ECLI:NL:RBAMS:2026:6877

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
81/302231-20 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na illegale tewerkstelling

De rechtbank Amsterdam heeft op 2 juli 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen veroordeelde, naar aanleiding van een strafzaak waarin zij werd veroordeeld voor het illegaal tewerkstellen van meerdere personen zonder geldige werkvergunningen. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk geschat op ruim €1,1 miljoen, maar gematigd tot €597.202,86.

Tijdens de zitting werden standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw van veroordeelde besproken, waarbij de raadsvrouw onder meer betwistte dat het aantal gewerkte uren en het uurloon correct waren vastgesteld. De rechtbank verwierp deze bezwaren en baseerde zich op het ontnemingsrapport en getuigenverklaringen, waarbij werd vastgesteld dat veroordeelde en haar zoon gedurende meerdere jaren vreemdelingen illegaal hebben laten werken tegen een netto uurloon van circa €5.

De rechtbank concludeerde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel €597.202,86 bedraagt, opgebouwd uit bespaarde loonkosten en niet betaalde werkgeverslasten. De betalingsverplichting wordt hoofdelijk aan veroordeelde opgelegd. Ondanks een overschrijding van de redelijke termijn acht de rechtbank dit gecompenseerd door eerdere strafmatiging. De maximale gijzelingstermijn wordt vastgesteld op 1080 dagen, conform jurisprudentie en de datum van de feiten.

Uitkomst: De rechtbank legt een betalingsverplichting van €597.202,86 op en bepaalt een maximale gijzelingstermijn van 1080 dagen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 81/302231-20 (ontneming)
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 81/302231-20, tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1951 in [land van herkomst] ,
wonende op het adres [adres] ,
hierna: veroordeelde.

1.Onderzoek op de zitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en kennisgenomen van hetgeen de officier van justitie, mr. J.P. Hopman, en veroordeelde en haar raadsvrouw, mr. L. ter Steeg, op de zitting naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank getuige [getuige] (hierna: [getuige] ) op de zitting gehoord.

2.Vordering ontneming

De vordering van de officier van justitie van 14 juli 2025 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat op € 1.107.688,44. De officier van justitie heeft dit bedrag bij e-mail van 23 september 2025 gematigd, in die zin dat het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van acht personen op de tenlastelegging, te weten [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] , [persoon 7] en [persoon 8] , en [getuige] wordt meegenomen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel moet daarom worden geschat op € 597.202,86 en aan veroordeelde moet de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel.

3.Grondslag van de vordering

Op grond van artikel 36e, tweede lid, Sr kan voordeel worden ontnomen dat is verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit waarvoor diegene is veroordeeld of van andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.
De rechtbank maakt uit de stukken in het dossier en de e-mail van 23 september 2025 op dat de vordering deels is gegrond op het strafbare feit waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak bij vonnis van 3 november 2025 (hierna: het vonnis) is veroordeeld, te weten:
ten aanzien van het primair tenlastegelegde
- een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt en in vereniging wordt begaan door meerdere personen.
Hierbij gaat het om het illegaal te werk stellen van [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] .
Daarnaast is de vordering gegrond op een ander strafbaar feit, waar voldoende aanwijzingen voor bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan, te weten het illegaal te werk stellen van [getuige] in de periode van 1 januari 2015 tot en met 16 november 2021.

4.Wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op € 597.202,86, omdat van de berekening in het ontnemingsrapport kan worden uitgegaan.
4.2.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering slechts voor een beperkt deel kan worden toegewezen.
In de berekening is ten aanzien van [getuige] uitgegaan van een onjuist aantal gewerkte uren en een onjuist uurloon. Primair is daarom verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot [getuige] vast te stellen op nihil, omdat onduidelijk is hoeveel hij daadwerkelijk heeft ontvangen voor zijn werkzaamheden en hoeveel uren hij heeft gewerkt. Subsidiair is verzocht bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van [getuige] uit te gaan van het bedrag van € 10,- netto per uur in aansluiting bij de verklaring van [getuige] op de zitting van 21 mei 2026 en van het aantal uren zoals dat in de strafzaak is vastgesteld, te weten 13.809,5 uren. Meer subsidiair is verzocht indien een ander aantal uren wordt gehanteerd, dat aantal uren te berekenen met een uurloon van € 10,- netto.
Verder heeft de raadsvrouw met verwijzing naar het verweer van de raadsman van de zoon van veroordeelde ook het volgende gesteld.
In de berekening is ook bij [persoon 2] uitgegaan van een onjuist aantal gewerkte uren. Daarom moet van het meest gunstige uren worden uitgegaan bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Ook is uitgegaan van een onjuist uurloon ten aanzien van de overige werknemers behalve [persoon 1] . De raadsvrouw heeft verzocht gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid en als uitgangspunt het bedrag van € 10,- netto per uur te nemen in aansluiting bij de verklaring van [getuige] op de zitting van 21 mei 2026. Het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] moet dan op nihil worden gesteld. Indien de rechtbank bij de berekening toch uitgaat van uitbetaling van € 5,- netto per uur, heeft de raadsvrouw verzocht [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] als getuigen te horen.
Verder is het uitbetaalde zwarte loon buiten de boeken gehouden. Dit dient in mindering te worden gebracht op het fiscale resultaat van de onderneming in de betreffende jaren. Omdat die aftrek niet heeft plaatsgevonden is te veel belasting betaald. Dit moet in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde door middel van voornoemde strafbare feiten voordeel heeft verkregen dat de rechtbank vast stelt op € 597.202,86. De rechtbank ontleent deze vaststelling van het verkregen wederrechtelijk voordeel aan de relevante feiten en omstandigheden in de onderliggende strafzaak en het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel (het ontnemingsrapport). [1] Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank heeft bij het vonnis vastgesteld dat veroordeelde samen met haar zoon gedurende een langere periode van juni 2017 tot juni 2021 op georganiseerde wijze meerdere vreemdelingen onder andere zonder geldige werkvergunningen voor hun bedrijven, [bedrijf 1] V.O.F. en V.O.F. [bedrijf 2] , heeft laten werken. Het betrof onder andere uitgeprocedeerde asielzoekers zoals [persoon 1] en [persoon 2] , die verklaarden dat zij tegen een laag uurloon van circa € 5,- werkten. Ook anderen, zoals [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] , hadden geen geldige tewerkstellingsvergunning en verrichtten arbeid in Nederland in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat ook [getuige] , die eerst medeverdachte was, illegaal te werk is gesteld. De rechtbank baseert dit op de getuigenverklaring van [getuige] op de zitting van 21 mei 2026, waar hij heeft verklaard dat hij voor veroordeelde en haar zoon heeft gewerkt, en het ontnemingsrapport. Op basis van pagina 12 van het ontnemingsrapport stelt de rechtbank vast dat er aanwijzingen zijn dat [getuige] ook in de periode van 1 januari 2025 tot en met 11 juni 2017 voor veroordeelde en haar zoon heeft gewerkt.
Veroordeelde en haar zoon hebben hierdoor loonbelasting en werkgeverslasten bespaard doordat zij geen aangiften deden voor deze werknemers. Ook betaalden zij de werknemers lagere lonen dan conform de algemeen verbindend verklaarde CAO. Dit leverde financieel voordeel op.
Berekening ontnemingsrapport
Het wederrechtelijk verkregen voordeel is in het ontnemingsrapport ten aanzien van [getuige] en de personen op de tenlastelegging, te weten [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] , als volgt berekend.
“3.2.3.Resumé WVV [getuige] periode van 1 januari 2015 tot en met 16 november 2021
In paragraaf 3.2.1. en paragraaf 3.2.2. is het volgende WVV naar voren gekomen dat behaald is door het illegaal tewerkstellen van [getuige] .
Kolom A
Periode
Kolom B
Totaal uren
Kolom C
Eindtotaal
Kolom D
Loon uitbetaald
Kolom E
WVV
Totaal [getuige]
2017-2021
15.709
€ 357.706,15
€ 78.545,00
€ 279.161,15
Totaal [getuige]
2015-2017
8.661,55
€ 165.001 ,26
€ 43.307,75
€ 121.693,51
Totaal [getuige]
2015-2021
24.370,55
522.707,41
121.852,75
400.854,66
Uit de berekeningen in [documentnummer 1] en [documentnummer 2] komt naar voren dat er € 279.161,15 aan WVV is behaald uit het illegaal tewerkstellen van [getuige] over de periode van 11 juni 2017 tot en met 16 november 2021.
Uit de berekeningen in [documentnummer 3] en [documentnummer 4] komt naar voren dat er € 121.693,51 aan WVV is behaald uit het illegaal tewerkstellen van [getuige] over de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 juni 2021 [de rechtbank begrijpt 10 juni 2017].
Het is aannemelijk dat [getuige] 24.370,55 uur (Kolom B) heeft gewerkt in de periode van 1 januari 2015 tot en met 16 november 2021. Hiervoor hadden betrokkene(n) in totaal € 522.707,41 (Kolom C) dienen te betalen. Dit betreft het loon volgens de cao inclusief diverse toeslagen en de berekening van de werkgeverslasten. Ten aanzien van [getuige] is uitgegaan van een uitbetaling van salaris door betrokkene(n) van € 5,00 netto per uur. Het WVV wordt hierdoor verminderd met het loonbedrag waarvan het aannemelijk is dat dit is uitbetaald aan [getuige] .
Het WVV over de gehele periode van 1 januari 2015 tot en met 16 november 2021 bedraagt dan € 522.707,41 - € 121.852 ,75 = € 400.854,66. Dit betreft een besparing van loonkosten die betrokkene(n) hebben gehad door de (illegale) tewerkstelling van [getuige] .
(…)
3.3.
WVV [persoon 1] (AG-001)
In [documentnummer 5] en [documentnummer 6] is het WVV uiteengezet en berekend waarvan aannemelijk is dat betrokkene(n) dit hebben verkregen door het illegaal tewerkstellen van [persoon 1] (AG-001) in Nederland, uiteengezet in [documentnummer 7] . Dit voordeel is berekend aan de hand van de urenregistratie die is aangetroffen in de telefoon van [medeveroordeelde] . Hieruit komt naar voren dat [persoon 1] zijn gewerkte uren voor betrokkene(n) heeft bijgehouden en verzonden in ieder geval vanaf 1 september 2018 tot en met 10 april 2019. Voor de berekening van het WVV is uitgegaan van de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de cao Schoonmaak 2017-2018 en cao Schoonmaak 2019-2021. In het voordeel van betrokkene(n) zijn in de berekening van het WVV de volgende toeslagen/bepalingen achterwege gelaten: vereenvoudigingstoeslag, reistijden - en reiskostenregeling, rusttijdregeling.
In deze periode is naar voren gekomen dat er 1.805 uur werk is verricht door [persoon 1] . Deze uren bevatten tevens 418,5 uur overwerk en 209,5 uur werk in het weekend. Voor de berekening van het WVV is uitgegaan van een bruto-uurloon op 1 september 2018 met € 10,62 bruto per uur, die gedurende de periode wordt verhoogd tot een bedrag van € 10,83 bruto per uur tot en met 10 april 2019. Voor de berekening is het basisuurloon vermeerderd met de weekendtoeslag, de feestdagtoeslag en de overwerktoeslag. Op grond van de cao zijn bovendien de vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en de vakantieopbouw-toeslag toegepast. Daarnaast zijn de werkgeverslasten toegepast.
Ten aanzien van [persoon 1] is uitgegaan van een uitbetaling van salaris door betrokkene(n) van € 5,00 netto per uur. Het WVV wordt hierdoor verminderd met het loon bedrag waarvan het aannemelijk is dat deze is uitbetaald aan [persoon 1] door betrokkene(n), namelijk € 9.025,00 (1.805 x € 5,00).
(…)
Het is aannemelijk dat [persoon 1] 1.805 uur heeft gewerkt in de periode van 1 september 2018 tot en met 10 april 2019. Hiervoor had betrokkene(n) totaal € 30.337,44 dienen te betalen. Hiervan is aan [persoon 1] € 9.025,00 loon uitbetaald. Het WVV over die periode bedraagt dan:
€ 30.337,44 - € 9.025 ,00 = € 21.312,44.
(…)
3.4.
WVV [persoon 2] (AG-002)
In [documentnummer 8] en [documentnummer 9] is het WVV uiteengezet en berekend waarvan aannemelijk is dat betrokkene(n) dit hebben verkregen door het illegaal tewerkstellen van [persoon 2] (AG-002) in Nederland, uiteengezet in [documentnummer 10] . Dit voordeel is berekend aan de hand van de urenregistratie die is aangetroffen in de telefoon van [medeveroordeelde] . Hieruit komt naar voren dat [persoon 2] zijn gewerkte uren voor betrokkene(n) heeft bijgehouden en verzonden vanaf 12 juni 2017 tot en met 24 juni 2019. Voor de berekening van het WVV is uitgegaan van de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de cao Schoonmaak 2017-2018 en cao Schoonmaak 2019-2021. In het voordeel van betrokkene(n) zijn in de berekening van het WVV de volgende toeslagen/bepalingen achterwege gelaten: vereenvoudigingstoeslag, reistijden- en reiskostenregeling, rusttijdregeling.
In deze periode is naar voren gekomen dat er 2.496 uur werk is verricht door [persoon 2] . Deze uren
bevatten tevens 293,8 uur overwerk, 148,5 uur werk in het weekend en 16 uur werk op feestdagen.
Voor de berekening van het WVV is uitgegaan van een bruto-uurloon op 12 juni 2017 met € 11,35 bruto per uur, die gedurende de periode wordt verhoogd tot een bedrag van € 11,62 bruto per uur tot en met 24 juni 2019. Voor de berekening is het basisuurloon vermeerderd met de weekendtoeslag, de feestdagtoeslag en de overwerktoeslag. Op grond van de cao zijn bovendien de vakantietoeslag, de eindejaarsuitkering en de vakantieopbouw-toeslag toegepast. Daarnaast zijn de werkgeverslaten toegepast.
Ten aanzien van [persoon 2] is uitgegaan van een uitbetaling van salaris door betrokkene(n) van € 5,00 netto per uur. Het WVV wordt hierdoor verminderd met het loonbedrag waarvan het aannemelijk is dat deze is uitbetaald aan [persoon 2] door betrokkene(n), namelijk € 12.480,00 (2.496 x € 5,00).
(…)
Het is aannemelijk dat [persoon 2] 2.496 uur heeft gewerkt in de periode van 12 juni 2017 tot en met 24 juni 2019. Hiervoor had betrokkene(n) totaal€ 44.396 ,01 dienen te betalen. Hiervan is aan [persoon 2] € 12.480,00 loon uitbetaald. Het WVV over die periode bedraagt dan: € 44.396,01 - € 12.480,00 = € 31.916,01.
(…)
3.5.
WVV overige 8 personen
In [documentnummer 11] en [documentnummer 12] is het WVV uiteengezet en berekend waarvan aannemelijk is dat betrokkene(n) dit hebben verkregen door het illegaal tewerkstellen van werknemers die zijn uiteengezet in [documentnummer 13] tot en met [documentnummer 14] (met uitzondering van [documentnummer 15] ) in Nederland. Het betreffen de werknemers [persoon 3] , (…), [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] , [persoon 7] (…).
Dit voordeel is berekend aan de hand van de urenregistratie die is aangetroffen in de telefoon van [medeveroordeelde] . Hieruit komt naar voren dat de genoemde werknemers hun gewerkte uren voor betrokkene(n) hebben bijgehouden en verzonden in ieder geval in de periode vanaf juni 2017 tot en met juni 2021. Voor de berekening van het WVV is uitgegaan van de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de cao Schoonmaak 2017-2018, cao Schoonmaak 2019-2021 en cao Schoonmaak 2021. In het voordeel van betrokkene(n) zijn in de berekening van het WVV de volgende toeslagen/bepalingen achterwege gelaten vereenvoudigingstoeslag, reistijden - en reiskostenregeling, rusttijdregeling, toeslag bijzondere uren.
In deze periode is naar voren gekomen dat er in totaal 22.893,90 uur werk is verricht door deze (…) werknemers. Deze uren bevatten tevens 8.059,51 uur overwerk. Voor de berekening van het WVV is uitgegaan van de volgende inschaling: Loongroep 1, Medewerker algemeen schoonmaakonderhoud. Het bruto-uurloon van de werknemer is voor de berekening van het WVV ingeschaald op het moment waarop de urenregistratie van de betreffende werknemer aanvangt. Voor de berekening is het basisuurloon vermeerderd met de overwerktoeslag. Op grond van de cao zijn bovendien de vakantietoeslag, de eindejaarsuitkering en de vakantieopbouw-toeslag toegepast. Daarnaast zijn de werkgeverslasten toegepast.
Ten aanzien van de werknemers is uitgegaan van een uitbetaling van salaris door betrokkene(n) van € 5,00 netto per uur. Het WVV wordt hierdoor verminderd met het loon bedrag waarvan het aannemelijk is dat deze is uitbetaald aan deze (…) werknemers door betrokkene(n), namelijk € 11.4469,50 (22.893 ,90 x € 5,00).
Werknemer
Periode
Totaal uren
Eindtotaal
Loon uitbetaald
WVV
[persoon 3]
april 2019 – juni 2021
5.953
€ 102.384,46
€ 29.765,00
€ 72.619,46
(…)
[persoon 4]
augustus 2020 -
april 2021
2.267
€ 40.608,25
€ 11 .335,00
€ 29.273,25
[persoon 5]
oktober 2020 -
mei 2021
1.228 ,9
€ 21 .646,56
€ 6.144,50
€ 15.502,06
[persoon 6]
maart 2021 - mei 2021
814
€ 14.342,27
€ 4.070,00
€ 10.272,27
[persoon 7]
april 2019 -
augustus 2019
1.34
€ 22.152,71
€ 6.700,00
€ 15.452,71
(…)
Periode tewerkstelling
De rechtbank is in het vonnis in de strafzaak bij twee werknemers, te weten [persoon 2] en [persoon 4] , uitgegaan van een langere periode die zij voor veroordeelde en haar zoon hebben gewerkt dan waarvan in het ontnemingsrapport is uitgegaan. In het ontnemingsrapport wordt van een kortere periodes uitgegaan, zodat de rechtbank in het voordeel van veroordeelde en haar zoon uitgaat van de periodes zoals genoemd in het ontnemingsrapport.
Netto uurloon
De raadsvrouw heeft verweer gevoerd tegen bovenstaande berekening en aangevoerd dat in plaats van een netto uurloon van € 5,- bij alle werknemers, moet worden uitgegaan van een netto uurloon van € 10,-. De rechtbank verwerpt dit verweer.
De getuigenverklaring van [getuige] op de zitting van 21 mei 2026 dat hij tussen de € 10,- en € 12,- netto per uur heeft ontvangen en dat vooraf een voorschot van € 5,- per uur werd uitbetaald, waarna uitbetaling van het restant plaatsvond, vindt geen steun in het dossier en is niet onderbouwd. [getuige] kon na vragen van de rechtbank niet concretiseren hoe het uitbetaalde voorschot uiteindelijk werd verrekend. Bovendien heeft [getuige] ook niet voldoende kunnen uitleggen waarom hij op 19 november 2021 bij de politie heeft verklaard dat hij € 5,- netto per uur verdiende en nu tot een ander bedrag komt. De rechtbank gaat daarom uit van de verklaring die [getuige] bij de politie heeft afgelegd en sluit bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van [getuige] aan bij een netto uurloon van € 5,-.
Datzelfde geldt voor de overige personen. Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, gaat de rechtbank er op basis van de verklaringen van [persoon 1] en [getuige] bij de politie vanuit dat veroordeelde en haar zoon een netto uurloon van € 5,- aan hun werknemers uitbetaalden.
Omdat de rechtbank uitgaat van uitbetaling van een netto uurloon van € 5,-, moet een beslissing worden genomen over het voorwaardelijke verzoek om [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] als getuigen te horen. Bij de beoordeling van dit verzoek vindt de rechtbank van belang dat de rechter-commissaris in het kader van de strafzaak zonder succes geprobeerd heeft dezelfde getuigen te horen. Van deze getuigen waren geen gegevens bekend. De politie heeft destijds in een overzicht opgenomen wanneer en hoe contact is gelegd met de getuigen, namelijk telefonisch en via Whatsapp. De drie getuigen die hebben gereageerd, waren niet meewerkend en hebben geen adresgegevens verstrekt. De voorzitter heeft de officier van justitie gevraagd wederom de traceerbaarheid van deze getuigen te onderzoeken. De officier van justitie heeft een overzicht van 6 mei 2026 verstrekt, waaruit volgt dat geen adresgegevens bekend zijn en geen van de verzochte getuigen te bereiken zijn op de eerder opgegeven telefoonnummers. [2] Er zijn daarom geen omstandigheden gebleken waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat de situatie ten aanzien van de vindbaarheid van deze getuigen nu anders is. Daarmee is het niet aannemelijk dat de gevraagde getuigen nu wel binnen een aanvaardbare termijn zullen kunnen worden gehoord, zodat het verzoek om deze getuigen te horen wordt afgewezen.
Urenaantal
Verder heeft de raadsvrouw verweer gevoerd tegen het aantal uren. In het vonnis in de strafzaak is de rechtbank ervan uitgegaan dat [getuige] vanaf 2017 voor veroordeelde en haar zoon werkte. Het aantal gewerkte uren zou vanaf 2017 tot en met 2021 13.809,5 uren moeten zijn, terwijl in het ontnemingsrapport is uitgegaan van 15.709 uren. Bij [persoon 2] is dat 2.497 respectievelijk 2.496 uren.
De rechtbank sluit aan bij de berekeningen in het ontnemingsrapport. Ten aanzien van [persoon 2] is het berekend aantal uren van 2.496 uren in het voordeel van veroordeelde. Ten aanzien van het genoemde totaal aantal uren van 15.709 voor [getuige] geldt dat in het ontnemingsrapport gemotiveerd is onderbouwd dat [getuige] al eerder dan 2017 voor veroordeelde en haar zoon werkte, namelijk vanaf 1 januari 2015. [3]
Aftrekpost belasting
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de strafrechter bij het bepalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening hoeft te houden met de belastingheffing. [4] De rechtbank zal daarom geen rekening houden met de omstandigheid dat geen loonaftrek heeft plaatsgevonden, omdat het loon zwart is uitbetaald.
Conclusie
De rechtbank stelt op basis van het vorengaande het verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van € 597.202,86. Daarbij zijn de bedragen van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van de verschillende werknemers bij elkaar opgeteld zoals volgt uit onderstaande tabel.
Werknemer
WVV
[getuige]
€ 400.854,66
[persoon 1]
€ 21.312,44
[persoon 2]
€ 31.916,01
[persoon 3]
€ 72.619,46
[persoon 4]
€ 29.273,25
[persoon 5]
€ 15.502,06
[persoon 6]
€ 10.272,27
[persoon 7]
€ 15.452,71
Totaal
€ 597.202,86

5.Verplichting tot betaling en gijzeling

De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 597.202,86. De rechtbank zal daarbij de betalingsverplichting – zoals gevorderd door de officier van justitie – hoofdelijk aan veroordeelde opleggen, gelet op wat de rechtbank hiervoor over het gezamenlijke voordeel van veroordeelde en haar zoon heeft overwogen.
De verdediging heeft verzocht om de betalingsverplichting te matigen en rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wijst dit verzoek af.
De rechtbank heeft geconstateerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De rechtbank is echter van oordeel dat deze overschrijding voldoende is gecompenseerd door matiging van de in de strafzaak aan veroordeelde opgelegde straf wegens schending van de redelijke termijn. De rechtbank volstaat daarom in deze ontnemingszaak met de vaststelling artikel 6, eerste lid, EVRM is geschonden, omdat de redelijke termijn is overschreden.
Gelet op het vastgestelde totaalbedrag van de ontneming zal in dit geval de maximale gijzelingsduur worden bepaald. Bij feiten gepleegd vóór 25 juli 2020 betekent dit een maximum van 1.080 dagen. Bij feiten gepleegd op of ná 25 juli 2020 betekent dit een maximum van 1.095 dagen, zo blijkt uit jurisprudentie van de Hoge Raad. [5] Nu de door veroordeelde gepleegde feiten deels vóór en deels na 25 juli 2020 zijn gepleegd, zal de rechtbank in het voordeel van veroordeelde een maximale duur van de gijzeling hanteren van 1.080 dagen.

6.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

7.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van
€ 597.202,86 (vijfhonderdzevenennegentigduizend tweehonderdtwee euro en zesentachtig cent).
Legt op aan
[veroordeelde]de verplichting tot betaling van
€ 597.202,86 (vijfhonderdzevenennegentigduizend tweehonderdtwee euro en zesentachtig cent)aan de Staat.
Bepaalt de duur van de
gijzelingdie ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op
1.080 (duizendtachtig) dagen.
Veroordeelde is tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel verplicht, behoudens voor zover aan deze betalingsverplichting reeds door of namens een ander is voldaan.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.H. Broesterhuizen, voorzitter,
mrs. M. Vaandrager en C. Wildeman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2026.
[.]

Voetnoten

1.Rapport berekening wederrechtelijk voordeel per delict van 15 juni 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] .
2.Dit overzicht is als
3.Ten aanzien van [getuige] is op pagina 61 tot en met 78 van het ontnemingsrapport beschreven hoe tot het totaal van 15.709 uren is gekomen ( [documentnummer 1] ). Datzelfde geldt voor [persoon 2] . Op pagina 117 tot en met 132 van het ontnemingsrapport is beschreven hoe tot het totaal van 2.496 uren is gekomen ( [documentnummer 8] ).
4.Hoge Raad 17 februari 1998, ECLI:NL:HR1998:ZD0947.
5.vgl. Hoge Raad 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812 en Hoge Raad 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:805.