drie posten: ‘Inzet huurauto klasse B – ongeoorloofd langer gebruik, Administratiekosten Verhuur en Verlaging eigen risico per dag (NL)’.
2.4.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.5.
Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van Pro de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten. Irrelevant voor deze toets is de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg.
2.6.
Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter, ook als [eiser] zich in de procedure niet beroept op een bepaald beding in de overeenkomst, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet zijn vordering op dit punt worden afgewezen.
2.7.
Over de specifieke contractuele grondslagen van de afzonderlijke onderdelen van de vordering heeft [eiser] zich in de dagvaarding niet uitgelaten. Daarmee wordt bedoeld de bedingen die ten grondslag (kunnen) liggen aan de afzonderlijke onderdelen van de facturen, waaronder de in rekening gebrachte kosten voor het ongeoorloofd langer gebruiken van de auto en de administratiekosten, maar ook de nevenvorderingen, zoals rente en incassokosten. [eiser] wordt opgedragen zich hierover bij akte uit te laten. Daarbij dient [eiser] een standpunt in te nemen over de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de afzonderlijke onderdelen van de vordering ten grondslag liggen of kunnen liggen.
2.8.
[eiser] dient in de vorenbedoelde toelichting in het bijzonder in te gaan op artikel 6 lid 5 van Pro de algemene voorwaarden, in combinatie met de omstandigheid dat de huurprijs niet in de huurovereenkomst staat.
2.9.
De zaak wordt voor akte uitlating door [eiser] verwezen naar de rol.
2.10.
[eiser] dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan [gedaagde] te sturen, met de mededeling dat [gedaagde] op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer [gedaagde] uiterlijk moet reageren. [eiser] wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan [gedaagde] in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan [gedaagde] is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.11.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
vrijdag 17 juli 2026 om 10.00 uurvoor akte uitlating door [eiser] ,
3.2.
bepaalt dat [eiser] de akte aan [gedaagde] moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.10,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.
991