Uitspraak
- aan de zijde van [naam 2], [functie 1], [naam 3] en [naam 4], beiden [functie 2], en mr. Lattig.
Rechtbank Amsterdam
De zaak betreft de vraag of de zoon de huurovereenkomst van zijn op 24 juni 2025 overleden vader met woningstichting Rochdale mag voortzetten. De zoon stelt dat hij met zijn vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, maar Rochdale betwist dit en wijst op wettelijke afwijzingsgronden, waaronder onvoldoende financiële draagkracht.
De kantonrechter overweegt dat de zoon onvoldoende heeft aangetoond dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Factoren zoals het frequente reageren op andere woningen, de wens van de vader om zonder zijn zoon te verhuizen, en de huurachterstand van ruim vier termijnen wegen zwaar. De verklaringen van derden zijn onvoldoende concreet.
Daarom wordt de vordering van de zoon afgewezen en wordt hij geacht zonder recht of titel in de woning te verblijven. De huurovereenkomst is geëindigd per 24 december 2025. De ontruiming wordt toegewezen met een termijn tot 1 oktober 2026, waarbij rekening is gehouden met de kwetsbaarheid van de zoon en zijn zorg voor drie kinderen.
De ontruiming wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat geen sprake is van misbruik van recht. De zoon wordt veroordeeld in de proceskosten van Rochdale, begroot op €578,00, met uitvoerbaarheid bij voorraad van deze kostenveroordeling.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen en de ontruiming van de woning wordt toegewezen met een termijn tot 1 oktober 2026.