ECLI:NL:RBAMS:2026:6950

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
13/303232-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:14 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting ISD-maatregel wegens onbehandelde verslavingsproblematiek en recidivegevaar

De rechtbank Amsterdam heeft op 8 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak betreffende de tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel opgelegd aan de veroordeelde op 10 januari 2025. De ISD-maatregel is opgelegd voor de duur van twee jaar en betreft een plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders. De veroordeelde en zijn raadsvrouw verzochten om de tenuitvoerlegging van deze maatregel tussentijds te beëindigen.

Uit de tussentijdse rapportage van de detentieplaats blijkt dat de veroordeelde vanwege zijn vreemdelingenstatus onder het VRIS-ISD regime valt, waardoor geen extramurale fase of verlof mogelijk is. De behandeling is beperkt tot een intramuraal traject gericht op zijn problematiek en terugkeer naar het land van herkomst. Tot op heden is het niet gelukt om een klinische plaatsing in het land van herkomst te realiseren, mede door het methadongebruik van de veroordeelde en zijn wisselende motivatie om terug te keren. De veroordeelde weigert contact met een gespecialiseerde stichting en heeft geen verblijfsadres aangeleverd.

De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat de ISD-maatregel moet worden voortgezet vanwege het blijvende recidivegevaar en het ontbreken van behandeling. De verdediging voerde aan dat de maatregel feitelijk neerkomt op verkapte detentie zonder concrete behandelmogelijkheden en dat voortzetting niet zinvol is. De rechtbank oordeelde dat de beperkte behandelmogelijkheden niet te wijten zijn aan de detentieplaats, maar aan taalbarrières en de houding van de veroordeelde zelf. Gezien het ontbreken van behandeling en het recidivegevaar is voldaan aan het noodzaakscriterium voor voortzetting van de ISD-maatregel.

De rechtbank besloot daarom de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel voort te zetten tot de einddatum van 25 januari 2027.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de ISD-maatregel af en bepaalt voortzetting tot 25 januari 2027.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/303232-24
Uitspraakdatum: 8 juli 2026
De rechtbank Amsterdam heeft op 10 januari 2025 de maatregel tot plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren opgelegd aan:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land 2] ) op [geboortedag] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
op dit moment gedetineerd te: [detentieplaats 1] ,
hierna: veroordeelde.

1.Procesgang

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:
  • het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 januari 2025, waarbij de ISD-maatregel aan verdachte is opgelegd;
  • het verzoek op grond van artikel 6:6:14, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering van de veroordeelde en zijn raadsvrouw, mr. W.A. Monster, om een tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel;
  • een uittreksel van de Justitiële Documentatie van veroordeelde van 19 mei 2026;
  • een tussentijdse ISD-rapportage van [detentieplaats 1] van 17 juni 2026.
De rechtbank heeft op de zitting van 24 juni 2026 de officier van justitie mr. H.F. van Kregten, veroordeelde, zijn raadsvrouw mr. S. Hakkesteegt, die waarneemt voor mr. W.A. Monster, beiden advocaat te Amsterdam, alsmede de deskundige [naam] , verbonden aan de [detentieplaats 1] , gehoord.

2.Beoordeling

Uit de tussentijdse ISD-rapportage van [detentieplaats 1] van 17 juni 2026 blijkt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende.
Op 23 juni 2025 is veroordeelde in de [detentieplaats 1] geplaatst, in afwachting op uitzetting richting [land 2] . De einddatum van de ISD-maatregel staat op 25 januari 2027. Veroordeelde valt vanwege zijn vreemdelingenstatus onder het regime van de VRIS-ISD, waarbij geen extramurale fase mogelijk is en er geen mogelijkheden zijn voor verlof. Om die reden is alleen een intramuraal traject mogelijk, dat is gericht op de problematiek van veroordeelde. Daarnaast is het traject gericht op de terugkeer naar het land van herkomst. Tot op heden is het echter nog niet gelukt om huisvesting, dagbesteding of een klinische plaatsing te realiseren in [land 2] . Dit is een voorwaarde om repatriëring naar [land 2] mogelijk te maken. Veroordeelde is ook wisselend in zijn motivatie om terug te keren naar [land 2] . Hij wil bijvoorbeeld beslist geen contact met stichting [naam stichting] , die gespecialiseerd is in begeleiding bij een terugkeer naar [land 2] . De reden hiervan wil veroordeelde niet aangeven en blijft hierdoor onduidelijk. Een klinische plaatsing in [land 2] is tot op heden niet gelukt vanwege het methadongebruik van veroordeelde. Vanuit de [detentieplaats 1] is er contact met de Dienst Terugkeer en Vertrek, om de terugkeer naar [land 2] voor te bereiden en het liefst zo spoedig mogelijk uit te voeren. Mocht de ISD-maatregel worden beëindigd, heeft veroordeelde geen huisvesting en is hij onrechtmatig en strafbaar in Nederland met instandhouding van zijn vertrekplicht. Daarom wordt geadviseerd om de ISD-maatregel voort te zetten.
Op de zitting van 24 juni 2026 heeft de deskundige [naam] voornoemd advies bevestigd en aangevuld dat er veel inspanningen zijn verricht om een klinische plaatsing in [land 2] te bewerkstelligen. Een klinische behandeling is nog steeds wenselijk, gelet op de trauma’s en de (verslavings)problematiek van veroordeelde. Veroordeelde heeft bovendien ook geen verblijfsadres in [land 2] aangeleverd, waardoor het aanvragen van een tussentijdse beëindiging van de ISD-maatregel vanuit de PI niet mogelijk is gebleken. Vanwege het feit dat veroordeelde enkel de Poolse taal spreekt, zijn er in de [detentieplaats 1] geen behandelingsmogelijkheden mogelijk die zijn gericht op de problematiek van veroordeelde. Desondanks heeft veroordeelde er zelf voor gekozen om niet te worden teruggeplaatst naar de [detentieplaats 2] , omdat hij het in de [detentieplaats 1] meer naar zijn zin zou hebben.
2.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ISD-maatregel moet worden voortgezet. Vanuit de [detentieplaats 1] zijn veel inspanningen verricht om veroordeelde klinisch te laten plaatsen in [land 2] , maar dit is tot op heden nog niet gelukt. Dit is mede te wijten aan veroordeelde zelf, die geen verblijfsadres in [land 2] heeft aangeleverd. Zonder een klinische behandeling is de kans op recidive en een terugval in middelengebruik reëel. Het is daarmee zowel niet in het belang van veroordeelde, als niet in het belang van de samenleving om de ISD-maatregel tussentijds te beëindigen.
2.2.
Het standpunt van de verdediging
Veroordeelde en zijn raadsvrouw hebben verzocht om de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel te beëindigen. Daartoe heeft de raadsvrouw van verdachte – kort samengevat – aangevoerd dat er feitelijk geen invulling wordt gegeven aan de ISD-maatregel, nu er binnen de [detentieplaats 1] geen behandelingen mogelijk zijn die zijn gericht op de (verslavings)problematiek van veroordeelde. Bij gebrek aan dergelijke concrete behandelmogelijkheden komt de ISD-maatregel feitelijk neer op verkapte detentie. Daarnaast verloopt het verblijf van veroordeelde in de PI goed en kan hij bij vrijlating terecht bij een oom die in [land 1] woont. Daarmee wordt niet voldaan aan het noodzaakscriterium voor voortzetting van de ISD-maatregel. Voortzetting van de ISD-maatregel is immers niet zinvol, nu dit aanzienlijke kosten met zich meebrengt en de beschikbare interventies binnen de PI niet bij kunnen dragen aan een gedragsverandering bij veroordeelde. Ook is de bescherming van de maatschappij geborgd, nu verdachte ongewenst is verklaard en bij beëindiging van de ISD-maatregel niet in Nederland zou mogen verblijven.
2.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de behandeling van de (verslavings)problematiek van veroordeelde binnen de [detentieplaats 1] niet (voldoende) van de grond is gekomen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank echter niet te wijten aan de inspanningen van de [detentieplaats 1] , maar aan de bestaande taalbarrière. Hierdoor zijn de mogelijkheden van gerichte behandelingen beperkt gebleken. Wel bestaat er gelet op de verklaring van de deskundige nog steeds de noodzaak voor een klinische behandeling. De rechtbank is van oordeel dat vanuit de PI meer dan voldoende is ondernomen om een klinische plaatsing in [land 2] te bewerkstelligen. Zo is er contact opgenomen met een kliniek voor geestelijke gezondheidszorg in [land 2] en is veroordeelde daar op de wachtlijst geplaatst. Dit traject is tot op heden moeizaam verlopen. Dit komt deels doordat veroordeelde nog methadon gebruikt, waardoor een opname in die kliniek niet mogelijk is gebleken. Aan de andere kant is veroordeelde ook wisselend in zijn motivatie om terug te keren naar [land 2] . Doordat veroordeelde het contact met stichting [naam stichting] weigert en geen verblijfsadres in [land 2] heeft gegeven, werkt hij naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet consequent mee aan zijn terugkeer.
Omdat veroordeelde geen behandeling heeft gekregen voor de bij hem aanwezige problematiek, is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan het noodzaakscriterium voor voortzetting van de ISD-maatregel. Het recidivegevaar is nog onverminderd aanwezig, nu de (onbehandelde) problematiek van veroordeelde rechtstreeks samenhangt met de door hem gepleegde vermogensdelicten.
Gelet op deze omstandigheden ziet de rechtbank daarom geen ruimte om de ISD-maatregel tussentijds te beëindigen.

3.Beslissing

De rechtbank bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel wordt voortgezet.
Deze beslissing is gegeven door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mrs. A.L. op ’t Hoog en C. Işıtman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Bos, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2026.