ECLI:NL:RBAMS:2026:6917

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/13/779158 / HA ZA 25-1733
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:46 BWArt. 4:52 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg testament en erfgenaamschap zoon van ex-echtgenoot na echtscheiding

De rechtbank Amsterdam behandelde een geschil over de uitleg van een testament uit 1998, waarin de erflaatster haar toenmalige echtgenoot als enige erfgenaam benoemde en, indien hij niet kon erven, diens kinderen als erfgenamen aanwees. De erflaatster was in 1995 gehuwd met de vader van de gedaagde, maar zij waren sinds 2002 gescheiden. De eisers, broer en zus van de erflaatster, vorderden dat de gedaagde en zijn nakomelingen geen rechten aan het testament konden ontlenen en dat de nalatenschap volgens het wettelijk versterferfrecht moest worden afgewikkeld.

De rechtbank stelde vast dat de uiterste wil van de erflaatster moest worden uitgelegd conform artikel 4:46 lid 1 BW Pro, waarbij rekening wordt gehouden met de feitelijke verhoudingen ten tijde van overlijden. De echtscheiding en de afstandsverklaring van de vader van de gedaagde maakten duidelijk dat de testamentaire bepalingen ten gunste van de ex-echtgenoot geen werking hadden. De wet regelt niet expliciet de gevolgen van echtscheiding voor stiefkinderen, maar de rechtbank concludeerde dat de benoeming van de zoon van de echtgenoot alleen gold indien het huwelijk nog bestond.

De rechtbank vond dat de tekst van het testament, het ontbreken van een naam van de gedaagde in het testament en het langdurige gebrek aan contact na de echtscheiding erop wijzen dat de erflaatster niet de bedoeling had dat de gedaagde als erfgenaam zou worden aangemerkt. De vorderingen van eisers werden daarom toegewezen, en de nalatenschap dient te worden afgewikkeld volgens het wettelijk versterferfrecht. De gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De zoon van de ex-echtgenoot kan geen erfgenaam zijn op grond van het testament; de nalatenschap wordt afgewikkeld volgens het wettelijk versterferfrecht.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/779158 / HA ZA 25-1733
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

te [woonplaats 1],
2.
[eiser 2],
te [woonplaats 2] (Frankrijk),
eisende partijen,
hierna gezamenlijk te noemen [eisers] en voor zover afzonderlijk bedoeld [eiser 1] en [eiser 2],
advocaat: mr. M.R. van Leeuwen,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 3],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. A. Harmanus.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 november 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- het tussenvonnis van 4 februari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 mei 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisers] zijn de broer en zus van [erflaatster] (hierna: erflaatster). Erflaatster is op [overlijdensdatum] 2024 overleden.
2.2.
Erflaatster is in 1995 gehuwd met de vader van [gedaagde].
2.3.
In 1998 heeft erflaatster haar testament laten opmaken. Het testament bepaalt, voor zover hier van belang:

3.ERFSTELLING
Ik benoem de heer [naam] [Rb, vader van [gedaagde]] als mijn echtgenoot tot mijn enige erfgenaam.
Indien hij echter komt te overlijden binnen dertig dagen na mijn overlijden moet hij geacht worden gelijktijdig met mij te zijn overleden en derhalve niet als mijn erfgenaam te kunnen opkomen.
Indien mijn echtgenoot niet als mijn erfgenaam kan opkomen geldt:
Ik legateer alle tot mijn nalatenschap behorende boeken aan mijn ouders tezamen en voor gelijke delen of indien geen hunner als mijn legataris kan of wil opkomen aan mijn broer en zuster, tezamen en voor gelijke delen (…)
Ik benoem de zoon van mijn echtgenoot tot mijn enige erfgenaam.
Indien hij niet als mijn erfgenaam kan of wil opkomen en een of meer kinderen heeft achtergelaten benoem ik tot mijn erfgenamen voor de helft van mijn nalatenschap zijn kinderen tezamen en voor gelijke delen en voor het restant van mijn nalatenschap mijn wettelijke erfgenamen in de wettelijke verhouding. (…)
2.4.
In mei 2001 zijn erflaatster en de vader van [gedaagde] gescheiden gaan leven. In april 2002 is de huwelijksgemeenschap ontbonden door echtscheiding.
2.5.
Op 22 april 2001 heeft de vader van [gedaagde] schriftelijk het volgende verklaard:

ONHERROEPELIJKE VOLMACHT TOT VERDELING EN LEVERING
(…)
IN AANMERKING NEMENDE:
Dat de ondergetekende thans nog in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd met mevrouw [erflaatster] [Rb, erflaatster] (…) hierna te noemen de vrouw;
Dat met betrekking tot dit huwelijk een echtscheidingsprocedure aanhangig is;
Dat de ondergetekende geen belang of betrokkenheid bij het testament van de vrouw (…) heeft of wenst te hebben.
VERKLAART:
Op geen enkele aansprakelijk wenst te maken op het testament van de vrouw. (…)”

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen - samengevat – dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
  • voor recht verklaart dat [gedaagde] en zijn nakomelingen aan het testament van erflaatster geen rechten kunnen ontlenen op grond van artikel 4:46 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), en
  • voor recht verklaart dat de nalatenschap van erflaatster dient te worden afgewikkeld overeenkomstig het wettelijk versterferfrecht, en [eisers] tot de enige wettelijke erfgenamen te benoemen,
  • althans te oordelen zoals uw rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht.
3.2.
[eisers] leggen daaraan – kort gezegd – ten grondslag dat de laatste wil van erflaatster ten gunste van [gedaagde] geen werking meer heeft. Ten tijde van het opmaken van het testament was erflaatster gehuwd met de vader van [gedaagde]. Op het moment van overlijden was het huwelijk echter al 22 jaar ontbonden. Erflaatster heeft met het opmaken van haar uiterste wil niet ook de door de echtscheiding ontstane gewijzigde verhouding met [gedaagde] willen regelen. Bovendien is het aannemelijk dat erflaatster ervan uitging dat haar testament, althans de bepaling over de begunstiging, niet langer zou gelden omdat de vader van [gedaagde] afstand heeft gedaan van enige aanspraak op het testament, aldus steeds [eisers].
3.3.
[gedaagde] betwist – kort gezegd – dat hij geen aanspraak kan maken op het testament van erflaatster. Uit het testament volgt duidelijk dat de vader van [gedaagde] als enig erfgenaam is benoemd en dat als hij niet kan opkomen als erfgenaam [gedaagde] tot enig erfgenaam wordt benoemd. Voor [eisers] en de ouders is uitsluitend een legaat opgenomen voor de boeken van erflaatster. Na de scheiding van de vader van [gedaagde] en erflaatster is het contact tussen [gedaagde] en erflaatster weliswaar verwaterd, maar [gedaagde] betwist dat het contact tijdens het huwelijk al beperkt was en dat hij voornamelijk bij zijn moeder verbleef. [gedaagde] heeft vijf jaar bij vader en erflaatster gewoond en het contact is altijd goed geweest.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] als erfgenaam moet worden aangemerkt op grond van het testament van erflaatster. Beantwoording van die vraag vereist uitleg van de uiterste wil van erflaatster aan de hand van het bepaalde in artikel 4:46 lid 1 BW Pro.
4.2.
Bij de uitleg van de uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil wenst te regelen, en op omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt (artikel 4:46 lid 1 BW Pro). Doen zich na het opmaken van de uiterste wil feiten en omstandigheden voor waardoor de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij hetgeen de erflater kennelijk wenste te regelen, dan kan de uiterste wil zo worden uitgelegd dat de desbetreffende beschikking alleen gold voor de situatie die bestond voordat de bedoelde feiten en omstandigheden zich hadden voorgedaan. [1]
4.3.
[eisers] dienen feiten en omstandigheden te stellen, en aan te tonen, dat de uiterste wil van erflaatster ten gunste van [gedaagde] geen werking heeft jegens [gedaagde] door uitleg van die uiterste wil.
4.4.
Ter onderbouwing van hun stelling dat de feiten en omstandigheden niet langer aansluiten bij hetgeen erflaatster kennelijk wenste te regelen in haar testament, verwijzen [eisers] allereerst naar de tekst van de bepalingen, waarin staat ‘
de heer [naam] als mijn echtgenoot’ en ‘
de zoon van mijn echtgenoot’. Erflaatster en de heer [naam] (de vader van [gedaagde]) waren ten tijde van het overlijden van erflaatster inmiddels al 20 jaar gescheiden. Ook stellen [eisers] dat erflaatster [gedaagde] na de scheiding niet meer heeft gesproken of gezien. [eiser 2] heeft erflaatster tijdens de laatste fase van het leven van erflaatster verzorgd omdat zij regelmatig ziek was. Erflaatster heeft ten overstaan van [eisers] echter nooit gesproken over (de inhoud dan wel het bestaan van) haar testament. Erflaatster heeft weleens de wens uitgesproken na haar overlijden een donatie aan Amnesty International te willen doen, maar daar is het niet meer van gekomen. Gedurende het grootste deel van haar leven beschikte erflaatster niet over een vermogen van enige omvang. Haar nalatenschap bestaat vrijwel geheel uit hetgeen zij, kort voor haar overlijden, heeft verkregen uit de nalatenschap van haar ouders, aldus steeds [eisers]
4.5.
[gedaagde] betwist dat het niet de bedoeling van erflaatster kan zijn geweest om [gedaagde] als enig erfgenaam te benoemen. Hij verwijst in dat kader naar de verklaring van zijn vader van 22 april 2001, zie hiervoor onder 2.5. Daaruit volgt dat erflaatster ten tijde van de echtscheiding heeft nagedacht over haar testament en dat zij de bedoeling had dat de erfstelling ten gunste van [gedaagde] ook na echtscheiding zou gelden. Erflaatster heeft immers niet een dergelijke verklaring aan [gedaagde] voorgelegd of haar testament gewijzigd. Ook wordt in het testament ten aanzien van [gedaagde] een ruimere strekking gegeven door de woorden ‘
indien hij niet als erfgenaamkan of wilopkomen’ in vergelijking tot de bepaling ten aanzien van de vader van [gedaagde] waarin ‘
indien hij niet als erfgenaamkanopkomen’ staat. Ook hieruit volgt dat [gedaagde] als erfgenaam wordt aangemerkt. Verder voert [gedaagde] aan dat de relatie met erflaatster altijd goed is geweest. [gedaagde] heeft als kind vijf jaar ook bij zijn vader en erflaatster gewoond. Bovendien heeft erflaatster haar testament pas opgesteld nadat [gedaagde] al een jaar uit huis was. Ten tijde van het opmaken van het testament was dus al geen sprake meer van een gezinssituatie waarbij [gedaagde] bij erflaatster in huis woonde. Ook dit getuigt van een warme en sterke band tussen erflaatster en [gedaagde], aldus steeds [gedaagde].
4.6.
Met [eisers] concludeert de rechtbank dat [gedaagde] niet als erfgenaam van erflaatster moet worden aangemerkt. Niet in geschil is dat de uiterste wil ten gunste van de (ex-) echtgenoot, de vader van [gedaagde], geen werking heeft op grond van artikel 4:52 BW Pro waarin staat dat door echtscheiding de uiterste wil ten gunste van de (ex-) echtgenoot geen werking heeft. Bovendien heeft de vader van [gedaagde] een verklaring van afstand getekend (zie hiervoor onder 2.5). De wet bepaalt echter niets over het gevolg van een echtscheiding voor de uiterste wil ten gunste van stiefkinderen.
4.7.
Uit de bewoordingen van het testament blijkt duidelijk dat het de bedoeling van erflaatster was om haar toenmalige echtgenoot, de vader van [gedaagde], als enig erfgenaam te laten erven. Ook is duidelijk dat erflaatster ten tijde van het opmaken van haar testament de bedoeling heeft gehad de zoon van haar toenmalige echtgenoot, als enig erfgenaam te benoemen indien haar toenmalige echtgenoot niet als haar erfgenaam kan opkomen. Uit de bewoordingen ‘
zoon van mijn echtgenoot’ kan de bedoeling worden afgeleid dat de erfstelling ten gunste van [gedaagde] uitsluitend gold voor de situatie dat zij op het tijdstip van haar overlijden nog met de vader van [gedaagde] gehuwd zou zijn. Daarnaast kent de rechtbank gewicht toe aan het feit dat [gedaagde] in het testament niet bij naam wordt genoemd, maar wordt aangeduid als ‘
zoon van mijn echtgenoot’. Indien het de bedoeling van erflaatster zou zijn geweest om [gedaagde] na echtscheiding van zijn vader, te laten erven, had het voor de hand gelegen om hem onder zijn eigen naam op te nemen in plaats van zijn hoedanigheid als
zoon van mijn echtgenoot. De tekst van het testament biedt verder geen aanknopingspunten voor de door [gedaagde] voorgestane uitleg. Nergens uit blijkt dat de woorden ‘
kan of wil’ een ruimere strekking zouden inhouden op grond waarvan zou kunnen worden afgeleid dat [gedaagde] moet worden aangemerkt als erfgenaam. Dat [gedaagde] een aantal jaren gedeeltelijk bij zijn moeder en gedeeltelijk bij zijn vader en erflaatster heeft gewoond, dat hij - eenmaal uit huis - nog ieder weekend op bezoek kwam en dat het contact ten tijde van het huwelijk van zijn vader en erflaatster goed is geweest, bieden eveneens onvoldoende aanknopingspunten voor de door [gedaagde] voorgestane uitleg. Deze gestelde feiten en omstandigheden hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de echtscheiding van erflaatster en de vader van [gedaagde]. Ook hetgeen na de echtscheiding is gebeurd, biedt daartoe geen aanknopingspunten. De door vader in 2001 afgelegde verklaring (zie hiervoor onder 2.5) is, zo heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling verklaard, opgesteld in het kader van de financiële afwikkeling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Hieruit kan niet worden afgeleid dat erflaatster de bedoeling had [gedaagde] als erfgenaam aan te merken. Het feit dat [gedaagde] niet ook is gevraagd een dergelijke verklaring op te stellen, duidt er veeleer op dat erflaatster er vanuit ging dat dit – naast de verklaring van de vader van [gedaagde] – niet nodig was. Voor de beoordeling is eveneens van belang dat tussen [gedaagde] en erflaatster op het moment van haar overlijden al ruim 22 jaar geen contact meer is geweest.
Slotsom
4.8.
De conclusie is dat [gedaagde] op grond van het testament van erflaatster niet als erfgenaam wordt aangemerkt. De gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] en zijn nakomelingen aan het testament van erflaatster geen rechten kunnen ontlenen is dan ook toewijsbaar.
4.9.
De tweede gevorderde verklaring voor recht verklaart kan eveneens worden toegewezen, in die zin dat dat de nalatenschap van erflaatster dient te worden afgewikkeld overeenkomstig het wettelijk versterferfrecht en eisers de enige wettelijke erfgenamen zijn.
4.10.
De gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad wordt afgewezen, omdat de toegewezen vorderingen als verklaringen voor recht niet uitvoerbaar bij voorraad kunnen worden verklaard.
Proceskosten
4.11.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.970,47

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] en zijn nakomelingen aan het testament van erflaatster geen rechten kunnen ontlenen op grond van artikel 4:46 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW),
5.2.
verklaart voor recht dat de nalatenschap van erflaatster dient te worden afgewikkeld overeenkomstig het wettelijk versterferfrecht en dat eisers de enige wettelijke erfgenamen zijn,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.970,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, bijgestaan door mr. L.M.F. van Dijck, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad, 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531.