ECLI:NL:RBAMS:2026:6949

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
13/078137-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38m SrArt. 38n SrArt. 350 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijke vernieling porseleingoederen en oplegging ISD-maatregel

Op 15 maart 2026 vernielde de verdachte opzettelijk een grote hoeveelheid porseleinen artikelen in een porseleinwinkel te Amsterdam, wat leidde tot aanzienlijke schade en overlast. De verdachte werd op camerabeelden herkend en bekende de vernielingen tijdens de zitting, hoewel hij de motieven niet wilde toelichten.

De rechtbank stelde de schade vast op €2.992,89, gebaseerd op de inkoopwaarde van de vernielde goederen, en wees de vordering tot schadevergoeding gedeeltelijk toe. De officier van justitie vorderde een ISD-maatregel van twee jaar vanwege het recidiverisico en het strafblad van de verdachte, die meerdere soortgelijke veroordelingen had.

De rechtbank volgde het advies van de reclassering en deskundige en legde de onvoorwaardelijke ISD-maatregel op, zonder aftrek van voorarrest en zonder tussentijdse toetsing na een jaar. Vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen werden afgewezen. De verdachte werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een ISD-maatregel van twee jaar en gedeeltelijke schadevergoeding van €2.992,89 met wettelijke rente.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/078137-26
Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13/254175-25 en 16/258789-25
Datum uitspraak: 8 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1975,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
op dit moment gedetineerd te: [detentieadres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.F. van Kregten, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.T. Laigsingh, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de deskundige [naam deskundige] , reclasseringswerker, ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 15 maart 2026 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een of meer porseleinen artikelen (met een totale waarde van 7.737,85 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander te weten aan [winkel/benadeelde partij] (gelegen aan het [adres] ) toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde vernieling wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van een bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag. De exacte hoogte van de geleden schade kan namelijk niet worden bewezenverklaard, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte het volgende vast.
Aangeefster [aangeefster] was op 15 maart 2026 aan het werk in het filiaal van [winkel/benadeelde partij] op het [adres] te Amsterdam, toen zij een hoop kabaal uit de winkel hoorde komen. Ze zag op dat moment een man door de winkel lopen die met zijn armen om zich heen sloeg en daarmee verschillende producten kapot maakte. Samen met een collega en een omstander heeft ze de man in bedwang weten te krijgen, waarop de man door de politie is aangehouden.
Op camerabeelden van de winkel is te zien dat een man, die door de verbalisant wordt herkend als verdachte [de verdachte] , de winkel binnenloopt en direct een stellage met goederen omver duwt. Ook wordt gezien dat de man een grote vaas omver duwt en meerdere goederen van een tafel in het midden van de winkel op de grond stuk gooit. Zelfs op het moment dat de man in een worsteling is met een toegesnelde medewerker van de winkel, probeert hij nog gericht verschillende goederen op de grond te gooien.
Verdachte heeft op de zitting van 24 juni 2026 bekend dat hij de man is geweest die de porseleinen goederen in de winkel heeft vernield. Hij heeft verklaard dit opzettelijk te hebben gedaan, vanwege ‘criminele redenen’. Over wat deze redenen precies zijn, heeft verdachte niet verder willen verklaren.
De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de op 15 maart 2026 gepleegde vernieling in het filiaal van [winkel/benadeelde partij] te Amsterdam. Daarbij zal de rechtbank het geleden schadebedrag vaststellen op een bedrag van € 2.992,89, nu uit de uitdraai met schadebedragen, die bij de aangifte is verstrekt, volgt dat dit bedrag de inkoopwaarde is van de vernielde goederen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de
bijlageopgenomen bewijsmiddelen bewezen dat
verdachte:
op 15 maart 2026 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk porseleinen artikelen (met een totale waarde van 2.992,89 euro), die aan [winkel/benadeelde partij] (gelegen aan het [adres] ) toebehoorden, heeft vernield.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft verzocht om de ISD-maatregel niet op te leggen en te volstaan met de oplegging van een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de ISD-maatregel in voorwaardelijke zin op te leggen. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht te bepalen dat, indien de ISD-maatregel wordt opgelegd, er na een jaar een tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel plaatsvindt.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vernielen van een grote hoeveelheid porseleinen goederen in een porseleinwinkel. Vrijwel direct na binnenkomst in de winkel heeft verdachte zoveel mogelijk goederen kapot geslagen en op de grond gegooid. Door deze zinloze vernielingen heeft hij een ongelooflijke ravage aangericht in de winkel en daarmee overlast en schade veroorzaakt. Verdachte heeft zich daarmee zowel letterlijk als figuurlijk gedragen als ‘een olifant in een porseleinkast’; door middel van zijn onbehouwen gedrag heeft hij flinke schade aangericht en laten zien dat hij zich niet heeft bekommerd om de gevolgen van zijn gedrag voor de eigendommen en de werknemers van de porseleinwinkel, die een flinke klus hebben gehad aan het opruimen van de door verdachte veroorzaakte schade.
De persoon van de verdachte
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van verdachte van 19 mei 2026, waaruit volgt dat verdachte al meerdere keren is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Ook heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies betreffende verdachte van 28 mei 2026, waaruit volgt dat de reclassering het recidiverisico als hoog inschat. Er is sprake van een delictpatroon ten aanzien van vernielingen, waarbij het voor de reclassering onduidelijk is gebleven welke risico's of eventuele gedragskenmerken ten grondslag liggen aan het delictgedrag. De reclassering ziet geen mogelijkheden om reclasseringsinterventies binnen een voorwaardelijk kader in te zetten. Verdachte heeft een niet meewerkende houding en de reclassering heeft geen zicht kunnen krijgen op eventuele risicofactoren of beschermende factoren, waardoor er geen plan van aanpak kan worden opgesteld. Om die reden ziet de reclassering ook geen mogelijkheden voor het opleggen van een voorwaardelijke ISD-maatregel en wordt geadviseerd om bij een bewezenverklaring over te gaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Binnen het langdurige en strikte karakter van de maatregel kan er tijdens de intramurale fase mogelijk meer zicht verkregen worden op verdachte en kan hij gemotiveerd worden om zich open te stellen en inzicht te geven over zijn persoonlijke omstandigheden.
De deskundige, mevrouw [naam deskundige] , heeft voornoemd advies op de terechtzitting bevestigd.
De op te leggen maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezenverklaarde aan alle voorwaarden is
voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor
voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan
het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk
veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde
feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen.
Uit het hiervoor genoemde reclasseringsadvies en het strafblad blijkt dat er ernstig rekening
mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Uit het
strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor strafvordering bij
meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer actieve
veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag
worden voor ten minste tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf
maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het in dit vonnis bewezen verklaarde
feit.
Verder is de rechtbank van oordeel dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de
ISD-maatregel bestaat. Eerder opgelegde straffen hebben niet geleid tot het terugdringen van het recidivegevaar. Zoals in het reclasseringsrapport is omschreven, blijkt een voorwaardelijk kader met reclasseringstoezicht, gelet op de niet meewerkende houding van verdachte, niet mogelijk. Ook op de zitting van 24 juni 2026 heeft verdachte geen inzicht willen geven in zijn beweegredenen. Hij heeft enkel verklaard het feit opzettelijk te hebben gepleegd om ‘criminele redenen’, maar heeft niet willen toelichten welke redenen dit zijn. Bij het niet opleggen van de (onvoorwaardelijke) ISD-maatregel bestaat aldus het risico dat verdachte zich vanwege deze zelfbenoemde ‘criminele redenen’ opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van vernielingen. Het belang van de samenleving, dat verdachte geen overlast en schade meer zal veroorzaken, staat nu voorop. De veiligheid van goederen eist daarom de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.
De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie volgen en een ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaar. Om optimaal te kunnen werken aan het terugdringen van recidive en de problematiek van verdachte en de maatschappij te beschermen, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. De tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht, zal om die reden niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te bevelen dat de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel na een jaar tussentijds dient te worden getoetst, als bedoeld in artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn – mede gelet op de houding van verdachte – op dit moment geen aanknopingspunten voor de verwachting dat het recidivegevaar duidelijk eerder dan de op te leggen twee jaren voldoende zal zijn ingedamd. Mochten deze omstandigheden er in een later stadium wel zijn, dan kan door de verdediging alsnog om een tussentijdse toetsing worden verzocht.

8.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [winkel/benadeelde partij] vordert een bedrag van € 3.458,- aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit vernielde handelsgoederen (ter waarde van € 3.108,-) en een vernielde winkeldisplay (ter waarde van € 350,-).
8.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaring in de vordering tot schadevergoeding, nu niet ten aanzien van alle goederen is onderbouwd dat deze ook daadwerkelijk zijn beschadigd. Daarnaast zijn de gevorderde bedragen aan inkoopwaarde van de vernielde goederen volgens de raadsman onvoldoende onderbouwd.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat uit het procesdossier duidelijk blijkt dat [winkel/benadeelde partij] schade heeft geleden als gevolg van het handelen van verdachte. Op de afbeeldingen van de winkel, die bij het procesdossier zijn gevoegd, is immers te zien dat er diverse porseleinen goederen in stukken op de grond liggen. Daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat de opgegeven vernielde goederen ook daadwerkelijk zijn vernield.
In de uitdraai met schadebedragen, die bij de aangifte is verstrekt, staat dat de totale schade vlak na de vernieling op een bedrag van € 2.992,89 aan inkoopwaarde werd geschat. Uit de bijlage bij de vordering tot schadevergoeding volgt dat het totale schadebedrag door [winkel/benadeelde partij] uiteindelijk op een bedrag van € 3.457,89 is vastgesteld. Nu het verschil tussen deze twee bedragen niet nader is toegelicht, zal de rechtbank uitgaan van het aanvankelijk opgegeven schadebedrag van € 2.992,89. De rechtbank zal de vordering tot schadevergoeding daarom ten aanzien van dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 maart 2026 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij wordt voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

9.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen

9.1.
De vorderingen tenuitvoerlegging met parketnummers 13/254175-25 en 16/258789-25
De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 13/254175-25 betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 1 oktober 2025 van de politierechter van deze rechtbank. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een
gevangenisstraf voor de duur van zeven dagen met aftrek, waarvan vier dagen voorwaardelijk en een proeftijd voor de duur van twee jaren.
De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 16/258789-25 betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 3 oktober 2025 van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen dagen met aftrek, waarvan zeven dagen voorwaardelijk en een proeftijd voor de duur van twee jaren.
9.2.
De standpunten van de officier van justitie en de raadsman
De officier van justitie heeft verzocht om de vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen, gelet op de gevorderde ISD-maatregel.
De raadsman van verdachte heeft eveneens verzocht om de vorderingen tenuitvoerlegging af te wijzen, in het geval dat aan verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de proeftijd van de vorderingen tot tenuitvoerlegging te verlengen, in het geval dat er geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel zou worden opgelegd.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel
afwijzen, omdat aan verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd. Hierdoor is de
tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel naar het oordeel van de rechtbank niet opportuun.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 38m, 38n en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[de verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (twee) jaren.
De vordering van de benadeelde partij [winkel/benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van
€ 2.992,89 (tweeduizend negenhonderdtweeënnegentig euro en negenentachtig cent)aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 maart 2026, het moment van het ontstaan van de schade, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [winkel/benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige
niet-ontvankelijkin haar vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [winkel/benadeelde partij] aan de Staat een bedrag van
€ 2.992,89 (tweeduizend negenhonderdtweeënnegentig euro en negenentachtig cent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 15 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 29 (negentwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vorderingen tot tenuitvoerlegging
Wijstde vorderingen tot tenuitvoerlegging in de zaken met de parketnummers
13/254175-25 en 16/258789-25
af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mrs. A.L. op ’t Hoog en C. Işıtman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Bos, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2026.
[--]