Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: ET,
advocaten: mr. W.A. Vader, mr. E.C. Zwemstra en mr. L.L.M. de Vet,
gedaagde partij in conventie,
verzoekende partij in reconventie,
hierna te noemen: GGP,
advocaat: mr. J.D.A. van Lynden.
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
in conventie– samengevat weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
- alle daarop gebaseerde aanmaningen, incasso- en debiteurenmaatregelen, afsluit of stopzettingscommunicatie en andere vormen van klantdruk te staken en gestaakt te houden,
€ 500.000; en
nietmogelijk was. Zo ontstond bij de klanten het beeld dat ET een onbetrouwbare partij is. Bovendien had het kosteloze vertrek grote gevolgen omdat ET hierdoor haar commissie verloor. Dit heeft geleid tot het spoedoverleg in december 2023 (zie 2.5) waar GGP de zogenoemde ET-route heeft geïnitieerd. Vanaf dat moment is de ET-route onderdeel geworden van de onderlinge rechtsverhouding tussen partijen. Klanten die door ET via de ET-route werden afgemeld, konden voortaan vertrekken zonder opzegvergoeding. In de notulen van het overleg staat voorts: “
Fee klantcases kosten draagt Gulf (komen samen tot een oplossing).” Dit betekent dat afmeldingen via de ET-route niet kunnen leiden tot een clawback-vordering van GGP jegens ET. Deze kosten komen immers uitsluitend voor rekening van GGP. Deze afspraken hebben er automatisch toe geleid dat de mutatiebandbreedte van 20% niet langer werd toegepast.
3.2.2. De juridische grondslag voor haar vorderingen, is – aldus ET – de volgende. Partijen hebben in de SOVK, in het addendum bij de SOVK en op 12 december 2023 duidelijke afspraken gemaakt. Uit artikel 2 van Pro de SOVK volgt dat GGP geen rechtstreeks contact mag opnemen met de ET-klanten, zonder toestemming van ET. Op 12 december 2023 is de ‘ET-route’ geïnitieerd en zijn eveneens afspraken gemaakt. Op grond van artikel 3 van Pro de SOVK moet GGP aan ET informatie verstrekken om de commissie en de rechtmatigheid van de verrekeningen te kunnen beoordelen en om die verrekeningen inzichtelijk te maken. GGP komt al deze afspraken niet na. Hierdoor schiet zij toerekenbaar tekort en handelt zij onrechtmatig. Daarnaast geldt dat de opzegvergoeding die GGP aan ET-klanten in rekening brengt niet voldoet aan de wettelijke eisen, zo volgt uit het ACM besluit en de uitspraak van rechtbank Den Haag.
Bij een afwijkende afname ongeacht reden vindt een verrekening plaats. (…)” is hiermee in strijd en dus nietig. Artikel 3 bepaalt Pro immers dat bij een afwijkende energieafname een verrekening ten nadele van ET plaatsvindt, ongeacht de reden, dus ook in alle gevallen waarin de niet-uitvoering van de leveringsovereenkomst wel aan GGP kan worden toegerekend. Ook hierdoor bestaat dus voor de clawback-vordering van GGP geen grondslag, hetgeen eens te meer onderstreept dat GGP zich niet op verrekening kan beroepen, waardoor de geldvorderingen van ET in dit kort geding toewijsbaar zijn.
niettussentijds worden beëindigd en dat is wel gebeurd. ET heeft dus geen recht op dit bedrag. Het is GGP verder in het geheel niet duidelijk waarop het bedrag van € 2.042.887,69, dat primair wordt gevorderd, is gebaseerd.
in reconventieET bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen aan GGP een afschrift te verstrekken van alle tussen ET en Clean Energy gesloten overeenkomsten die betrekking hebben op alle aansluitingen die ingevolge de opdracht van 11 februari 2026 per 1 juni 2026 naar Clean Energy zijn overgestapt of per 1 januari 2027 zullen overstappen, met inbegrip van alle bijlagen en nadere afspraken over vergoedingen. Daarnaast vordert zij een afschrift van alle bankafschriften van ET waarop betalingen en ontvangsten van Clean Energy zichtbaar zijn met betrekking tot de hiervoor bedoelde klanten, over de periode vanaf 1 januari 2024 tot aan de datum van dit vonnis. Tot slot vordert zij aan de veroordelingen dwangsommen te verbinden en ET te veroordelen in proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
in conventieen
in reconventiewordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4.De beoordeling
● Punt uit collectieve switchen(…)◦ Fee klantcases kosten draagt Gulf (komen samen tot een oplossing)◦ Klanten mogen enkel in of uithuizen met per mail akkoord van @ [naam 1]4.7. Over
vordering (1), het niet in rekening brengen van opzegvergoedingen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Dat in beginsel opzegvergoedingen in rekeningen mogen (of mochten) worden gebracht door GGP is erkend door ET, sterker nog, dit was ook in haar belang omdat dit haar (mede) in staat stelde zoveel mogelijk klanten te behouden waarvoor zij commissie ontving. Dat GGP niet (eenzijdig) mag beslissen of bij ET-klanten een opzegvergoeding in rekening wordt gebracht baseert ET allereerst op de SOVK. Afgezien dat niet vast staat of GGP partij is bij deze overeenkomst, valt een dergelijk verbod niet terug te lezen in de SOVK. Voor zover ET zich beroept op e-mailcorrespondentie waaruit zou moeten blijken dat GGP dit niet eenzijdig zou mogen beslissen (zie de punten 71 en 72 van de dagvaarding) geldt voorshands dat hieruit alleen volgt dat alleen ET mag beslissen om
geenopzegvergoeding in rekening te brengen. De zogenoemde ET-route, die is afgesproken op 12 december 2023, hield voorshands ook in dat alleen ET mocht beslissen dat een klant tussentijds en zonder het betalen van een opzegvergoeding mocht vertrekken. Al met al staat dus onvoldoende vast dat GGP (thans) geen opzegvergoedingen in rekening zou mogen brengen. Anders dan ET stelt volgt dit ook niet uit het ACM besluit of de aangehaalde uitspraak van de rechtbank Den Haag. Hieruit volgt dat GGP opzegvergoedingen niet steeds op de juiste wijze heeft berekend met als gevolg dat GGP deze in dat geval niet in rekening mag brengen. Maar dit betekent niet dat GGP gehouden is ten opzichte van ET geen opzegvergoedingen bij de eindgebruikers in rekening te brengen. Vordering (1) kan bij deze stand van zaken niet als voorlopige voorziening worden toegewezen.
vordering (2), een verbod voor GGP om rechtstreeks contact op te nemen met ET-klanten, heeft ET zich eveneens gebaseerd op de SOVK. Ook hier geldt dat niet vast staat of GGP partij is bij deze overeenkomst en dat het desbetreffende verbod (zoals geformuleerd in punt 2 van de SOVK) zich tot Flink richt. Dat GGP zich gebonden acht een of meer specifieke bepalingen uit de SOVK betekent niet zonder meer dat verplichtingen die op Flink rusten één op één (ook) gelden voor GGP. Uit de e-mailcorrespondentie waarop ET zich in dit verband baseert (zie punt 67 van de dagvaarding) volgt niet dat GGP zich heeft gecommitteerd om in het geheel geen contact op te nemen met ET-klanten. Hieruit volgt hooguit dat GGP heeft toegezegd niet rechtstreeks met ET-klanten te communiceren over het ‘uitswitchen’ en over het al dan niet in rekening brengen van een opzegvergoeding. Tot slot is in dit kader van belang dat GGP voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het haar als energieleverancier (uiteraard) niet verboden kan worden contact op te nemen met de eindgebruikers. Vordering (2) wordt bij deze stand van zaken afgewezen.
◦ Fee klantcases kosten draagt Gulf (komen samen tot een oplossing)– kan de voorzieningenrechter dat niet, en zeker niet met voldoende zekerheid, afleiden. Dat GGP de clawback-vordering over het jaar 2023 heeft gecrediteerd, betekent niet dat zij een dergelijke vordering niet mag instellen over de daaropvolgende jaren. Dat de clawback-vordering over de jaren 2024 en 2025 nog niet is gefactureerd, maakt niet dat GGP dit niet alsnog zou mogen doen. Dat GGP geen voorafgaand overleg heeft gepleegd over de verrekeningen en/of heeft nagelaten voldoende inzicht te geven in de relevante stukken om de clawback-vorderingen te kunnen beoordelen, is geen reden om op voorhand een algemeen verbod op verrekening uit te spreken. Ter zitting heeft ET nog aangevoerd dat tussen GGP en ET principaal-agentuurverhouding verhouding bestaat en dat dit maakt dat bepaalde bepalingen uit de SOVK nietig zouden zijn. Naast dat het in strijd met de goede procesorde is om in een procedure als onderhavige, met circa 800 pagina’s, voor het eerst bij de mondelinge behandeling deze nieuw grondslag aan te dragen, leidt het ook niet tot toewijzing van de vordering. Daarvoor is hetgeen aangevoerd onvoldoende.
in conventiein het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van GGP worden begroot op:
in reconventiein het ongelijk gestelde partij moet GGP de proceskoten van ET betalen. Gezien de samenhang met het geding in conventie worden deze kosten begroot op nihil.
5.De beslissing
mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.