ECLI:NL:RBAMS:2026:707

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
C/13/25/512-F
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen faillissementsverklaring wegens betwisting opeisbaarheid vordering gegrond verklaard

De besloten vennootschap opposant B.V. is op verzoek van geopposeerde GmbH failliet verklaard. Opposant verzet zich tegen deze faillissementsverklaring en stelt dat geopposeerde geen redelijk belang heeft bij het faillissement en dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Geopposeerde baseert het faillissement op een opeisbare vordering van ruim €1,6 miljoen, welke door opposant wordt betwist.

Tijdens de zitting op 7 januari 2026 zijn de standpunten van partijen en het schriftelijk verslag van de curator besproken. De rechtbank constateert dat er een geschil bestaat over de rekening-courantverhoudingen tussen de aandeelhouders en de opeisbaarheid van de vordering. De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 6 lid 3 Fw Pro niet summierlijk kan worden vastgesteld dat opposant heeft opgehouden te betalen, omdat de vordering betwist wordt en nader onderzoek nodig is.

Daarom verklaart de rechtbank het verzet gegrond, vernietigt het eerdere vonnis van 16 december 2025 en stelt het salaris van de curator vast. De faillissementsprocedure is niet geschikt voor het nader onderzoek dat nodig is om de vordering vast te stellen, wat in een bodemprocedure kan plaatsvinden.

Uitkomst: Het verzet tegen de faillissementsverklaring wordt gegrond verklaard en het eerdere vonnis vernietigd wegens onvoldoende summiere vaststelling van de opeisbaarheid van de vordering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
faillissementsnummer: C/13/25/512-F
uitspraak 14 januari 2026
Op 30 december 2025 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een verzoekschrift, nummer 781140 FT RK 25.1202, van:
de besloten vennootschap
[opposant] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [kvk-nummer] ,
vestigingsadres: [adres] ,
opposant,
- hierna te noemen: [opposant] ,
ingediend door mr. A. Ourhris, advocaat te Velsen,
strekkende tot vernietiging van het vonnis van deze rechtbank van 16 december 2025 waarbij [opposant] op verzoek van:
de vennootschap naar Duits recht
[geopposeerde] GMBH,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
geopposeerde,
advocaat mr. P.C. Veerman,
- hierna te noemen: [geopposeerde] ,
in staat van faillissement is verklaard.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verzoekschrift is behandeld ter openbare zitting van deze rechtbank van 7 januari 2026. Mr. J. Uijldert, (waarnemend) curator is verschenen. Namens [opposant] is de heer [naam 1] , bestuurder, verschenen, bijgestaan door mr. Ourhris. Namens [geopposeerde] zijn de heren [naam 2] en [naam 3] verschenen, bijgestaan door mr. Veerman.
1.2.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken op het faillissement betrekking hebbende, waaronder het inleidende verzoekschrift, het vonnis waartegen verzet, het verzetschrift met producties en het schriftelijk verslag van de curator van 31 december 2025. Partijen hebben hun standpunt ter zitting toegelicht.
1.3.
Het vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten

De rechtbank is uitgegaan van de volgende feiten:
2.1.
[opposant] is failliet verklaard op verzoek van [geopposeerde] . [geopposeerde] is een onroerend goedmaatschappij. [opposant] houdt 40% van de aandelen in [geopposeerde] . De heer [naam 3] , [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] houden ieder 20% van de overige aandelen. De heer [naam 1] (verder: [naam 1] ) is enig bestuurder van [opposant] .
2.2.
[opposant] (in persoon van [naam 1] ) was tot 7 oktober 2025 bestuurder van [geopposeerde] .
2.3.
Uit de gepubliceerde jaarrekening van 2023 blijkt dat de aandeelhouders van [geopposeerde] de volgende rekening-courant verhoudingen hebben met [geopposeerde] :
[naam 3] € 727.533,26
[bedrijf 1] B.V. € 1.240,766,61
[bedrijf 2] B.V. € 675.848,25
[opposant] B.V. € 1.644.562,08
2.4.
[geopposeerde] heeft sinds 2021 geen vastgoed meer in haar portefeuille.

3.Het verzet

3.1.
[opposant] heeft verzocht de faillissementsaanvraag af te wijzen wegens gebrek aan belang, althans misbruik van bevoegdheid. [geopposeerde] heeft geen redelijk belang bij de faillissementsaanvraag. Het faillissement is verzocht omdat de overige aandeelhouders van [geopposeerde] afscheid willen nemen van [opposant] als aandeelhouder. Dat blijkt onder meer uit het feit dat alle overige aandeelhouders ook rekening-courant opnames hebben gedaan bij [geopposeerde] , waarvoor geen schriftelijke overeenkomsten zijn opgemaakt, de opeisbaarheid niet vastligt en dat [geopposeerde] alleen [opposant] tot terugbetaling heeft aangesproken. Verder blijkt uit de brief van 11 november 2025 van mr. Veerman aan [naam 1] dat de overige aandeelhouders de aandelen van [opposant] om niet willen overnemen. Tot slot blijkt uit de balans van de jaarrekening 2023 dat de waarde van de aandelen van [opposant] in [geopposeerde] , na verrekening van de rekening-courant schuld en overige vorderingen, circa € 540.000,00 bedraagt. Gelet op het voorgaande verzoekt [opposant] haar faillietverklaring te vernietigen.

4.Het verweer

4.1.
[geopposeerde] stelt zich op het standpunt dat aan de vereisten voor het uitspreken van het faillissement van [opposant] is voldaan, omdat sprake is van een opeisbare vordering van [geopposeerde] van € 1.644.562,08 en er is sprake van een steunvordering van [naam 3] van € 100.000,00. Beide vorderingen zijn opgeëist, maar [opposant] is niet tot betaling overgegaan. Er is daarom sprake van een toestand waarin [opposant] heeft opgehouden te betalen.
4.2.
Op de overige stellingen van [geopposeerde] – voor zover van belang – zal de rechtbank hierna ingaan.

5.Het standpunt van de curator

5.1.
De curator heeft in het kader van de behandeling schriftelijk verslag uitgebracht. Ter zitting van 7 januari 2026 heeft de (waarnemend) curator verklaard dat de werkzaamheden zijn beperkt vanwege het ingestelde verzet. Er is een stand van de boedel opgemaakt. Er zijn momenteel drie schulden bekend. Een preferente belastingschuld van € 22.656,00. Het kan zijn dat dit een aanslag betreft is die nog niet is vervallen. Naast de concurrente schulden van [geopposeerde] en de lening van [naam 3] zijn geen andere schulden aangemeld.

6.De beoordeling

6.1.
Het verweer is tijdig ingesteld.
6.2.
[opposant] heeft primair gesteld dat [geopposeerde] misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om het faillissement van [opposant] aan te vragen. Van misbruik van procesbevoegdheid is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als [geopposeerde] haar verzoek baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (zie HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, NJ 2012/233). Hiervan is geen sprake.
6.3.
Uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht is gebleken dat tussen de aandeelhouders van [geopposeerde] een geschil is ontstaan over door [naam 1] (in zijn hoedanigheid als bestuurder van [geopposeerde] ) gedane uitkeringen aan [opposant] . Volgens [geopposeerde] heeft [naam 1] in 2022 zonder de overige aandeelhouders daarin te kennen bedragen aan [opposant] uitgekeerd. In reactie hierop hebben de overige drie aandeelhouders een aandeelhoudersbesluit genomen, waarna zij ook gelden van [geopposeerde] uitgekeerd hebben gekregen. Dit om te voorkomen dat [naam 1] nog meer gelden aan [opposant] zou uitkeren en er dan geen gelden meer beschikbaar zouden zijn om bij afwikkeling van de vennootschap af te rekenen met de Duitse belastingdienst. De rechtbank stelt vast dat alle aandeelhouders een rekening-courant verhouding hebben met [geopposeerde] . De opeisbaarheid van de vordering waarop [geopposeerde] de faillissementsaanvraag van [opposant] heeft gebaseerd wordt betwist. Bovendien heeft [opposant] gesteld dat zij na afwikkeling van [geopposeerde] , rekening houdend met alle rekening-courantverhoudingen en de lening van [naam 1] privé, nog een bedrag van € 541.217,00 toekomt.
6.4.
Op grond van artikel 6 lid 3 Fw Pro dient een verzoek tot faillietverklaring te worden afgewezen, indien niet summierlijk blijkt van het bestaan van feiten of omstandigheden, die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zo een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Het betreft hier een summiere toets. Summierlijk blijken betekent dat dit na een kort, eenvoudig onderzoek moet blijken. Er bestaat derhalve geen ruimte voor uitvoerige debatten en over de posities van de betrokkenen en de genoemde toestand moet (betrekkelijk) snel helderheid kunnen worden verkregen. Gelet op de uitvoerige betwisting van de vordering, kan de rechtbank niet summierlijk vaststellen dat sprake is van een vordering van [geopposeerde] op [opposant] . Om een vorderingsrecht van [geopposeerde] vast te stellen is nader onderzoek naar de feiten nodig. De faillissementsprocedure leent zich hier niet voor. Een dergelijk nader onderzoek zou wel plaats kunnen vinden in een bodemprocedure.
6.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat het verzet gegrond moet worden verklaard.
BESLISSING:
De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- vernietigt het vonnis van 16 december 2025;
- stelt het salaris van de curator mr. F.A.E. Diderich vast op € 4.939,41 inclusief btw en verschotten en brengt dit bedrag ten laste van [opposant] .
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.