ECLI:NL:RBAMS:2026:7287

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
13/025756-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 300 SrArt. 350 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

ISD-maatregel opgelegd voor mishandeling en vernieling door veelpleger met psychiatrische problematiek

Op 24 januari 2026 heeft verdachte in Amsterdam een glazen voorwerp naar het hoofd van het slachtoffer gegooid, wat leidde tot mishandeling en vernieling van eigendommen in een kerkcentrum. De rechtbank sprak verdachte vrij van poging tot zware mishandeling vanwege onvoldoende bewijs van opzet of voorwaardelijk opzet.

De rechtbank achtte mishandeling en vernieling bewezen op basis van bewijsmiddelen en nam het standpunt van de officier van justitie over. Verdachte leed aan ernstige psychiatrische problematiek, waaronder psychotische kwetsbaarheid en middelengebruik, maar was niet volledig ontoerekeningsvatbaar. Daarom werd het handelen in verminderde mate toegerekend.

Gezien het strafblad met meerdere veroordelingen, de ernst van de feiten, de instabiele leefsituatie en het hoge recidiverisico, legde de rechtbank een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar op. De maatregel dient ook om behandeling en repatriëring te faciliteren. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering wegens onduidelijkheid over vertegenwoordiging.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld voor mishandeling en vernieling en krijgt een ISD-maatregel van twee jaar opgelegd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/025756-26
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [Penitentiaire Inrichting] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M.E. Hirdes, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. N.D. de Fluiter, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 24 januari 2026 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen naar voornoemde [slachtoffer] is toegegaan en/of (vervolgens) één of meerdere (glazen) voorwerpen (met kracht) op en/of tegen het hoofd en/of lichaam van voornoemde [slachtoffer] te gooien, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 januari 2026 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld, door één of meerdere (glazen) voorwerpen (met kracht) op en/of tegen het hoofd en/of lichaam van voornoemde [slachtoffer] te gooien;
2.
hij op of omstreeks 24 januari 2026 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk (glazen) voorwerpen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [locatie] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Feit 1 primair (poging tot zware mishandeling) en feit 2 (vernieling) kunnen worden bewezen. De officier van justitie heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair (poging tot zware mishandeling), omdat niet kan worden vastgesteld met welke kracht verdachte de karaf naar aangever heeft gegooid. Ten aanzien van feit 2 subsidiair (mishandeling) en feit 2 (vernieling) heeft de raadsman geen verweer gevoerd.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak van feit 1 primair - poging tot zware mishandeling
Voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling moet worden vastgesteld dat verdachte opzet heeft gehad op het teweegbrengen van zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank ziet in het dossier geen aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake was van ‘voorwaardelijk opzet’ op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Hiervoor is vereist dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever als gevolg van zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bij de beantwoording van de (vervolg)vraag of de aanmerkelijke kans door de verdachte ook bewust is aanvaard, spelen de gedragingen van de verdachte eveneens een rol. Bepaalde gedragingen kunnen namelijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.
Om in deze zaak een aanmerkelijk kans aan te nemen dient het dossier informatie te bevatten over de vorm, het materiaal en het gewicht van de karaf, met welke kracht verdachte de karaf tegen het hoofd van aangever heeft gegooid en op welke manier hij de karaf heeft gegooid. De rechtbank is het met de raadsman eens dat het dossier op die punten onvoldoende informatie bevat. Uit de verklaring van aangever valt slechts op te maken dat verdachte op ongeveer drie meter afstand stond toen hij gooide, dat hij hard boven zijn oor werd geraakt en hoofdpijn had. Het dossier bevat geen letselverklaring en volgens het huisartsenjournaal had aangever geen zichtbaar letsel. Ook uit het letsel kan dus geen informatie over de aard en intensiteit van de gedraging van verdachte worden afgeleid. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet kan worden vaststellen dat er een aanmerkelijke kans was op zwaar lichamelijk letsel. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van feit 1 primair.
3.3.1.
Oordeel over feit 1 subsidiair (mishandeling) en feit 2 (vernieling)
Op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen acht de rechtbank dat feit 1 subsidiair en feit 2 bewezen. Gelet op de standpunten van de officier van justitie en de raadsman behoeft dit oordeel geen nadere motivering.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1. subsidiair.
op 24 januari 2026 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld, door een glazen voorwerp tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te gooien;
2.
op 24 januari 2026 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk (glazen) voorwerpen, die aan [locatie] , toebehoorden heeft vernield.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

6.1.
Standpunt van de verdediging
Verdachte verkeerde gedurende het plegen van de feiten in een psychose en daarom dient hij volledig ontoerekeningsvatbaar te worden verklaard. Verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
6.2.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat dat de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was. Volgens de officier van justitie is verdachte dus strafbaar voor de bewezenverklaarde feiten.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Consult Rechtspleging van 27 februari 2026 van het Nederlands Instituut van Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) waarin de GZ-psycholoog V. Terra aangeeft dat er aanwijzingen zijn voor psychiatrische problematiek (psychotische kwetsbaarheid, kwetsbaar voor manische ontregelingen), middelenproblematiek
(alcohol, cannabis) en trauma gerelateerde problematiek (PTSS). Uit het dossier maakt de rechtbank verder op dat verdachte tijdens en na zijn aanhouding een verwarde indruk maakte op de verbalisanten.
Verdachte verblijft gedurende de voorlopige hechtenis in het PPC. Uit de door de raadsman overgelegde “Psychiatrische beoordeling format voor beoordelend psychiater t.b.v. dwangbehandeling A” blijkt dat verdachte bekend is met recidiverende psychotische episodes, waarbij mogelijk ook een stemmingscomponent speelt. De psychiater adviseert om verdachte bij weigering van medicatie inname onder dwang een antipsychoticum toe te dienen.
Over verdachte is geen Pro Justitia rapportage opgemaakt. De rechtbank acht op grond van het voorgaande aannemelijk dat verdachte ten tijde van de feiten leed aan een psychische stoornis. De rechtbank gaat ervan uit dat de psychische problematiek van verdachte van invloed is geweest op het plegen van de feiten. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat het handelen van verdachte volledig werd gestuurd vanuit een psychose en dat hem daarom geen enkel strafrechtelijk verwijt zou kunnen worden gemaakt. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het bewezenverklaarde in verminderde mate moet worden toegerekend.

7.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

7.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van voorarrest.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de vordering van de officier van justitie tot oplegging van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel af te wijzen en te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf conform het voorarrest. Daarnaast kan eventueel een voorwaardelijke ISD-maatregel worden opgelegd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de duur van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel te beperken tot één jaar en om uiterlijk zes maanden na aanvang van de maatregel de noodzaak van de voortzetting te toetsen.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en vernieling door in een kerkcentrum een glazen karaf tegen het hoofd van aangever [slachtoffer] aan te gooien en meerdere glazen voorwerpen op de grond te gooien. Door zo te handelen in de openbare ruimte heeft verdachte niet alleen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever maar ook gevoelens van onveiligheid gecreëerd.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad van verdachte van 30 maart 2026). Hieruit volgt dat verdachte meermalen is veroordeeld, waaronder voor mishandeling en vernieling.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van GGZ Reclassering Inforsa van 23 maart 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:
Verdachte voldoet inmiddels aan de harde en zachte criteria van de ISD-maatregel. Zijn verblijfsrecht is ingetrokken en hij is ongewenst verklaard. Daarnaast heeft hij een inreisverbod. Er is sprake van ernstige psychiatrische problematiek in combinatie met verslavingsproblematiek. Ook is sprake van een zeer instabiele leefsituatie, het ontbreekt verdachte aan huisvesting, een inkomen en werk. Vanwege zijn status heeft hij hier ook geen recht op. Verdachte is niet behandel- en medicatietrouw en toont geen ziekte-inzicht en ziektebesef. Hij staat hierdoor niet open voor interventies en kan onberekenbaar, agressief en seksueel grensoverschrijdend gedrag vertonen. Het recidiverisico wordt geschat op hoog.
Gelet op het ontbreken van een legale status, de ernst van de problematiek van verdachte en zijn houding, is reclasseringsbemoeienis niet aan de orde. De reclassering adviseert om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Binnen de ISD-maatregel kan verdachte worden geleid naar het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht, waar kan worden ingezet op stabilisatie en behandeling. Daarnaast kan worden ingezet op repatriëring naar [land van herkomst] . Dit is alleen te realiseren indien verdachte hieraan meewerkt. Een gedwongen uitzet naar [land van herkomst] is bij het ontbreken van een geldig legitimatiebewijs niet mogelijk. In Nederland heeft de verdachte geen enkel toekomstperspectief.
De rechtbank neemt de bevindingen en het advies van de reclassering over en maakt die tot de hare.
Ter terechtzitting van 7 mei 2026 heeft [reclasseringsmedewerker] , gehoord als deskundige, haar advies toegelicht en gehandhaafd.
Oplegging van de ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Uit het strafblad van 30 maart 2026 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Uit het strafblad volgt ook dat is voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat is voldaan aan de ‘harde’ ISD-criteria.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook aan de ‘zachte’ ISD-criteria voldoet. Die houden in dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat.
Omdat verdachte niet rechtmatig in Nederland verblijft kan geen invulling worden gegeven aan een reclasseringstoezicht.
In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van personen en goederen de oplegging van de ISD-maatregel eist. Het belang van de samenleving, dat verdachte geen overlast en schade meer zal veroorzaken, staat voorop. Daarbij speelt dat de ISD-maatregel, vanwege de verblijfstatus van verdachte, feitelijk de enige mogelijkheid is om verdachte hulpverlening te bieden. In het kader van de ISD-maatregel kan de terugkeer naar [land van herkomst] worden georganiseerd.
Duur ISD-maatregel
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
Tussentijdse beoordeling
De rechtbank ziet geen aanleiding om de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel tussentijds te toetsen. Mocht dit voor verdachte later alsnog wenselijk zijn, dan staat voor hem de weg van artikel 6:6:14 van Pro het Wetboek van Strafvordering open.

8.Beslag

Onder verdachte is een OV-chipkaart (goednummer [goednummer] ) in beslag genomen.
Deze OV-chipkaart dient te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

9.Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 2.172,52 aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het verzoek tot schadevergoeding is ondertekend door [naam] , voorzitter ‘kerkenraad’.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, omdat uit de vordering niet blijkt of [naam] gemachtigd is om [locatie] rechtens te vertegenwoordigen. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 subsidiair:
mishandeling;
Ten aanzien van feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaar.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
- OV-chipkaart (goednummer [goednummer] )
Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. D. Bode, voorzitter,
mrs. C.M. Degenaar en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 mei 2026.
[…]