ECLI:NL:RBAMS:2026:736

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
13-298058-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Nederlandse verdachte op Europees aanhoudingsbevel wegens illegale drugshandel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 15 januari 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Kantongerecht Braunschweig, Duitsland, gericht op de overlevering van een verdachte met de Nederlandse nationaliteit die wordt verdacht van illegale handel in verdovende middelen.

De verdachte erkende zijn identiteit en Nederlandse nationaliteit. Het EAB betrof een lijstfeit zoals opgenomen in bijlage 1 van de Overleveringswet (OLW), waardoor een onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege kon blijven. De verdachte beriep zich op de garantie van artikel 6, eerste lid, OLW, omdat hij sterke banden met Nederland heeft en zijn straf hier wil uitzitten.

De Duitse autoriteiten gaven een voldoende terugkeergarantie dat de verdachte de opgelegde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in Nederland kan ondergaan. De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en de overlevering daarom wordt toegestaan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de Nederlandse verdachte aan Duitsland toe onder de voorwaarde van een terugkeergarantie voor strafuitvoering in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-298058-25
Datum uitspraak: 29 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 14 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 oktober 2025 door het Kantongerecht (
Amtsgericht) Braunschweig, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] (Libanon),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.C.M. van Dijk, advocaat in Amsterdam.
De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel uitgevaardigd door het Kantongerecht (
Amtsgericht) Braunschweig van 22 september 2025 met dossiernummer 1 Gs 558/25.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [4] Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De
Senior Public Prosecutor of the Braunschweig Prosecutor’s Officeheeft op 12 december 2025 de volgende garantie gegeven:
" (…) She guarantees the defendant that he can serve a prison sentence in the Netherlands without parole, if he so desires, and will transfer him to the Dutch authorities for the purpose of serving the sentence."
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 van de Overleveringswet.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan het Kantongerecht (
Amtsgericht) Braunschweig, Duitsland, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (