ECLI:NL:RBAMS:2026:7196

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
89.000401.57
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2:10 SvArt. 6:6:8 SvArt. 6:6:9 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bezwaar tegen uitstel beslissing voorwaardelijke invrijheidstelling

De veroordeelde is bij vonnis van 30 juli 2025 veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. De voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) zou op 2 juli 2026 kunnen plaatsvinden. Het Openbaar Ministerie stelde op 8 mei 2026 de beslissing over het al dan niet verlenen van v.i. uit voor 120 dagen vanwege onvoldoende positief gedrag tijdens detentie.

De veroordeelde tekende bezwaar aan tegen dit uitstel. Zijn raadsman voerde aan dat het Openbaar Ministerie geen duidelijke lijn hanteert over het tijdsbestek waarin gewenst gedrag moet worden getoond en dat de veroordeelde sinds ongeveer acht maanden positief gedrag vertoont, ondersteund door een positief advies van de reclassering.

De rechtbank beoordeelde het bezwaar en oordeelde dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot het uitstel kon besluiten, gelet op de negatieve gedragsgeschiedenis en adviezen van de penitentiaire inrichting en reclassering. Wel vond de rechtbank dat de positieve gedragsverandering onvoldoende was meegewogen en dat het uitstel daarom beperkt moest worden tot 60 dagen.

De rechtbank bepaalde dat het Openbaar Ministerie uiterlijk 31 augustus 2026 een nieuwe beslissing moet nemen over het al dan niet verlenen van v.i., waarbij de veroordeelde de komende periode de gelegenheid krijgt om zijn bijzondere geschiktheid voor terugkeer in de samenleving te tonen.

Deze beslissing werd op 30 juni 2026 in openbare raadkamer uitgesproken door de meervoudige kamer van de Rechtbank Amsterdam.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het uitstel van de beslissing over voorwaardelijke invrijheidstelling wordt ongegrond verklaard, maar het uitstel wordt beperkt tot 60 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
v.i.-nummer : 89.000401.57
parketnummer : 13.121200.24
raadkamernummer : 015168-26
datum zitting : 30 juni 2026
datum beslissing : 30 juni 2026
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8, eerste lid onder b, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie tot het uitstellen van de beslissing over het over het al dan niet verlenen van de voorwaardelijke invrijheidsstelling (v.i.) van:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),
gedetineerd in [naam PI] ,
hierna te noemen: de veroordeelde.
Raadsman: mr. W.B.O. van Soest

1.Procesgang

1.1.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft de veroordeelde bij vonnis van 30 juli 2025 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar met aftrek van voorarrest. [1] Het vonnis is op 14 augustus 2025 onherroepelijk geworden.
1.2.
De veroordeelde komt – gelet op artikel 6:2:10 Sv Pro – in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling op 2 juli 2026.
1.3.
Het Openbaar Ministerie heeft op 8 mei 2026 beslist de beslissing over het al dan niet verlenen van v.i. uit te stellen voor een periode van 120 dagen, te rekenen vanaf 2 juli 2026. De kennisgeving van deze beslissing is op 26 mei 2026 aan de veroordeelde betekend.
1.4.
Het bezwaarschrift tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie zijn beslissing uit te stellen is op 28 mei 2026 op de griffie van de rechtbank ontvangen.
1.5.
Het Openbaar Ministerie heeft op 28 mei 2026 zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
1.6.
De rechtbank heeft op 30 juni 2026 het bezwaarschrift in openbare raadkamer behandeld. Zij heeft de veroordeelde, zijn raadsman mr. W.B.O. van Soest en de officier van justitie mr. R. van Zanten op de raadkamerzitting gehoord.

2.Beslissing Openbaar Ministerie tot uitstel beslissing v.i.

2.1.
Het Openbaar Ministerie heeft de beslissing tot uitstel voor een periode van 120 dagen van de beslissing over het al dan niet verlenen van v.i. als volgt gemotiveerd.
2.2.
De wet bepaalt in artikel 6:2:10 derde Pro lid sub a Sv dat de veroordeelde met zijn gedrag tijdens detentie bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving moet hebben laten zien om in aanmerking voor v.i. te kunnen komen. Of anders gezegd: met positief gedrag kan de veroordeelde v.i. verdienen. Zonder positief gedrag krijgt de veroordeelde geen v.i. Uit de adviezen voor de v.i. blijkt dat de veroordeelde tijdens detentie onvoldoende gewenst gedrag heeft laten zien. Zo heeft hij een flinke reeks aan disciplinaire straffen gehad, waarvan meerdere wegens agressie-/geweldsincidenten. Daarnaast heeft de veroordeelde zich onvoldoende ingespannen voor zijn re-integratie. Pas sinds korte tijd laat hij wat positiever gedrag zien. Met zijn gedrag over de gehele detentieperiode genomen heeft de veroordeelde nog geen bijzondere geschiktheid voor v.i. laten zien.
2.3.
De beslissing over het al dan niet verlenen van v.i. wordt met 120 dagen uitgesteld om de veroordeelde de gelegenheid te geven de komende tijd in de penitentiaire inrichting alsnog over een langere periode gewenst en positief gedrag te laten zien. Enkel bij een sterke en aanhoudende verbetering van zijn gedrag en daadwerkelijke inzet voor een succesvolle re-integratie, is het mogelijk alsnog v.i. te verlenen.

3.Bezwaar van de veroordeelde

3.1.
De veroordeelde heeft bezwaar aangetekend tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie om de beslissing over het al dan niet verlenen van v.i. uit te stellen.
3.2.
De raadsman van de veroordeelde heeft volgende aangevoerd. Het Openbaar Ministerie meent dat de veroordeelde zich nog een langere tijd dient te bewijzen om te kunnen spreken van bijzondere geschiktheid voor deelname aan de v.i. Het besluit maakt niet duidelijk wat het tijdsbestek is waarin een gedetineerde gewenst gedrag moet laten zien om te kunnen spreken van bijzondere geschiktheid. Het Openbaar Ministerie trekt daar geen duidelijke lijn in. Zijn besluitvorming is derhalve onoverzichtelijk. De vraag of de beslissing in redelijkheid is genomen, kan dan ook niet positief worden beantwoord. De veroordeelde heeft om en nabij acht maanden geleden gedragsverandering laten zien, zodanig dat hij niet meer in een conflict is terechtgekomen. De veroordeelde merkt op dat dit vooral het gevolg is van het eindelijk duidelijkheid hebben omtrent zijn strafzaak. Een strafzaak die hem nogal aangreep, tezamen met de verandering van het regime. De reclassering heeft dit ook gezien en is om die reden positief over het verlenen van v.i. De veroordeelde heeft zich ook ingezet om een aantal zaken te regelen als hij vrijkomt. Zo kan hij terecht bij [wooninstelling] in Amsterdam. Ook zal er met hem worden gekeken naar dagbesteding, werk en inkomen. Daaruit blijkt dat de veroordeelde wel degelijk met zijn resocialisatie en re-integratie bezig is en daaruit volgt dan ook zijn bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving.

4.Standpunt van het Openbaar Ministerie

4.1.
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ongegrond is.
5.
Beoordeling
5.1.
De rechtbank dient bij de beoordeling van het bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie de beslissing over het al dan niet verlenen van v.i. uit te stellen – op grond van artikel 6:6:9, eerste lid, Sv – te onderzoeken of het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden beslissing heeft kunnen komen. Het is dus niet aan de rechtbank om tot een geheel nieuwe afweging van de betrokken belangen te komen, maar beoordeeld dient te worden of het Openbaar Ministerie destijds in zijn afweging van de betrokken belangen tot een redelijke beslissing is gekomen, een zogeheten marginale toets.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen – gelet op het advies van 9 april 2026 van de (plaatsvervangend) directeur van de penitentiaire inrichting waar de verdachte staat ingeschreven en het advies van de reclassering van 13 april 2026 – in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen om de beslissing over het al dan niet verlenen van v.i. uit te stellen.
5.3.
De reclassering heeft de bijzondere geschiktheid van de veroordeelde negatief beoordeeld vanwege de dertien disciplinaire sancties wegens fysiek geweld richting medegedetineerden, een negatieve houding tijdens de arbeid, het niet opvolgen van instructies, de dreiging richting het personeel, het verstoren van de orde en diefstal tijdens de arbeid. Het recidiverisico en geweldsrisico worden ingeschat op hoog. De reclassering kan op dit moment niet in schatten in hoeverre de agressieproblematiek ofwel psychische problematiek van invloed zijn op de responsiviteit van de veroordeelde. Hoewel de veroordeelde inmiddels postiever gedrag is gaan vertonen, is het is nog te vroeg om nu al een beslissing over de v.i. te nemen, aldus de reclassering.
5.4.
In de adviezen van april 2026 staat echter ook dat de veroordeelde de laatste weken lijkt in te zien dat het roer om moet qua gedrag en dat hij moet werken aan zijn re-integratie. Waar hij in eerste instantie disciplinaire straffen ontving wegens ruzies en conflicten met geweld met medegedetineerden houdt hij zich nu afzijdig en focust hij zich op zijn eigen ontwikkeling. Hij heeft aangegeven kansen gemist te hebben door zich niet tijdig op te geven voor cursussen gericht op zelfontwikkeling in de penitenitiaire inrichting. Hij heeft zich halverwege maart alsnog aangemeld voor een agressieregulatietraining. [wooninstelling] heeft de toezegging gedaan dat de veroordeelde geplaatst kan worden zodra hij voorwaardelijk in vrijheid gesteld wordt. De veroordeelde heeft aangegeven gemotiveerd te zijn om zich te conformeren aan eventuele bijzondere voorwaarden, aldus de reclassering. Als de veroordeelde aan bepaalde voorwaarden voldoet, staat de (plaatsvervangend) directeur van de penitentiaire inrichting positief tegenover v.i. (met bijzondere voorwaarden die de veroordeelde verder steunen tijdens de v.i.).
5.5.
De veroordeelde komt gezien de genoemde adviezen op dit moment nog niet voor v.i. in aanmerking. De rechtbank is evenwel van oordeel dat het Openbaar Ministerie de positieve gedragsverandering van de veroordeelde onvoldoende heeft meegenomen in zijn afweging van de betrokken belangen en het bepalen van de duur van het uitstel (vier maanden). De rechtbank laat hierbij meewegen dat er een lange wachttijd is voor de agressieregulatietraining die de veroordeelde zou moeten volgen en deze training ook als bijzondere voorwaarde gesteld kan worden bij de v.i. Het zou redelijk zijn geweest – mede gelet op de duur van de v.i. (een jaar) – de beslissing over het al dan niet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling met niet meer dan 60 dagen (na 2 juli 2026) uit te stellen. In zoverre is het bezwaar derhalve gegrond.
5.6.
De beslissing van de rechtbank brengt mee dat het Openbaar Ministerie uiterlijk 31 augustus 2026 een nieuwe beslissing dient te nemen over het al dan niet verlenen van v.i. en mogelijk hierbij te stellen voorwaarden. De veroordeelde kan de komende twee maanden met louter positief gedrag laten zien dat sprake is van bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving en zo zijn v.i. verdienen.

6.Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het bezwaar ongegrond wat betreft de beslissing om de beslissing over het al dan niet verlenen van v.i. met 120 dagen uit te stellen;
  • verklaart het bezwaar gegrond wat betreft de termijn van deze beslissing en beperkt het uitstel van de beslissing tot het al dan niet verlenen v.i. tot een periode van 60 dagen vanaf 2 juli 2026. Dit betekent dat het Openbaar Ministerie uiterlijk 31 augustus 2026 (60 dagen na 2 juli 2026) een beslissing dient te nemen over het al dan niet verlenen van v.i. en hierbij eventueel te stellen voorwaarden.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mr. L.F. Bögemann en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.