ECLI:NL:RBAMS:2026:6892

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
12244010 \ CV EXPL 26-7339
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing exclusief gebruiksrecht huurwoning aan moeder met minderjarige kinderen

Partijen, voormalige partners en ouders van twee minderjarige kinderen, woonden samen in een huurwoning. Na het verbreken van hun relatie verliet de moeder met de kinderen de woning. De kinderen zijn onder toezicht van Jeugdbescherming geplaatst en er is hulpverlening gestart.

De moeder verzocht om het exclusieve gebruiksrecht van de woning en medewerking van de vader om medehuurder te worden. De vader vorderde eveneens exclusief gebruik. De kantonrechter weegt het belang van de kinderen zwaar, mede op grond van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, en kent het gebruiksrecht toe aan de moeder.

De vader wordt veroordeeld de woning te verlaten en moet meewerken aan het medehuurderschap, waarbij het vonnis in de plaats treedt van zijn medewerking. De kosten van de procedure worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De moeder krijgt het exclusieve gebruiksrecht van de huurwoning toegewezen vanwege het belang van de minderjarige kinderen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12244010 \ CV EXPL 26-7339
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 24 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. A. Bouwmeester,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. E.E. Sprenkeling.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. L. van Berkum, kantonrechter, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren als griffier.
Aanwezig zijn [eiser] met haar gemachtigde en [gedaagde] met zijn gemachtigde. Als toehoorder is aanwezig een behandelaar van [gedaagde].
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten. Gelet op de gewenste duidelijkheid van partijen en het zeer binnenkort aflopen van de getroffen voorlopige voorziening heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.De beoordeling

1.1.
Partijen hadden een affectieve relatie en zijn ouders van twee minderjarige kinderen (6 en 8 jaar). [eiser] komt uit Zweden en [gedaagde] uit Mexico. Partijen zijn als expats naar Nederland gekomen en hadden beiden een betaalde baan. [gedaagde] heeft in 2018 of 2020 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning aan de [adres] tegen een thans geldende huurprijs van € 1.189,36 per maand waarin partijen in ieder geval vanaf 2020 met de kinderen samenwoonden. In mei 2025 is de affectieve relatie tussen partijen verbroken en [eiser] heeft met de kinderen de woning in oktober 2025 verlaten.
1.2.
Bij mondelinge uitspraak van 30 januari 2026 zijn de kinderen van partijen voor de duur van een jaar onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam geplaatst, waarna partijen mee dienden te werken aan de geboden hulpverlening, die inmiddels is opgestart. Ook de ouders krijgen hulpverlening.
1.3.
Op 24 februari 2026 is in kort geding bepaald dat [eiser] in het kader van een voorlopige voorziening de woning bij uitsluiting van [gedaagde] voor de duur van vier maanden mag gebruiken. [eiser] is uitsluitend belast met het ouderlijk gezag.
1.4.
Bij beschikking van 11 mei 2026 van deze rechtbank zijn verzoeken van [gedaagde] omtrent het gezamenlijk gezag en het vaststellen van een zorgregeling pro forma aangehouden tot januari 2027, is het verzoek om omgang met de kinderen op dat moment afgewezen en is de kinderalimentatie vastgesteld. Het verzoek van [eiser] om te bepalen dat het huurrecht van de woning aan haar toekomt is verwezen naar de sector kanton van deze rechtbank.
1.5.
[eiser] ontvangt nu een ziektewetuitkering en kan, doordat het jongste kind niet meer naar school gaat, niet werken. [gedaagde] is sinds de verbreking van de affectieve relatie arbeidsongeschikt.
1.6.
Bij dagvaarding heeft [eiser] haar verzoek met betrekking tot de woning bij de sector kanton aangebracht en haar eis gewijzigd. Zij verzoekt het exclusieve gebruiksrecht van de woning en de medewerking van [gedaagde] om aan verhuurder een verzoek medehuurder te doen, waarna zij het exclusieve huurrecht van de woning wenst te krijgen. In reconventie vordert [gedaagde] het exclusieve gebruik van de woning.
1.7.
Het gebruiksrecht zal in afwachting van de procedure om het medehuurderschap worden toegekend aan [eiser], omdat zij de zorg draagt voor de minderjarige kinderen van partijen. De belangen van de kinderen wegen, mede in het licht van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), in dit geval het zwaarst. Er moet rust komen voor de kinderen. De duidelijkheid over het gebruik van de woning kan er bovendien toe leiden dat ook partijen rust kunnen vinden.
1.8.
Bij dit oordeel is afgewogen dat [eiser] nu nog een behoorlijk inkomen geniet, maar wellicht in de nabije toekomst van een bijstandsuitkering afhankelijk zal zijn. Dit maakt de kans groot dat de verhuurder van de woning een verzoek tot medehuurderschap zal afwijzen. Ingevolge artikel 7:267 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan [eiser] echter bij een afwijzing van het medehuurderschap door de verhuurder een verzoek daartoe bij de kantonrechter indienen, waaraan de verhuurder is gebonden. De kantonrechter heeft een ander toetsingskader dan de verhuurder, die als financiële eis stelt dat een kandidaathuurder minimaal drie keer de huur als maandinkomen moet verdienen. De toets die de kantonrechter hanteert is of [eiser] voldoende financiële waarborg kan bieden voor een behoorlijke nakoming van de huur. Gelet op het inkomen, eventuele toeslagen, kinderalimentatie en een eventuele toelage van de ouders van [eiser], kan er thans niet op vooruit worden gelopen dat de kantonrechter in dat geval zal beslissen dat [eiser] niet voldoet aan de voorwaarden voor het medehuurderschap. Dit is dan ook geen reden om het gebruiksrecht van de woning nu niet toe te wijzen aan [eiser]. Wel blijkt hieruit dat [eiser] belang erbij heeft te proberen medehuurder te worden van deze woning, aangezien zij in de vrije markt, gelet op de inkomenseisen die verhuurders stellen, met haar (toekomstige) inkomen waarschijnlijk niet eenvoudig een andere huurovereenkomst met betrekking tot een passende woning zal kunnen vinden. Dit zou gelet op de stellingen van [eiser] ertoe kunnen leiden dat zij genoodzaakt is om met de kinderen in Zweden bij haar ouders te gaan wonen, in welk geval de opgestarte noodzakelijke hulpverlening voor de kinderen niet kan worden voortgezet en niet kan worden gewerkt aan omgang met hun vader.
1.9.
In de belangenafweging die is gemaakt is ook rekening gehouden met de autismespectrumstoornis van [gedaagde]. Gelet op het dossier en hetgeen op de mondelinge behandeling is besproken, wordt [gedaagde] voldoende in staat geacht om - met de hulp die hij nu krijgt, zijn behandelaar was aanwezig op de zitting - een nieuwe huurwoning voor zichzelf te organiseren waarin hij eenzelfde ‘coping mechanisme’ kan ontwikkelen waardoor hij beter gaat functioneren, niet alleen in belang van zijn werkgever en zichzelf, maar ook in het belang van zijn kinderen. Daarbij is gebleken dat [gedaagde] met deze stoornis in de afgelopen jaren in verschillende woningen (op de wereld) heeft gewoond en zich steeds heeft kunnen aanpassen. Niet valt dan ook in te zien dat [gedaagde] onder deze omstandigheden genoodzaakt is, zoals hij zelf stelt, naar Mexico terug te gaan. De hoop is juist dat beide partijen met de gestarte hulpverlening in Nederland kunnen herstellen, zodat zij allebei hun ouderschapsrol hier in de nabijheid van de kinderen kunnen vervullen.
1.10.
De vordering inhoudende dat [gedaagde] de woning verlaten moet houden wordt gelet op de omstandigheid dat nu geen omgang met de kinderen is bepaald eveneens toegewezen. [gedaagde] heeft nog ter zitting geopperd dat hij tijdens de vakantie van [eiser] en de kinderen deze zomer in Zweden in de woning zou kunnen verblijven, maar dit wordt afgewezen. Toen [gedaagde] de woning na het kortgedingvonnis moest verlaten, heeft dat veel spanningen gegeven. [eiser] zal de woning gedurende een korte periode van circa zes weken wegens vakantie weliswaar niet bewonen, maar de verwachting is dan ook dat opnieuw een wisseling in het gebruik van de woning tussen partijen in deze korte periode – ook voor de kinderen –, zoals [eiser] stelt, meer onrust zal geven dan dat het (financieel) oplevert. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [gedaagde] weliswaar aanvoert dat het huurcontract voor de woning die hij nu bewoont binnenkort afloopt, maar ervan wordt uitgegaan dat hij met zijn inkomen binnen zeer beperkte termijn een andere woning zou moeten kunnen vinden om te verblijven. Daarbij geldt dat de huidige huurwoning van [gedaagde] ook aan de [straat] is gelegen en het onder de geschetste omstandigheden voor de gehele situatie passender, maar ook mogelijk lijkt om (binnen [plaats]) een iets verder gelegen woning te huren om vanuit daar in alle rust te werken aan een beter contact met de kinderen.
1.11.
Omdat [gedaagde] heeft aangegeven dat hij niet vrijwillig wil meewerken aan een verzoek tot medehuurderschap, wordt beslist dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [gedaagde].
1.12.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie:
2.1.
bepaalt dat [eiser] bij uitsluiting van [gedaagde] gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de huurwoning te [adres];
2.2.
veroordeelt [gedaagde] de huurwoning te [adres] verlaten te houden;
2.3.
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [gedaagde] bij het verzoek van [eiser] om het medehuurderschap bij de verhuurder van de woning te [adres];
2.4.
verklaart bovenstaande uitvoerbaar bij voorraad;
2.5.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie:
2.6.
wijst de vordering van [gedaagde] af;
in conventie en reconventie:
2.7.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter en de griffier.