ECLI:NL:RBAMS:2026:6990

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
AMS 26/3595
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8.15 Wet voortgezet onderwijs 2020
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen verwijdering leerling wegens toetsfraude

Een leerling uit vwo 5 van een Amsterdamse middelbare school had toetsen voor de laatste toetsweek bemachtigd en verspreid via sociale media. De school verklaarde deze toetsen ongeldig en verwijderde de leerling met een besluit van 5 juni 2026. Verzoekers, de ouders van de leerling, maakten bezwaar en vroegen om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verwijderingsbesluit een discretionaire bevoegdheid betreft, maar dat verwijdering als ultimum remedium moet worden toegepast met een zorgvuldige belangenafweging en deugdelijk gemotiveerd besluit. De school had onvoldoende onderbouwd waarom het incident nog steeds een grote impact heeft en waarom lichtere maatregelen niet volstaan.

De belangen van de leerling, zoals continuïteit van onderwijs, sociale banden en psychologische gevolgen, waren niet adequaat meegewogen. De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en dat het belang van de leerling zwaarder weegt dan dat van de school.

Daarom werd het verwijderingsbesluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar, en werd de school veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekers. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verwijderingsbesluit van 5 juni 2026 wordt geschorst en de leerling krijgt toegang tot school totdat op bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/3595
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoeker 1]en
[verzoeker 2] ,voor hun minderjarige zoon
[naam zoon], uit Amsterdam, verzoekers
(gemachtigde: mr. A. Yandere),
en
het bestuur van de Stichting Openbaar Voortgezet Onderwijs Progresso,verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Brouwer).

Inleiding

In deze mondelinge uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen een beslissing van verweerder tot verwijdering van verzoekers zoon als leerling van Lumion Amsterdam (de school).
Met het bestreden besluit van 5 juni 2026 heeft verweerder de zoon van verzoekers verwijderd [1] van de school
.Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2026. Verzoekers waren aanwezig, bijgestaan door hun zoon en hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook was aanwezig [naam directeur] , directeur van de school.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat deze uitspraak is gedaan naar aanleiding van een verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar. Het oordeel heeft een voorlopig karakter en bindt de rechter die in een eventuele bodemprocedure over het geschil zal oordelen niet.
2. In deze zaak heeft verweerder besloten gebruik te maken van zijn bevoegdheid om [naam zoon] van school te verwijderen naar aanleiding van een (zeer) ernstig incident. De voorzieningenrechter stelt op basis van hetgeen op de zitting naar voren is gebracht de situatie als volgt vast. [naam zoon] is leerling in vwo 5 en volgt al zijn gehele middelbare schoolcarrière onderwijs aan de school. Hij heeft niet eerder een disciplinaire maatregel van de school opgelegd gekregen. [naam zoon] heeft verklaard dat hij zich in een moeilijke periode bevond en dat hij daardoor onvoldoende in staat was zich goed voor te bereiden op de laatste toetsweek, wat bij hem angst voor die toetsweek veroorzaakte. Op de dag voorafgaand aan de toetsweek heeft [naam zoon] gezien dat een docent toetsen in een afgesloten ruimte plaatste. Vervolgens heeft hij met enkele medeleerlingen besproken om die ruimte binnen te gaan. Later die dag heeft een andere leerling van een docent een token gekregen om gebruik te maken van het toilet. Deze token is uiteindelijk bij [naam zoon] terechtgekomen. Met behulp van deze token heeft [naam zoon] de deur van de afgesloten ruimte geopend. Vaststaat dat hij daar ten minste één envelop met toetsen heeft geopend. Dat heeft [naam zoon] ook bekend. Verweerder heeft vastgesteld dat in totaal tussen de vijf en zeven enveloppen met daarin toetsen zijn geopend. Voorts staat vast dat toetsen uit de afgesloten ruimte via sociale media zijn verspreid. [naam zoon] heeft verklaard dat hij foto’s heeft gemaakt en deze uitsluitend aan enkele vrienden heeft doorgestuurd. Als gevolg daarvan heeft verweerder alle betreffende toetsen ongeldig moeten verklaren. De betrokken docenten hebben met spoed vervangende toetsen moeten opstellen, waarna de leerlingen de desbetreffende toetsen opnieuw hebben moeten afleggen. De handelswijze van [naam zoon] heeft ingrijpende gevolgen gehad voor hemzelf, zijn docenten en zijn medeleerlingen.
3. Voor het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is vereist dat sprake is van een spoedeisend belang. Dat daarvan sprake is, is door partijen erkend. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om daarover anders te oordelen.
4. De bevoegdheid van verweerder om een leerling te verwijderen is discretionair van aard. Dat brengt mee dat verweerder bij de uitoefening van die bevoegdheid een zekere beoordelingsruimte toekomt. Die beoordelingsruimte neemt niet weg dat verweerder de verplichting heeft om deugdelijk te motiveren dat aan de norm voor verwijdering is voldaan en dat verwijdering in het concrete geval noodzakelijk en gerechtvaardigd is. Daarbij geldt dat verwijdering van een leerling als ultimum remedium moet worden beschouwd, zodat van verweerder mag worden verwacht dat inzichtelijk wordt gemaakt waarom minder ingrijpende maatregelen niet toereikend zijn. Daarnaast dient het besluit te voldoen aan het evenredigheidsbeginsel. Gelet op de verstrekkende gevolgen die een verwijderingsbesluit heeft voor [naam zoon] , in het bijzonder voor zijn recht op onderwijs en zijn ontwikkeling als minderjarige, zal de voorzieningenrechter het besluit intensiever toetsen.
5. Het bevoegd gezag kan een leerling van school verwijderen. [2] Aangezien het hier een belastend besluit betreft met zeer ingrijpende gevolgen, rust een zware bewijslast en motiveringsplicht op verweerder. De wetgever heeft onmiddellijke verwijdering met name voor ogen gehad bij wangedrag die een ernstige bedreiging vormt voor de orde, rust of veiligheid op de school. [3] Daarbij heeft de wetgever er niet voor gekozen om een limitatieve opsomming te geven, waardoor ieder incident afzonderlijk wordt beoordeeld. In de jurisprudentie wordt onder meer gewezen op gevallen van openlijke geweldpleging tegenover leerkrachten of medeleerlingen [4] , een doodsbedreiging naar een docent toe [5] of het laten afgaan van een brandbom in het schoolgebouw [6] . [7]
6. Verweerder heeft zich met het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat sprake is van een dergelijk zeer ernstig incident om [naam zoon] van school te verwijderen. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat sprake is van een zeer ernstig incident dat nog steeds een grote impact heeft op leerlingen, ouders en medewerkers. Daarnaast stelt verweerder dat als gevolg van dit incident het noodzakelijke vertrouwen tussen school en leerling onherstelbaar is beschadigd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze motivering, gelet op de ingrijpende aard van het besluit, onvoldoende dragend. Reeds om die reden heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen vanwege meerdere motiveringsgebreken. Verweerder heeft namelijk volstaan met het aanvoeren van enkele stellingen, maar heeft deze vooralsnog niet nader onderbouwd. Daar komt bij dat verzoekers gemotiveerd hebben betwist dat het incident nog steeds een grote impact heeft en dat het vertrouwen tussen school en leerling onherstelbaar is beschadigd. Zo heeft [naam zoon] verklaard dat verschillende leerlingen en leraren hem hebben benaderd met de boodschap dat het incident weliswaar ernstig is, maar dat het ook weer goed zou komen. Ook uit het dossier blijkt niet dat het incident op dit moment nog steeds een grote impact heeft. Daarbij komt dat in het besluit op geen enkele wijze de belangen van [naam zoon] zijn benoemd, laat staan afgewogen tegen de ernst van het incident, de belangen van de school en de opgelegde maatregel. Ook op dit punt is het besluit gebrekkig gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid.
7. De directeur heeft ter zitting toegelicht dat het binnentreden in een onbevoegde ruimte en het vervolgens kennisnemen van nog af te nemen toetsen, alsmede het delen daarvan, de integriteit van het toetsproces en de betrouwbaarheid van de school zodanig aantast dat dit naar zijn aard een zeer ernstig incident vormt met een grote impact op medeleerlingen en de school. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij dit ook op school van collega’s heeft vernomen. Daarbij is wel rekening gehouden met de belangen van [naam zoon] , in die zin dat voor hem een nieuwe school is geregeld waar hij na de zomervakantie kan worden geplaatst.
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met deze nadere motivering de geconstateerde motiveringsgebreken niet zijn hersteld. Hoewel de voorzieningenrechter volgt dat het incident de integriteit van het toetsproces heeft aangetast en aanzienlijke gevolgen heeft gehad – in die zin dat leerlingen toetsen opnieuw moesten afleggen en docenten op korte termijn in een weekend nieuwe toetsen moesten opstellen – is niet onderbouwd dat de aanwezigheid van [naam zoon] op school thans nog steeds
een blijvende verstoringvan de orde, rust of veiligheid veroorzaakt. Verweerder heeft daarmee nog altijd onvoldoende gemotiveerd waarom sprake zou zijn van een dermate blijvende impact.
9. Hoewel het binnentreden van een ruimte waarin zich nog af te nemen toetsen bevinden en het vervolgens verspreiden daarvan naar het oordeel van de voorzieningenrechter op zichzelf ernstig is, heeft verweerder ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom niet is volstaan met een lichtere sanctie, zoals een schorsing. De stelling van verweerder dat een schorsing een te lichte sanctie is, omdat deze slechts voor een week kan worden opgelegd en daarom geen afschrikwekkend effect zou hebben, is onvoldoende onderbouwd. Een schorsing is immers al een ingrijpende en voelbare maatregel, waarmee wordt onderstreept dat dergelijk gedrag onacceptabel is en niet zonder gevolgen blijft. Deze maatregel is ook voor andere leerlingen zichtbaar en heeft daarmee een duidelijke signaalwerking. Daarnaast wordt bij een schorsing doorgaans contact opgenomen met de ouders, zodat ook op die manier duidelijk wordt gemaakt dat het gedrag niet wordt getolereerd. Bij een zo ingrijpend besluit als het onderhavige ligt het op de weg van verweerder om dit nader te motiveren en meer inzicht te geven in de gemaakte afweging.
10. Bij de afweging van een passende maatregel dient verder een kenbare belangenafweging te worden gemaakt, waarbij de belangen van [naam zoon] worden betrokken en expliciet worden gewogen. Het regelen van een nieuwe school maakt daarvan weliswaar onderdeel uit, maar vormt slechts één aspect van de belangenafweging en is niet, zoals verweerder heeft gesteld, op zichzelf doorslaggevend. Verweerder had ook de overige belangen van [naam zoon] in de afweging moeten betrekken, zoals de continuïteit van zijn onderwijs, zijn sociale banden met medeleerlingen en leraren, het feit dat sprake is van een eerste incident, de kans dat [naam zoon] of een andere leerling zich opnieuw aan een dergelijk incident zal schuldig maken [8] , dat hij naar het (laatste) examenjaar vwo 6 is bevorderd, dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat andere scholen hetzelfde onderwijsaanbod kunnen bieden, alsmede de mogelijk psychologische gevolgen voor [naam zoon] van de maatregel. Het lag op de weg van verweerder om onderzoek te doen naar deze belangen en deze kenbaar af te wegen tegen de ernst van het incident, de belangen van de school en de opgelegde maatregel. Met wat verweerder ter zitting hierover naar voren heeft gebracht, is de motivering nog steeds ontoereikend, zodat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

Conclusie en gevolgen

11. Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van [naam zoon] bij toewijzing van de voorlopige voorziening vooralsnog zwaarder dan de belangen van verweerder.
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 5 juni 2026 wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dat betekent ook dat verweerder [naam zoon] de toegang tot de school niet langer kan ontzeggen, nu dit onderdeel uitmaakt van het besluit van 5 juni 2026.
13. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekers ook een vergoeding krijgen van hun proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het besluit van 5 juni 2026 wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan verzoekers moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8.15 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
2.Dit volgt uit artikel 8.15 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
4.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 april 2025, ECLI:NL:RVS:2015:1389 en 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3412.
5.Zie de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4757.
6.Zie de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 april 2008, ECLI:NL:RBHAA:2008:BD0171.
7.Voor meer voorbeelden zie ook [naam 1] ,
8.Zie ook P. [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] & [naam 6] ,