ECLI:NL:RBAMS:2026:6868

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
13-035905-26
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 OverleveringswetWetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot schorsing overleveringsdetentie wegens detentie uit andere hoofde

De rechtbank Amsterdam heeft op 26 juni 2026 uitspraak gedaan over het verzoek van de opgeëiste persoon tot schorsing van zijn overleveringsdetentie op grond van de Overleveringswet. De opgeëiste persoon is geboren in 1985 en verblijft momenteel in een justitiële inrichting.

Tijdens de raadkamerzitting zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw gehoord. De officier van justitie stelde primair dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de opgeëiste persoon niet vastzit op grond van de Overleveringswet, maar vanwege andere strafzaken en vervangende hechtenis.

De rechtbank overwoog dat de opgeëiste persoon sinds 16 juni 2026 gedetineerd is op basis van een andere strafzaak en dat de uitvoering van het Europees Arrestatiebevel is opgeschort totdat deze detentie eindigt of wordt geschorst. Bovendien moet de opgeëiste persoon vanaf 2 juli 2026 nog vervangende hechtenis uitzitten in twee andere zaken.

De rechtbank concludeerde dat noch de Overleveringswet, noch het Wetboek van Strafvordering een grondslag biedt voor het schorsingsverzoek in deze situatie, omdat de vrijheidsbeneming voortduurt uit andere hoofde. Daarom bestaat er geen rechtens te honoreren belang bij het verzoek en werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de opgeëiste persoon reeds uit andere hoofde gedetineerd is.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Internationale rechtshulpkamer

Parketnummer: 13-035905-26

Beslissing op het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie

(artikel 64 Overleveringswet Pro)

De raadkamer van deze rechtbank heeft kennis genomen van het op 17 juni 2026 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie uit hoofde van de Overleveringswet (OLW) van de opgeëiste persoon:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
nu gedetineerd in [J.C.] .
Raadsvrouw mr. R.M. Wagenaar namens mr. E.G.S. Rozestraten.
De rechtbank heeft acht geslagen op het dossier, waaronder de stukken die op de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon betrekking hebben.
Gelet op de behandeling in raadkamer op 26 juni 2026, waar zijn gehoord de officier van justitie, de opgeëiste persoon en de raadsvrouw.
De raadsvrouw heeft het verzoekschrift toegelicht.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het schorsingsverzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De opgeëiste persoon zit momenteel niet vast op grond van de OLW. Hij zit een straf uit in de zaak met parketnummer 01/065307-18. Vanaf 2 juli moet hij nog vervangende hechtenis uitzitten in de twee zaken met parketnummers 96/167069-22 en 96/018199-24. Op 22 juli van dit jaar zal hij in overleveringsdetentie worden geplaatst. Reeds in 2017 heeft de rechtbank een dergelijke beslissing genomen. De officier van justitie verwijst naar de uitspraak, ECLI-nummer: NL:RBAMS:2017:387.
Subsidiair verzet het OM zich tegen inwilliging van het verzoek en heeft onder andere daartoe aangevoerd dat uit het Europees Arrestatiebevel en de daarop betrekking hebbende stukken blijkt dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake is van groot vluchtgevaar.
De rechtbank overweegt het volgende.
Kennisname van het dossier leert dat op 16 juni 2026 door de rechtbank de voorlopige aanhouding is omgezet in een aanhouding welke voortduurt tot het tijdstip waarop de rechtbank over de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon beslist. Blijkens de beslissing van de officier van justitie d.d. 16 juni 2026 is de tenuitvoerlegging van dit bevel ten behoeve van de detentie uit andere hoofde, op grond van de in dat bevel genoemde parketnummer 01/065307-18, met ingang van 16 juni 2026 opgeschort tot het moment dat de detentie uit andere hoofde afloopt, dan wel wordt geschorst. Vanaf 2 juli 2026 moet de opgeëiste persoon bovendien nog de vervangende hechtenis uitzitten in de twee zaken met parketnummers 96/167069-22 en 96/018199-24.
Naar het oordeel van de rechtbank biedt noch de OLW, noch het Wetboek van Strafvordering – voor zover van toepassing – een grondslag voor een schorsingsverzoek als het onderhavige, nog los van de vraag tot welk praktisch gevolg die schorsing zou leiden voor de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon blijft immers van zijn vrijheid beroofd op grond van de detentie uit andere hoofde. In zoverre bestaat er dan ook geen rechtens te honoreren belang.
De rechtbank zal de opgeëiste persoon in zijn verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Beslissing

De rechtbank:
- Verklaart
[de opgeëiste persoon]niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie.
Deze beslissing is genomen op 26 juni 2026 door:
mr. D.L.S. Ceulen, rechter,
in tegenwoordigheid van G.M. Vernooij-Tol, griffier.