ECLI:NL:RBAMS:2026:7225

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
771717
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 lid 1 BWArt. 6:248 lid 2 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtmatigheid opzegging distributieovereenkomst en proceskostenveroordeling

OTCM en [gedaagde] waren partijen bij een distributieovereenkomst voor huidverzorgingsproducten, die stilzwijgend jaarlijks werd verlengd met een opzegtermijn van drie maanden. OTCM vorderde onder meer dat de opzegging door [gedaagde] onrechtmatig was vanwege een te korte opzegtermijn en het ontbreken van een schadevergoeding, en stelde dat [gedaagde] in strijd met de overeenkomst handelde door groothandels te benaderen en klanten te informeren.

De rechtbank overwoog dat de contractuele opzegregeling leidend is en dat OTCM onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op grond van redelijkheid en billijkheid een langere opzegtermijn of schadevergoeding vereist was. De intensivering van de samenwerking en de intentie tot voortzetting waren onvoldoende concreet om de overeengekomen opzegregeling te doorbreken.

Ook de stellingen dat [gedaagde] de verkoop van OTCM zou frustreren en in strijd met exclusiviteits- en geheimhoudingsbepalingen zou handelen, werden niet voldoende onderbouwd. De vorderingen van OTCM werden daarom afgewezen.

OTCM werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [gedaagde].

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de opzegging van de distributieovereenkomst rechtmatig was en wijst de vorderingen van OTCM af, met veroordeling in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/771717 / HA ZA 25-1241
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OTC MEDICAL B.V.,
gevestigd te Wageningen,
eisende partij,
hierna te noemen: OTCM,
advocaat: mr. W.M. Smelt,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.J. Elkhuizen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 juni 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- het tussenvonnis van 15 oktober 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 maart 2026 met de daarin genoemde stukken, waaronder de akte overlegging producties en wijziging van eis van OTCM, en de zittingsaantekeningen van de griffier,
- bericht van partijen van 24 maart 2026 waarin zij hebben medegedeeld dat het niet is gelukt om tot een oplossing van hun geschil buiten rechte te komen en waarin zij de rechtbank vragen om vonnis te wijzen,
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
OTCM is een distributeur van medische hulpmiddelen. Zij vertegenwoordigt diverse merken in de Benelux op het gebied van marketing, sales en distributie.
2.2.
[gedaagde] is opgericht door dermatoloog drs. [naam 1] en haar partner [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [gedaagde] verkoopt huidverzorgingsproducten onder het merk [gedaagde] .
2.3.
Op 14 december 2018 is tussen [gedaagde] en OTCM een distributieovereenkomst gesloten, waarbij OTCM distributeur werd van [gedaagde] in Nederland. Deze overeenkomst (hierna: de distributieovereenkomst of de overeenkomst) luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
“3.1 Leverancier zal gedurende de looptijd van deze overeenkomst binnen het Contractgebied geen andere distributeur voor de Producten aanstellen, maar Leverancier behoudt zich wel het recht voor om de Producten zelf (online) te verkopen […]
3.2
Leverancier zal alle verzoeken om informatie met betrekking tot de Producten van (mogelijke) klanten in het Contractgebied doorleiden aan Distributeur die vervolgens op adequate wijze voor de informatieverstrekking zal zorgdragen. […]
13.1
Deze overeenkomst treedt in werking met ingang van 1 januari 2019 en is gesloten voor een periode van drie jaar, derhalve tot en met me 31 december 2021.
13.2
Na ommekomst van de in lid 1 bepaalde tijd wordt deze overeenkomst telkens stilzwijgend voor een bepaalde tijd van één jaar verlengd, tenzij een partij haar met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden tegen het einde van de bepaalde tijd schriftelijk heeft opgezegd. […]
13.7
Na het eindigen van deze overeenkomst, ongeacht de oorzaak daarvan, zal noch Distributeur gerechtigd zijn tot enige compensatie voor goodwill, verlies aan inkomsten of enige andere vorm van schade die samenhangt met de beëindiging van deze overeenkomst. […]”
Artikel 14 Vertrouwelijkheid Pro
Elke partij zal deze overeenkomst en al hetgeen waarvan zij in verband met het sluiten of de uitvoering van deze overeenkomst kennis krijgt en waarvan zij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs kan vermoeden, op geen enkele wijze aan een derde openbaren, behalve voorzover openbaarmaking noodzakelijk is voor het uitvoeren of geldend maken van de rechten van de openbaarmakende partij uit deze overeenkomst. […]”
2.4.
OTCM ontving aanvankelijk een marge over door haar verkochte producten van [gedaagde] en partijen investeerden gezamenlijk in marketing. In 2023 hebben partijen hun samenwerking in die zin anders vormgegeven dat zij op basis van een zogenoemd shared risk model (door hen aangeduid als shared P&L) zijn gaan samenwerken. P&L staat voor “profit and loss”. Over het jaar 2023 is tussen partijen afgerekend op basis van dit shared P&L model.
2.5.
In de loop van 2024 zijn partijen opnieuw met elkaar in gesprek gegaan over de manier waarop zij hun samenwerking voortaan wensten in te richten.
2.6.
Een e-mail van 5 maart 2024 van [naam 2] van [gedaagde] aan [naam 3] (hierna: [naam 3] ) van OTCM luidt, voor zover hier relevant:
“[…]
Omdat we beiden ‘profijt’ willen hebben van extra investeringen begrijpen
we dat er commitment moet zijn voor langere termijn tav OTC […]”
2.7.
Op 15 maart 2024 heeft [naam 3] namens OTCM per e-mail onder meer ingestemd met een investering van € 250.000,- die OTCM voor marketing zal doen en tot het inkopen door OTCM van minimaal 4,95 miljoen euro aan producten van [gedaagde] voor het jaar 2024. Verder schrijft [naam 3] op 15 maart 2024 per e-mail onder meer het volgende aan [naam 2] :

Investering ATL gezamenlijk:
*wel belangrijke voorwaarde dat we goede totaalmail maken met afspraken
inclusief intentieverklaring samenwerking 2024-2026 […]”
2.8.
[naam 2] reageerde namens [gedaagde] als volgt per e-mail van 15 maart 2024 aan OTCM:
“Wij zijn er wat ons betreft dan.
We zien de samenvatting van de afspraken en intentieverklaring graag tegemoet zodat we het beiden finaal kunnen maken.”
Tot een nadere schriftelijke vastlegging van de gemaakte afspraken in een overeenkomst of ander document is het nooit gekomen.
2.9.
Op 30 juli 2024 heeft [naam 2] van [gedaagde] aan [naam 4] (hierna: [naam 4] ) van OTCM verzocht om alvast de orders te plaatsen voor het eerste kwartaal van 2025 (Q1 2025). Hij schrijft hierover als volgt in zijn e-mail aan [naam 4] :

Ik weet niet of [naam 3] al eea met je heeft besproken maar ik wil OTC erop attenderen dat de orders voor Q1 geplaatst moeten worden.”
2.10.
In reactie hierop heeft OTCM op 31 juli 2024 haar inkooporders voor Q1 2025 en een aparte order voor sun care producten bij [gedaagde] geplaatst.
2.11.
Op 24 september 2024 heeft [gedaagde] de distributieovereenkomst tijdens een bijeenkomst tussen partijen opgezegd (hierna: de opzegging) tegen 31 december 2024 wat schriftelijk werd bevestigd door [gedaagde] per brief van 25 september 2025.
2.12.
Tussen partijen is vervolgens discussie ontstaan over de rechtmatigheid van de opzegging, over de financiële afwikkeling van het samenwerkingsjaar 2024 (op basis van het shared P&L model) en de nog bij OTCM aanwezige voorraad [gedaagde] -producten.

3.Het geschil

3.1.
OTCM vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis en na wijziging van eis:
I. voor recht te verklaren dat als gevolg van de opzegging, althans als gevolg van het niet hanteren van een redelijke opzegtermíjn en het ontbreken van een passend aanbod tot schadevergoeding, sprake is van een tekortkoming zijdens [gedaagde] , althans dat [gedaagde] onrechtmatig jegens OTCM heeft gehandeld;
II. voor recht te verklaren dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen overeengekomen distributieovereenkomst door, in strijd met de in artikel 3 van Pro de distributieovereenkomst overeengekomen exclusiviteit, groothandels te benaderen en te bevoorraden, en in strijd met artikel 14 van Pro de distributieovereenkomst actief klanten van OTCM te benaderen;
III. de veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van de door OTCM geleden schade, begroot op EUR 1.543.360,44, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2024, althans vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;
IV. de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te voldoen binnen zeven dagen na het te wijzen vonnis, vermeerderd met de nakosten ten belope van € 173,-, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is.
3.2.
OTCM stelt hiertoe, samengevat weergegeven, dat [gedaagde] met de wijze waarop zij de distributieovereenkomst heeft opgezegd jegens [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onrechtmatig jegens OTCM heeft gehandeld en daardoor schadeplichtig is geworden. Zij doet daarbij een beroep op de artikelen 6:248 lid 1 en lid 2 BW. De aanvullende eisen van de redelijkheid en billijkheid brachten gelet op de gegeven omstandigheden volgens OTCM namelijk mee dat [gedaagde] een langere opzegtermijn (van minimaal zes maanden) in acht had moeten nemen en/of een aanbod tot het vergoeden van schade aan OTCM had moeten doen zodat zij in staat zou zijn geweest haar restvoorraad te verkopen en nog te profiteren van de aanzienlijke marketinginvesteringen die zij had gedaan. De oorspronkelijk overeengekomen opzegregeling deed geen recht meer aan de intensieve wijze waarop partijen inmiddels samenwerkten. De opzegging door [gedaagde] van de distributieovereenkomst op basis van artikel 13.2 is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
OTCM heeft gerechtvaardigd erop mogen vertrouwen dat de samenwerking langer zou voortduren, gelet op de door [gedaagde] afgegeven intentie, haar verzoek al orders te plaatsen voor Q1 2025 en de aanzienlijke marketinginvesteringen die pas in de daarop volgende jaren terugverdiend zouden worden.
3.3.
Daarnaast stelt OTCM dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in de artikelen 3 en 14 van de distributieovereenkomst door vóór 1 januari 2025 al groothandels te benaderen, uitlevering van producten te vertragen, groothandels rechtstreeks te bevoorraden en door klanten al te informeren over de beëindiging van de samenwerking, met het schadelijke gevolg dat de klanten van OTCM geen producten meer van OTCM wilden afnemen waardoor het voor OTCM onmogelijk werd om haar restvoorraad [gedaagde] - producten te verkopen en zij winstmarge is misgelopen.
3.4.
OTCM begroot haar totale schade op € 1.543.360,44.
3.5.
[gedaagde] voert verweer. Zij stelt dat de distributieovereenkomst rechtsgeldig door haar is opgezegd conform artikel 13.2 van de distributieovereenkomst en dat zij niet gehouden was een langere opzegtermijn in acht te nemen en/of een aanbod te doen tot het betalen van schadevergoeding. [gedaagde] doet ook een beroep op artikel 13.7 van de distributieovereenkomst. Zowel het beroep op de contractuele opzegregeling als het beroep op artikel 13.7 van de distributieovereenkomst kan niet worden doorkruist met een beroep op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW Pro). [gedaagde] verwijst daarbij naar recente rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:763 DPD/Get Moving). Een beroep op de contractuele bepalingen is evenmin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (6:248 lid 2 BW). De uitgesproken intentie om een langer durende samenwerking aan te gaan is niet afdwingbaar en staat niet in de weg aan de rechtsgeldige beëindiging van de overeenkomst zoals [gedaagde] heeft gedaan.
Verder betwist [gedaagde] dat zij de mogelijkheden van OTCM om haar handelsvoorraad [gedaagde] -producten nog te kunnen verkopen heeft gefrustreerd. Het was haar bovendien toegestaan afnemers tijdig in te lichten over de beëindigde samenwerking en dat bestellingen vanaf
1 januari 2025 niet meer via OTCM zouden lopen. Hiermee heeft [gedaagde] niet in strijd gehandeld met de bepalingen uit de distributieovereenkomst, aldus [gedaagde] .
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het geschil tussen partijen ziet op de eerste plaats op de vraag of [gedaagde] de distributieovereenkomst rechtmatig heeft beëindigd en of zij daarbij een langere opzegtermijn in acht had moeten nemen en/of een aanbod aan OTCM had moeten doen tot schadevergoeding. De financiële afrekening tussen partijen over het jaar 2024 (op basis van het shared P&L model), waarover eveneens tussen hen discussie is ontstaan, vormt geen onderdeel van deze procedure.
4.2.
Voorop staat dat tussen partijen een distributieovereenkomst is gesloten die aanvankelijk zag op een initiële periode van drie jaar (artikel 13 lid Pro 1) die nadien telkens stilzwijgend met een jaar is verlengd, waarbij voorzien is in de mogelijkheid tot opzegging van de overeenkomst tegen het einde van ieder kalenderjaar met een in acht te nemen opzegtermijn van drie maanden (artikel 13 lid Pro 2). [gedaagde] heeft de overeenkomst op grond van het bepaalde in artikel 13 lid 2 op Pro 25 september 2024 schriftelijk opgezegd tegen
31 december 2024.
Het toetsingskader
4.3.
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer ECLI:NL:HR:2018:141, ECLI:NL:HR:2024:1709 en ECLI:NL:HR:2025:763) volgt dat een duurovereenkomst met opzegregeling in beginsel opzegbaar is op de wijze waarop dat in die duurovereenkomst is bepaald. Indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van artikel 6:248 lid 1 BW Pro evenwel meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden, waaronder dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat of dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen, dan wel dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Verder kan een beroep op een uit de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid de duurovereenkomst op te zeggen, op grond van artikel 6:248 lid 2 BW Pro naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.
De opzegging door [gedaagde]
4.4.
heeft de overeenkomst op grond van de daarin vastgelegde opzegregeling opgezegd en daarbij de opzegtermijn van drie maanden in acht genomen. Die expliciet overeengekomen regeling met opzegtermijn is in beginsel leidend. Het is aan OTCM om te stellen en onderbouwen dat de contractuele opzegregeling zo moet worden uitgelegd dat de bepaling ruimte laat voor aanvulling (ex artikel 6:248 lid 1 BW Pro). Het standpunt van OTCM dat op grond van redelijkheid en billijkheid niettemin een opzegtermijn van minimaal zes maanden in acht had moeten worden genomen en/of de opzegging gepaard had moeten gaan met een aanbod tot vergoeding van schade kan niet worden gevolgd. Hiertoe is het volgende redengevend.
4.5.
OTCM heeft gewezen op feiten en omstandigheden waaruit volgens haar volgt dat de opzegging van de overeenkomst op basis van hetgeen tussen partijen is overeengekomen (opzegtermijn drie maanden, zonder aanbod tot vergoeding van schade) op grond van de redelijkheid en billijkheid “correctie” behoeft:
  • De intensivering van de samenwerking in 2023 in het zogenoemde P&L model waarbij OTCM een lagere winstmarge ontving dan daarvoor maar beide partijen hun kosten op een gezamenlijke winst- en verliesrekening boekten om vervolgens aan het eind van het jaar de gerealiseerde winst op gelijke basis af te rekenen;
  • De totale duur van de samenwerking van zes jaar;
  • Partijen hebben in het voorjaar van 2024 met elkaar gesproken over het voortduren van hun samenwerking. [gedaagde] heeft daarbij het vertrouwen gewekt dat zij die samenwerking na 2024 wilde voortzetten en continueren. OTCM deed in 2024 dan ook marketinginvesteringen (een ATL-marketing uitgave van EUR 80.329,44 en EUR 20.170,- voor het Circana account) die pas in de jaren na 2024 vruchten konden afwerpen;
  • De omvang van het aantal van [gedaagde] af te nemen producten en het moment waarop OTCM bestellingen bij [gedaagde] moest plaatsen, hebben tot gevolg dat OTCM bij het hanteren van een opzegtermijn van slechts drie maanden bij het einde van de samenwerking met een restant voorraad achter blijft.
Aldus steeds OTCM.
4.6.
De overgang naar het P&L model in 2023 wijst op een intensivering van de commerciële band tussen partijen. OTCM ontving niet langer een marge over de producten die via haar werden verkocht, maar partijen gingen – kort gezegd – kosten delen en vervolgens de winst (en kennelijk ook, als dat zich zou voordoen verlies) delen. Zij gingen dus gezamenlijk risico dragen. De afrekening van de gerealiseerde winst/verlies zou jaarlijks worden gemaakt. Om welke reden dat P&L model dat partijen zijn gaan hanteren een omstandigheid vormt die eraan bijdraagt dat de distributieovereenkomst, vanwege de eisen van redelijkheid en billijkheid, niet langer jaarlijks met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden opzegbaar behoort te zijn (zonder aanbod tot vergoeding van schade), is niet duidelijk geworden.
Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat partijen al gedurende zes jaar samenwerkten. OTCM heeft niet duidelijk gemaakt waarom dat ertoe zou moeten leiden dat de overeengekomen opzegregeling aanpassing behoeft vanwege de eisen van redelijkheid en billijkheid.
4.7.
De gesprekken die partijen in het voorjaar van 2024 hebben gevoerd stonden mede in het licht van de naar beneden bijgestelde “forecast” door OTCM van de te verwachten resultaten over 2024. Niet voor de hand ligt dat [gedaagde] onder dat gesternte – er waren ook fricties over het betalingsgedrag van OTCM, de rapportages van OTCM en de communicatie – bij OTCM vertrouwen heeft gewekt tot een langdurige samenwerking. [gedaagde] heeft onbetwist gesteld dat zij bij de gesprekken die in het voorjaar van 2024 met OTCM zijn gevoerd zich desondanks tot een langer durende samenwerking heeft willen verplichten maar uitsluitend als daar een harde minimale inkoopverplichting van OTCM voor 2025 tegenover stond, welke voorwaarde voor OTCM niet acceptabel was. Uit de tussen partijen gevoerde e-mailcorrespondentie (zie rov. 2.7 en 2.8) blijkt dat de discussie tussen partijen vervolgens is gestokt bij het voornemen een intentieverklaring tot langere samenwerking op te stellen. Aan dat voornemen is echter geen vervolg gegeven. De inhoud en reikwijdte van zo’n intentieverklaring is nooit door partijen geformuleerd. De betekenis van zo’n intentieverklaring voor hetgeen tussen partijen contractueel gold (een jaarlijks opzegbare overeenkomst met een opzegtermijn van drie maanden) is dan ook onduidelijk gebleven. Een intentie om tot een intentieverklaring te komen is van te weinig gewicht om te kunnen bijdragen aan het oordeel dat [gedaagde] schadeplichtig heeft gehandeld door de overeenkomst met inachtneming van de contractuele opzegregeling op te zeggen.
4.8.
De marketinginvesteringen door OTCM en de inkooporders van OTCM bij [gedaagde] in 2024 zijn door OTCM dan ook gedaan in het bewustzijn dat de distributieovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden ook aan het einde van dat jaar zou kunnen eindigen, terwijl aan een intentie om langduriger samen te werken niet op een concrete manier handen en voeten was gegeven.
4.9.
Dat OTCM bij het einde van de distributieovereenkomst op 1 januari 2025 nog over een restvoorraad beschikte is daarvan een gevolg. Verder heeft OTCM niet, althans onvoldoende betwist dat het haar ook na 1 januari 2025 vrij bleef staan [gedaagde] -producten via andere (nieuwe) afzetkanalen aan de man te (blijven) brengen.
4.10.
De slotsom is dat hetgeen OTCM naar voren heeft gebracht niet kan leiden tot de conclusie dat [gedaagde] de distributieovereenkomst op grond van redelijkheid en billijkheid niet met inachtneming van de opzegtermijn van drie maanden en/of zonder aanbod tot vergoeding van schade heeft mogen opzeggen. Of de vordering van OTCM tot vergoeding van schade ook afstuit op artikel 13.7 van de overeenkomst (zoals [gedaagde] betoogt), of dat een beroep van [gedaagde] op artikel 13.7 naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar is (standpunt van ORTCM), behoeft geen bespreking.
4.11.
Voor zover OTCM heeft willen betogen dat opzegging van de overeenkomst door [gedaagde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid sowieso onaanvaardbaar is, ligt in het voorgaande besloten dat OTCM daarin evenmin kan worden gevolgd.
Handelen van [gedaagde] in strijd met artikelen 3 en 14 van de distributieovereenkomst?
4.12.
Artikel 3 houdt Pro in dat [gedaagde] geen andere distributeur naast OTCM zal aanstellen en dat zij informatieverzoeken over haar producten aan OTCM zal doorleiden. Artikel 14 ziet Pro op een geheimhoudingsverplichting ten aanzien van bedrijfsgevoelige informatie zoals bijvoorbeeld gehanteerde winstmarges, (inkoop)prijzen of gehanteerde werkwijzen. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] tijdens de opzegtermijn van drie maanden afnemers heeft ingelicht over het aanstaande einde van de samenwerking met OTCM is niet in strijd met de artikelen 3 en 14 van de distributieovereenkomst.
4.13.
Dat [gedaagde] de verkoop van de restvoorraad van OTCM nog binnen de looptijd van de samenwerkingsovereenkomst is gaan frustreren en zelf aan afnemers van OTCM is gaan leveren of afnemers ertoe heeft bewogen al niet meer van OTCM af te nemen, waardoor OTCM met onnodig veel restvoorraad is blijven zitten en het haar onmogelijk werd gemaakt haar voorraad nog te verkopen, is door [gedaagde] betwist maar vervolgens niet door OTCM van nadere, concrete adstructie en onderbouwing voorzien. Voor nader onderzoek naar de juistheid van de stellingen van OTCM is daarom geen plaats. Hetzelfde geldt voor de door OTCM geuite beschuldiging dat [gedaagde] enerzijds weigerde de voorraad van OTCM terug te nemen terwijl zij wel identieke producten is gaan produceren die zij begin 2025 vervolgens zelf aan de voormalige klanten van OTCM is gaan leveren. Ook deze beschuldigingen aan het adres van [gedaagde] heeft OTCM tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] vervolgens onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd.
Slotsom
4.14.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat het door OTCM gevorderde niet toewijsbaar is en daarom zal worden afgewezen.
Ten aanzien van de proceskosten
4.15.
OTCM is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- betaald griffierecht € 10.487,-
- salaris advocaat € 9.262,- (2 punten × tarief VIII)
- nakosten €
189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 19.938,-.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt OTCM in de proceskosten van € 19.938,- te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als OTCM niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Jansen € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening,
5.3.
verklaart de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, rechter, bijgestaan door mr. C.L. de Rijke, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.