ECLI:NL:RBAMS:2026:7250

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/13/772554
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • R.C.J. Hamming
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 143 lid 2 RvArt. 143 lid 3 RvArt. 27 Faillissementswet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzet tegen verstekvonnis wegens termijnoverschrijding in financieringsgeschil

CMF Finance B.V. sloot in september 2024 een financieringsovereenkomst met [gedaagde 1] B.V., waarbij [gedaagde 2] zich als bestuurder en aandeelhouder borg stelde. Na niet-nakoming van betalingsverplichtingen legde CMF Finance conservatoir beslag op de woning van [gedaagde 2] en startte een procedure die leidde tot een verstekvonnis op 5 februari 2025.

Het verstekvonnis werd op 14 februari 2025 betekend door achterlating aan het adres van [gedaagden]. CMF Finance startte de executie, waaronder de executoriale beslaglegging op de woning. Correspondentie tussen [gedaagde 2], CMF Finance en de hypotheekverstrekker BLG Wonen toonde aan dat [gedaagde 2] op de hoogte was van de executie en een betalingsregeling trof.

Gedaagden stelden het verzet pas op 10 juli 2025 in, terwijl de verzettermijn uiterlijk op 6 mei 2025 was verstreken. De rechtbank oordeelde dat [gedaagden] niet-ontvankelijk is in het verzet wegens termijnoverschrijding. Ook de vorderingen in reconventie werden niet-ontvankelijk verklaard omdat geen aparte beoordeling was gevraagd.

De rechtbank bekrachtigde het verstekvonnis en veroordeelde [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van CMF Finance, vastgesteld op €3.074,00, met veroordeling tot betaling binnen 14 dagen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagden worden niet-ontvankelijk verklaard in het verzet en de vorderingen in reconventie, en het verstekvonnis wordt bekrachtigd met veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/772554 / HA ZA 25-1293
Vonnis in verzet van 1 juli 2026
in de zaak van
CMF FINANCE B.V.,
te Utrecht,
eiseres in conventie,
gedaagde in het verzet,
gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: CMF Finance,
advocaat: mr. A. Melsen,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

te [vestigingsplaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
gedaagden in conventie ,
eisers in het verzet,
eisers in reconventie,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: onttrokken.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de inleidende dagvaarding van CMF Finance van 2 december 2024;
- het verstekvonnis van 5 februari 2025 met zaaknummer C/13/761002 / HA ZA 24-1347;
- de verzetdagvaarding van [gedaagden] van 10 juli 2025 met een eis in reconventie;
- de conclusie van antwoord in reconventie van CMF Finance van 15 oktober 2025.
1.2.
Verder blijkt het procesverloop uit de volgende gebeurtenissen.
1.3.
Op 3 september 2025 heeft de advocaat van [gedaagden] zich onttrokken.
1.4.
Op 4 december 2025 heeft CMF Finance de rechtbank geïnformeerd dat [gedaagde 2] failliet is verklaard bij vonnis van 9 september 2025, en heeft zij de rechtbank om een schorsing van vier weken gevraagd om de curator te kunnen oproepen op grond van artikel 27 van Pro de Faillissementswet. CMF Finance heeft de curator vervolgens opgeroepen bij exploot van 22 december 2025 en herstelexploot van 8 januari 2026.
1.5.
De curator heeft de rechtbank daarna geïnformeerd dat de procedure niet ten laste van de boedel zou worden voortgezet.
1.6.
Op 17 februari 2026 heeft de rechtbank [gedaagde 2] in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag of hij de procedure buiten bezwaar van de boedel wenste voort te zetten. [gedaagde 2] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
1.7.
De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het vervolg van de zaak. CMF Finance heeft daarna gereageerd dat wat haar betreft de procedure kon worden doorgehaald omdat zij kon berusten in het verstekvonnis of, als er wel een vonnis zou volgen, dat er wat haar betreft geen mondelinge behandeling zou hoeven plaatsvinden. [gedaagden] heeft niet gereageerd. Tenslotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
CMF Finance heeft met [gedaagde 1] in september 2024 een financieringsovereenkomst gesloten. [gedaagde 2] heeft zich als bestuurder en enig aandeelhouder verbonden tot terugbetaling van de lening. [gedaagden] heeft niet tijdig aan de betalingsverplichting voldaan.
2.2.
Op 18 november 2024 heeft CMF Finance conservatoir beslag gelegd op de woning van [gedaagde 2] .
2.3.
Op 2 december 2024 heeft CMF Finance [gedaagden] gedagvaard. [gedaagden] is in die procedure niet verschenen, waarna op 5 februari 2025 het verstekvonnis is gewezen. Op 14 februari 2025 is het verstekvonnis aan [gedaagden] betekend door achterlating in een envelop aan het adres van [gedaagden] (de holding houdt kantoor op het woonadres van [gedaagde 2] ).
2.4.
Op 21 februari 2025 is aan onder andere Volksbank N.V. betekend dat het conservatoir beslag van CMF Finance op de woning van [gedaagde 2] executoriaal was geworden.
2.5.
Op 5 maart 2025 schreef BLG Wonen in een brief aan [gedaagde 2] : “(…)
Uw schuldeiser CMF Finance B.V. te Utrecht heeft op 21 februari 2025 door deurwaarderskantoor [naam 1] te [plaats] beslag laten leggen op uw huis(…).
De deurwaarder heeft dit met een zogenoemde overbetekening aan ons laten weten omdat u een hypotheek heeft bij een van de merken van de Volksbank.(…)
Het is belangrijk dat u meteen betaalafspraken maakt met de beslaglegger en ons hierover belt. Wilt u ons vóór 12 maart 2025 laten weten welke afspraken u heeft gemaakt?
2.6.
Op 24 maart 2025 schreef een medewerker van BLG Wonen aan [gedaagde 2] in een e-mail met als titel ‘Beslag op uw woning’: “(…)
Zoals besproken verstuur ik u de contactgegevens van de deurwaarder. Graag ontvang ik van u een kopie van de betaalregeling of afspraak die u treft.
2.7.
Op 8 april 2025 stuurde [gedaagde 2] deze e-mail door aan dhr. [naam 2] van CMF Finance (hierna: [naam 2] ). Op diezelfde datum schreef [gedaagde 2] in een Whatsapp-bericht aan [naam 2] onder verwijzing naar een door hem ontvangen bericht van BLG Wonen: “
Goedemorgen [naam 3] , nog nieuws? Ik moet ze echt antwoord geven. Had ze afgelopen donderdag en vrijdag verteld dat ik al zou reageren namelijk.
2.8.
Op 9 april 2025 stuurde de advocaat van CMF Finance een brief aan [gedaagde 2] met daarin onder meer: “(…)
Bij deze bevestig ik u dat u een betalingsregeling hebt getroffen met CMF Finance BV. U komt deze betalingsregeling momenteel voldoende na. Om die reden zal de executieverkoop van uw woning vooralsnog niet worden voortgezet. Dat kan uiteraard anders zijn als u de betalingsregeling niet meer nakomt.(…)”

3.Het geschil

3.1.
CMF Finance heeft in de verstekprocedure – samengevat – gevorderd dat de rechtbank [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen om een bedrag van € 225.283,58 aan CMF Finance te betalen, vermeerderd met rente en kosten, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
3.2.
In het verstekvonnis zijn de vorderingen van CMF Finance toegewezen, behalve dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn toegewezen tot een bedrag van € 2.901,42.
3.3.
[gedaagden] vordert
in het verzet(i) dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van CMF Finance alsnog worden afgewezen, met veroordeling van CMF Finance in de kosten van het verzet, en
in reconventie, (ii) een verklaring voor recht dat CMF Finance onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade nader op te maken bij staat en (iii) te bevelen dat de executie van het woonhuis van [gedaagde 2] met onmiddellijke ingang wordt gestaakt en de executoriale beslagen op te heffen.

4.De beoordeling

In conventie
4.1.
De rechtbank dient eerst de vraag te beantwoorden of [gedaagden] tijdig verzet heeft ingesteld tegen het verstekvonnis van 5 februari 2025. CMF Finance heeft aangevoerd dat dit niet het geval is en dat [gedaagden] daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4.2.
Artikel 143 lid 2 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering (hierna: Rv) bepaalt dat verzet moet worden ingesteld binnen vier weken na de betekening van het vonnis of van enige kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde (1) in persoon, of (2) na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is. Buiten deze gevallen vangt de termijn waarbinnen het verzet moet worden gedaan op grond van artikel 143 lid 3 Rv Pro aan (3) op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd.
4.3.
Tussen partijen staat vast dat het verstekvonnis op 14 februari 2025 niet aan [gedaagden] in persoon is betekend. Ook staat vast dat CMF Finance met de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis is begonnen door op 14 februari 2025 het verstekvonnis aan [gedaagden] te betekenen door achterlating van het vonnis aan het adres van [gedaagden] en op 21 februari 2025 aan onder andere Volksbank N.V. te betekenen dat het conservatoir beslag van CMF Finance op de woning van [gedaagde 2] executoriaal was geworden. Beoordeeld moet dus worden of [gedaagden] een daad van bekendheid met de aangevangen tenuitvoerlegging van het verstekvonnis heeft gepleegd, als gevolg waarvan de verzettermijn is aangevangen.
4.4.
CMF Finance verwijst in dit kader naar de correspondentie tussen [gedaagde 2] en de hypotheekverstrekker BLG Wonen en contact tussen [gedaagde 2] en (de advocaat van) CMF Finance. CMF Finance heeft onbetwist gesteld dat [gedaagde 2] , na ontvangst van de brief van 5 maart 2025 van BLG Wonen waarin [gedaagde 2] werd medegedeeld dat er beslag was gelegd op zijn woning, contact op heeft genomen met CMF Finance en dat CMF Finance aan [gedaagde 2] toen heeft uitgelegd dat het op 18 november 2024 op zijn woning gelegde conservatoire beslag executoriaal was geworden door het onlangs aan hem betekende verstekvonnis. CMF Finance heeft toen ook aan [gedaagde 2] laten weten dat zij bereid was met haar executoriale titel niets te doen zolang [gedaagde 2] zijn afspraken na zou komen. CMF Finance heeft dit ook bevestigd aan de hypotheekverstrekker zodat deze niet zou overgaan tot opzegging van de hypotheek.
4.5.
Voorgaande uitleg van CM Finance strookt ook met de stukken die zijn overgelegd. Uit de correspondentie na 5 maart 2025 blijkt dat BLG Wonen op 24 maart 2025 aan [gedaagde 2] bewijs vroeg van een betalingsregeling en dat [gedaagde 2] daarna contact op heeft genomen met CMF Finance. Op 8 april 2025 stuurde [gedaagde 2] het e-mailbericht van 24 maart 2025 van BLG Wonen getiteld ‘Beslag op uw woning’ door aan [naam 2] en vroeg [gedaagde 2] aan [naam 2] via WhatsApp wat hij BLG Wonen kon laten weten. De overeengekomen betalingsregeling is door CMF Finance uiteindelijk op 9 april 2025 bevestigd, alsmede dat CMF Finance de executoriale verkoop van de woning van [gedaagde 2] op dat moment niet zou doorzetten. Hieruit blijkt dat [gedaagde 2] niet alleen op de hoogte is geraakt van de executie van het verstekvonnis, maar naar aanleiding daarvan ook in actie is gekomen om een betalingsregeling met CMF Finance te treffen. De stelling van [gedaagden] dat hij pas op 16 juni 2025 met het (bestaan van het) verstekvonnis bekend zou zijn geraakt treft gelet op het voorgaande geen doel.
4.6.
[gedaagde 2] heeft op 8 april 2025 blijk gegeven van bekendheid met de aangevangen tenuitvoerlegging van het verstekvonnis. Aangenomen kan worden dat [gedaagde 2] hierbij handelde namens zowel zichzelf in privé als namens [gedaagde 1] . Het verstekvonnis bevatte immers een veroordeling van zowel [gedaagde 2] als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] probeerde executie van het verstekvonnis te voorkomen. [gedaagde 2] was op dat moment ook enig bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde 1] .
4.7.
Het verzet had daardoor uiterlijk op 6 mei 2025 door [gedaagden] moeten zijn ingesteld. Nu dat pas op 10 juli 2025 is gebeurd, is [gedaagden] niet-ontvankelijk in het verzet. De overige stellingen en weren van partijen in conventie behoeven daarom geen bespreking meer.
In reconventie
4.8.
De niet-ontvankelijkheid in het verzet wegens termijnoverschrijding brengt niet zonder meer mee dat de reconventionele vorderingen ook niet kunnen worden beoordeeld. Indien de betrokken partij te kennen geeft in geval van niet-ontvankelijkheid in het verzet toch beoordeling van zijn reconventionele vordering te wensen, kan het exploot worden aangemerkt als een gewone dagvaarding die een nieuwe procedure inluidt. [1] Een dergelijke stelling heeft [gedaagden] evenwel niet ingenomen in de verzetdagvaarding en na het instellen van de dagvaarding heeft [gedaagden] in rechte nergens op gereageerd, zodat hij ook niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen in reconventie. Gezien dit oordeel komt de rechtbank ook niet toe aan een inhoudelijke bespreking van de reconventionele vorderingen van [gedaagden]
In conventie en reconventie
4.9.
Nu [gedaagden] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zowel conventie als reconventie zal hij worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van CMF Finance.
De proceskosten van CMF Finance worden begroot op:
- salaris gemachtigde
2.885,00
(1 punt × € 2.885,00)
- nakosten
189,00
Totaal
3.074,00

5.De beslissing

De rechtbank
In conventie
5.1.
verklaart [gedaagden] niet-ontvankelijk in het verzet,
5.2.
bekrachtigt het verstekvonnis van 5 februari 2025 met zaaknummer C/13/761002 / HA ZA 24-1347,
In reconventie
5.3.
verklaart [gedaagden] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen,
In conventie en reconventie
5.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van CMF Finance tot dit vonnis vastgesteld op € 3.074,00, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C.J. Hamming en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:585.