Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.[eiser 1],
2.
[eiser 2],
1.De procedure
2.De feiten
3.ERFSTELLING
ONHERROEPELIJKE VOLMACHT TOT VERDELING EN LEVERING
3.Het geschil
- voor recht verklaart dat [gedaagde] en zijn nakomelingen aan het testament van erflaatster geen rechten kunnen ontlenen op grond van artikel 4:46 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), en
- voor recht verklaart dat de nalatenschap van erflaatster dient te worden afgewikkeld overeenkomstig het wettelijk versterferfrecht, en [eisers] tot de enige wettelijke erfgenamen te benoemen,
- althans te oordelen zoals uw rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht.
4.De beoordeling
de heer [naam] als mijn echtgenoot’ en ‘
de zoon van mijn echtgenoot’. Erflaatster en de heer [naam] (de vader van [gedaagde]) waren ten tijde van het overlijden van erflaatster inmiddels al 20 jaar gescheiden. Ook stellen [eisers] dat erflaatster [gedaagde] na de scheiding niet meer heeft gesproken of gezien. [eiser 2] heeft erflaatster tijdens de laatste fase van het leven van erflaatster verzorgd omdat zij regelmatig ziek was. Erflaatster heeft ten overstaan van [eisers] echter nooit gesproken over (de inhoud dan wel het bestaan van) haar testament. Erflaatster heeft weleens de wens uitgesproken na haar overlijden een donatie aan Amnesty International te willen doen, maar daar is het niet meer van gekomen. Gedurende het grootste deel van haar leven beschikte erflaatster niet over een vermogen van enige omvang. Haar nalatenschap bestaat vrijwel geheel uit hetgeen zij, kort voor haar overlijden, heeft verkregen uit de nalatenschap van haar ouders, aldus steeds [eisers]
indien hij niet als erfgenaamkan of wilopkomen’ in vergelijking tot de bepaling ten aanzien van de vader van [gedaagde] waarin ‘
indien hij niet als erfgenaamkanopkomen’ staat. Ook hieruit volgt dat [gedaagde] als erfgenaam wordt aangemerkt. Verder voert [gedaagde] aan dat de relatie met erflaatster altijd goed is geweest. [gedaagde] heeft als kind vijf jaar ook bij zijn vader en erflaatster gewoond. Bovendien heeft erflaatster haar testament pas opgesteld nadat [gedaagde] al een jaar uit huis was. Ten tijde van het opmaken van het testament was dus al geen sprake meer van een gezinssituatie waarbij [gedaagde] bij erflaatster in huis woonde. Ook dit getuigt van een warme en sterke band tussen erflaatster en [gedaagde], aldus steeds [gedaagde].
zoon van mijn echtgenoot’ kan de bedoeling worden afgeleid dat de erfstelling ten gunste van [gedaagde] uitsluitend gold voor de situatie dat zij op het tijdstip van haar overlijden nog met de vader van [gedaagde] gehuwd zou zijn. Daarnaast kent de rechtbank gewicht toe aan het feit dat [gedaagde] in het testament niet bij naam wordt genoemd, maar wordt aangeduid als ‘
zoon van mijn echtgenoot’. Indien het de bedoeling van erflaatster zou zijn geweest om [gedaagde] na echtscheiding van zijn vader, te laten erven, had het voor de hand gelegen om hem onder zijn eigen naam op te nemen in plaats van zijn hoedanigheid als
zoon van mijn echtgenoot. De tekst van het testament biedt verder geen aanknopingspunten voor de door [gedaagde] voorgestane uitleg. Nergens uit blijkt dat de woorden ‘
kan of wil’ een ruimere strekking zouden inhouden op grond waarvan zou kunnen worden afgeleid dat [gedaagde] moet worden aangemerkt als erfgenaam. Dat [gedaagde] een aantal jaren gedeeltelijk bij zijn moeder en gedeeltelijk bij zijn vader en erflaatster heeft gewoond, dat hij - eenmaal uit huis - nog ieder weekend op bezoek kwam en dat het contact ten tijde van het huwelijk van zijn vader en erflaatster goed is geweest, bieden eveneens onvoldoende aanknopingspunten voor de door [gedaagde] voorgestane uitleg. Deze gestelde feiten en omstandigheden hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de echtscheiding van erflaatster en de vader van [gedaagde]. Ook hetgeen na de echtscheiding is gebeurd, biedt daartoe geen aanknopingspunten. De door vader in 2001 afgelegde verklaring (zie hiervoor onder 2.5) is, zo heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling verklaard, opgesteld in het kader van de financiële afwikkeling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Hieruit kan niet worden afgeleid dat erflaatster de bedoeling had [gedaagde] als erfgenaam aan te merken. Het feit dat [gedaagde] niet ook is gevraagd een dergelijke verklaring op te stellen, duidt er veeleer op dat erflaatster er vanuit ging dat dit – naast de verklaring van de vader van [gedaagde] – niet nodig was. Voor de beoordeling is eveneens van belang dat tussen [gedaagde] en erflaatster op het moment van haar overlijden al ruim 22 jaar geen contact meer is geweest.