ECLI:NL:RBAMS:2026:7072

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
11971562 \ CV EXPL 25-16088
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 lid 6 Uitvoeringswet huurprijzen woonruimteArt. 111 lid 2 onder d RvArt. 120 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verhuurder in verzet tegen huurcommissie-uitspraak wegens onduidelijke dagvaarding

De verhuurder heeft zich tot de kantonrechter gewend tegen de uitspraak van de voorzitter van de huurcommissie over de aanvangshuurprijs van een woning. De kantonrechter oordeelt dat de verhuurder tijdig in verzet is gekomen, maar dat de dagvaarding niet voldoet aan de vereisten van artikel 111 lid 2 onder Pro d Rv, omdat de eis en de gronden niet duidelijk zijn vermeld.

De gedaagde heeft aangevoerd dat zij niet weet waartegen zij zich moet verweren, omdat de dagvaarding geen concrete grondslag bevat en geen stukken zijn ingediend ter onderbouwing. De kantonrechter sluit zich hierbij aan en verklaart de verhuurder niet-ontvankelijk. Het late indienen van stukken tijdens de zitting wordt niet toegestaan.

Als gevolg blijft de uitspraak van de huurcommissie in stand. De verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten van de gedaagde, die begroot zijn op €506,00. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is op 19 mei 2026 gewezen door kantonrechter I.M. Bilderbeek.

Uitkomst: Verhuurder wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering en de uitspraak van de huurcommissie blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11971562 \ CV EXPL 25-16088
Vonnis van 19 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigden: mr. J. Wolfrat en mr. T. Lorjé.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 17 december 2025 met producties,
  • de conclusie van antwoord van 2 januari 2026,
  • het tussenvonnis van 16 januari 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen, waarna daarvoor een dag is bepaald.
1.2.
De zaak is besproken tijdens de mondelinge behandeling van 20 april 2026. Hierbij waren partijen aanwezig waarbij [gedaagde] werd bijgestaan door de gemachtigden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, [gedaagde] aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt, die in het procesdossier zijn gevoegd. Vervolgens is om een vonnis gevraagd waarvoor een datum is bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
[gedaagde] huurt sinds 1 december 2024 de woning gelegen aan de [adres] (hierna: de woning) van verhuurder [eiser] . [gedaagde] heeft de huurcommissie verzocht om de aanvangshuurprijs van de woning te toetsen. De voorzitter van de huurcommissie heeft uitspraak (zaaknummer 2503309) gedaan en die is op 31 juli 2025 verzonden aan partijen.
2.2.
[eiser] is het niet eens met de uitspraak van de voorzitter van de huurcommissie en hij heeft zich daarom tot de kantonrechter gewend doormiddel van een verzoekschrift welke op 2 september 2025 is ingediend. Bij beschikking van 13 november 2025 heeft de kantonrechter beslist dat een verkeerde procedure is gekozen en bevolen dat de procedure wordt voorgezet volgende regels die gelden bij dagvaardingsprocedure.
Termijn
2.3.
Op grond van artikel 20 lid 6 Uitvoeringswet Pro huurprijzen woonruimte kan een van de partijen binnen drie weken na verzending van de uitspraak van de voorzitter van de huurcommissie in verzet gaan bij de huurcommissie. De Hoge Raad heeft daarnaast bepaald dat het na een voorzittersuitspraak ook mogelijk is om binnen acht weken in verzet te gaan bij de kantonrechter, zonder eerst verzet in te stellen bij de huurcommissie. [1]
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] met het indienen van het verzoekschrift op 2 september 2025 tijdig in verzet is gekomen tegen de beslissing van de huurcommissie.
[eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering
2.4.
Uit artikel 111 lid 2 onder Pro d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) volgt dat een dagvaarding de eis en gronden dient te vermelden op straffe van nietigheid zoals volgt uit artikel 120 Rv Pro. Weliswaar is [gedaagde] in deze procedure verschenen maar zij heeft aangevoerd dat de inhoud van de vordering van [eiser] onduidelijk is, er geen grondslag bekend is en dat er geen stukken zijn ingediend die zijn vordering onderbouwen.
2.5.
Met [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat de dagvaarding niet voldoet aan de vereisten die artikel 111 lid 2 onder Pro d Rv daaraan stelt. [eiser] heeft in zijn dagvaarding op geen enkele manier duidelijk gemaakt waarom de beslissing van de Huurcommissie niet juist zou zijn. Voor [gedaagde] was het dus niet duidelijk waartegen zij zich diende te verweren. [gedaagde] is dan ook onredelijk in haar belangen is geschaad zodat haar beroep op de niet-ontvankelijkheid slaagt.
2.6.
Dat [eiser] tijdens de zitting stukken heeft meegenomen waaruit de inhoud van de vordering en grondslag zou moeten blijken maakt bovenstaande niet anders. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] de inhoud van de stukken kort bestudeerd waarna zij bezwaar heeft gemaakt omdat deze stukken uitgebreid zijn, gedetailleerd en zij zich hier niet op heeft kunnen voorbereiden. De kantonrechter heeft op de zitting reeds bepaald dat het indienen deze stukken niet is toegestaan omdat deze te laat zijn. Het standpunt van [eiser] dat hij hier niet van op de hoogte was kan hem niet baten omdat hij in het voornoemde tussenvonnis had kunnen lezen dat processtukken tien dagen voor de datum van de mondelinge behandeling ingediend moeten worden.
Conclusie
2.7.
[eiser] wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen. Het gevolg hiervan is dat de voorzittersuitspraak van de huurcommissie van 31 juli 2025 daarom in stand blijft. Terugverwijzen naar de huurcommissie is niet mogelijk.
Proceskosten
2.8.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
506,00

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 506,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Bilderbeek, kantonrechter, bijgestaan door mr. H. Heida, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.
61291

Voetnoten

1.Hoge Raad 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:53.