ECLI:NL:RBAMS:2026:7382

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
C/13/790102
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 7:426 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen intermediair tegen energieleverancier inzake opzegvergoedingen en communicatie

Energy Trust B.V. (ET), een intermediair op de zakelijke energiemarkt, vordert in kort geding tegen energieleverancier GGP B.V. een verbod op het in rekening brengen van opzegvergoedingen aan klanten, een verbod op rechtstreeks contact met klanten, betaling van openstaande gelden en een verbod op verrekening van vorderingen. De vorderingen zijn gebaseerd op een samenwerkingsovereenkomst (SOVK) tussen ET en Flink Nederland B.V., en afspraken gemaakt in een overleg van december 2023.

De rechtbank constateert dat de contractuele verhoudingen tussen partijen onduidelijk zijn, met name omdat GGP niet partij is bij de SOVK en de afspraken in de SOVK en het addendum niet helder zijn. De voorzieningenrechter oordeelt dat ET onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat GGP geen opzegvergoedingen mag rekenen of dat GGP geen contact met klanten mag hebben. Ook zijn de geldvorderingen niet klip en klaar en is het verbod op verrekening niet toewijsbaar.

De rechtbank wijst alle vorderingen van ET af en veroordeelt ET in de proceskosten. Ook de reconventionele vorderingen van GGP tot inzage in contracten en bankafschriften worden afgewezen. De uitspraak benadrukt dat een bodemprocedure nodig is om de complexe geschillen over de samenwerking en financiële afwikkeling definitief te beslechten.

Uitkomst: Alle vorderingen van Energy Trust worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/790102 / KG ZA 26-560 MK/MV
Vonnis in kort geding van 10 juli 2026
in de zaak van
ENERGY TRUST B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij in conventie bij dagvaarding van 1 juli 2026,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: ET,
advocaten: mr. W.A. Vader, mr. E.C. Zwemstra en mr. L.L.M. de Vet,
tegen
GGP B.V.,
te Rotterdam,
gedaagde partij in conventie,
verzoekende partij in reconventie,
hierna te noemen: GGP,
advocaat: mr. J.D.A. van Lynden.

1.De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 7 juli 2026 heeft ET de dagvaarding toegelicht. GGP heeft mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd, en een vordering in reconventie ingesteld. ET heeft de vordering in reconventie bestreden. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
aan de zijde van ET: [naam 1] , [functie 1] , met mrs. Vader, Zwemstra en De Vet;
aan de zijde van GGP: [naam 2] , [functie 2] , met mr. Van Lynden.
Na verder debat en een schorsing is vonnis bepaald op 10 juli 2026.

2.De feiten

2.1.
ET is een intermediair op de zakelijke energiemarkt. GGP (in december 2025 overgenomen door Eneco) is een energieleverancier voor (klein)zakelijke afnemers. Sinds 2019 brengt ET klanten onder bij GGP. Sinds september 2020 is Flink Nederland B.V. (hierna Flink) daarbij betrokken als schakel in de uitvoeringsstructuur en bij de administratieve en financiële afhandeling.
2.2.
Op 20 oktober 2020 hebben ET en Flink (toen nog genaamd NRG Consultancy B.V.) een “Samenwerkingsovereenkomst tot bemiddeling van overeenkomsten tot levering van gas en/of elektriciteit” gesloten (hierna de SOVK). In de SOVK staat – kort gezegd – het volgende. Flink en ET zijn beide intermediairs op de zakelijke energiemarkt. Flink zal optreden als intermediair tussen ET en GGP. De klant verstrekt aan ET een volmacht op basis waarvan ET namens die klant een of meerdere leveringsovereenkomsten voor gas en/of elektriciteit kan aangaan. ET zal de bij GGP aangebrachte klanten niet afmelden vóór de einddatum van het contract, tenzij anders tussen Flink, ET en GGP besproken en akkoord bevonden. Het is Flink niet toegestaan klanten van ET te benaderen, zonder schriftelijke toestemming van ET. ET ontvangt een commissie van GGP (via Flink) voor elke klant die zij bij GGP onderbrengt, berekend op basis van het daadwerkelijk verbruik van de klant. Van die commissie wordt bij aanvang 75% als voorschot betaald op basis van het verwachte gebruik van de klant gedurende de looptijd van de overeenkomst. De resterende 25% wordt per kwartaal afgerekend. Indien het daadwerkelijke gebruik van de klant afwijkt van het verwachte gebruik (ongeacht de reden hiervoor) dient verrekening plaats te vinden, waar mogelijk met toekomstige commissie (door partijen ook aangeduid als “clawback-vorderingen”). Per kwartaal moeten eventuele verrekeningen inzichtelijk worden gemaakt door een vergelijking te maken tussen het verwachte gebruik en het daadwerkelijke gebruik.
2.3.
Verder gold dat klanten gedurende de looptijd van een overeenkomst niet kosteloos konden overstappen naar een andere leverancier. Binnen een bandbreedte van 20% van het totale energieverbruik van de ET-portefeuille mocht ET klanten desalniettemin toestemming geven de overeenkomst tussentijds te beëindigen, zonder dat zij een opzegvergoeding waren verschuldigd aan GGP.
2.4.
In maart 2022 heeft GGP, onder verwijzing naar de oorlog in Oekraïne en de volatiliteit in de markt, eenzijdig de contractvoorwaarden van klanten uit de ET-portefeuille gewijzigd en rechtstreeks aan de klanten bericht dat zij om die reden de overeenkomst tussentijds kosteloos, dus zonder opzegvergoeding, mochten beëindigen.
2.5.
Op 12 december 2023 heeft een overleg plaatsgevonden tussen GGP, ET en Flink naar aanleiding van deze berichten aan klanten van ET dat zij hun overeenkomst kosteloos tussentijds mochten beëindigen. Van dit overleg zijn notulen gemaakt (productie 10 van ET). Onder meer is afgesproken dat alle af- en aanmeldingen met betrekking tot de ET-portefeuille exclusief via ET en met een akkoord van ET moesten verlopen. Partijen hebben dit de ‘ET-route’ genoemd. Klanten die via de ET-route worden afgemeld kunnen tussentijds kosteloos vertrekken na een akkoord van ET.
2.6.
Op 10 januari 2024 is met betrekking tot de SOVK een addendum gesloten tussen Flink en GGP. Hierin heeft GGP onder meer de afspraak bevestigd dat zij 75% van de commissie vooruitbetaalt.
2.7.
Omdat GGP zich – in de visie van ET – in de periode 2024/2025 niet aan de afspraken hield (onder meer gemaakt op 12 december 2023, zie 2.4) heeft ET op 11 februari 2026 1.030 aansluitingen uit haar portefeuille ondergebracht bij Clean Energy, een andere energieleverancier.
2.8.
Naar aanleiding hiervan heeft de advocaat van GGP bij brief van 2 maart 2026 aanspraak gemaakt bij ET op een clawback-betaling van € 1.519.468. Bij brief van 17 april 2026 van de (toenmalige) advocaat van ET is deze clawback-aanspraak betwist en heeft ET GGP gesommeerd om het op dat moment zichtbare tegoed van € 1.767.111 te voldoen. Bij brief van 24 april 2026 heeft GGP haar standpunt gehandhaafd. Bij brief van 4 juni 2026 heeft ET GGP gesommeerd om het rechtstreeks benaderen van ET-klanten en het aanzeggen van opzegvergoedingen te staken. Bij brief van 5 juni 2026 heeft GGP geweigerd aan deze sommatie te voldoen. Op 25 juni 2026 is GGP begonnen met het incasseren van opzegvergoedingen bij klanten van ET.

3.Het geschil

3.1.
ET vordert
in conventie– samengevat weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1) vorderingen met betrekking tot het in rekening brengen van opzeg vergoedingen aan de Klanten uit de ET-portefeuille
primair:
verbod in rekening brengen van opzegvergoedingen aan de Klanten uit de ET-portefeuille
I. GGP te verbieden om vanaf de datum van dit vonnis aan Klanten uit de ET­portefeuille opzegvergoedingen in rekening te brengen, te incasseren, te verrekenen of als verschuldigd te presenteren, en GGP te gebieden
- alle daarop gebaseerde aanmaningen, incasso- en debiteurenmaatregelen, afsluit­ of stopzettingscommunicatie en andere vormen van klantdruk te staken en gestaakt te houden,
- alle aan deze opzegvergoedingen gerelateerde facturen, aanmaningen, incasso-opdrachten, debiteurenmaatregelen, afsluitdreigingen en stopzettingsberichten in te trekken, alle door of namens GGP ingeschakelde derden te instrueren hun daarop gerichte werkzaamheden onmiddellijk te staken, en de betrokken Klanten schriftelijk te rectificeren dat zij deze opzegvergoedingen niet aan GGP verschuldigd zijn, en reeds geïncasseerde, verrekende of betaalde opzegvergoedingen terug te betalen dan wel te crediteren,
subsidiair:
verbod in rekening brengen van opzegvergoedingen totdat in een bodemprocedure of door een onafhankelijke deskundige over de rechtmatigheid is beslist
II. GGP te verbieden om de onder V. (vrz leest I.) bedoelde handelingen te verrichten totdat in een bodemprocedure is beslist over de rechtmatigheid van het opleggen van de desbetreffende opzegvergoedingen, dan wel totdat een door de rechtbank aan te wijzen onafhankelijke deskundige heeft geoordeeld over de rechtmatigheid van de in rekening gebrachte en nog in rekening te brengen opzegvergoedingen, althans tot een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen moment,
2) vorderingen met betrekking tot rechtstreeks contact met Klanten uit de ET­portefeuille
primair:
verbod op rechtstreeks contact met Klanten uit de ET-portefeuille
I. GGP te bevelen om vanaf de datum van dit vonnis te staken en gestaakt te houden iedere rechtstreekse communicatie met Klanten die door ET bij GGP zijn aangebracht, waaronder in ieder geval begrepen, de beëindiging van de leveringsovereenkomst, het al dan niet verschuldigd zijn van een opzegvergoeding, de hoogte van een opzegvergoeding en/ of enige andere wijziging in de rechtspositie van deze Klanten,
subsidiair:
verbod rechtstreeks contact met Klanten uit de ET-portefeuille zonder voorafgaande toestemming van ET
II. GGP te bevelen het onder 2.I bedoelde rechtstreekse contact met Klanten uit de ET­
portefeuille te staken en gestaakt te houden, tenzij ET daarvoor voorafgaand schriftelijk toestemming heeft gegeven,
meer subsidiair:
rechtstreeks contact slechts na voorafgaande afstemming met ET
III. GGP te bevelen het onder 2.I bedoelde rechtstreekse contact met Klanten uit de ET­ portefeuille te staken en gestaakt te houden, tenzij daarover voorafgaand met ET is afgestemd, waaronder in ieder geval begrepen afstemming over de inhoud, wijze en timing van de communicatie,
uiterst subsidiair:
bevel tot afstemming met ET bij reguliere leveranciersinformatie en wettelijk verplichte communicatie
IV. GGP te bevelen het onder 2.I bedoelde rechtstreekse contact met Klanten uit de ET­
portefeuille te staken en gestaakt te houden, behoudens voor zover sprake is van reguliere leveranciersinformatie die GGP in haar hoedanigheid van leverancier van elektriciteit en gas aan haar afnemers behoort te verstrekken dan wel voor zover rechtstreeks contact strikt noodzakelijk is om te voldoen aan publiekrechtelijke verplichtingen die op GGP rusten, met dien verstande dat die communicatie niet mag worden gebruikt voor mededelingen over het verschuldigd zijn van een opzegvergoeding, voorschotten, storneringsberichten, Credo-aanmaningen en incasso-opdrachten,
3) vordering met betrekking tot het vrijgeven van gelden die ET per direct behoren toe te komen en in ieder geval onbetwistbaar vaststaan
primair:
gebod om het bedrag van € 2.042.887,69 te voldoen
I. GGP te gebieden om het bedrag van EUR 2.042.887,69 aan ET te betalen, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, dat ET in ieder geval uit hoofde van de samenwerking tussen partijen nog van GGP behoort te ontvangen,
subsidiair:
gebod om het bedrag van € 739.143,32 in ieder geval te voldoen
II. GGP te gebieden om het bedrag van € 739.143,32 aan ET te betalen, bestaande uit het bedrag van € 524.136 vermeerderd met twee openstaande facturen uit 2025 van respectievelijk € 174.169,82 en € 40.837,50,
4) verrekenen en inhouden van gelden uit hoofde van de samenwerking tussen GGP en ET
primair:
verbod op verrekening en inhouden van gelden die GGP aan ET verschuldigd is
I. GGP te verbieden om enige door haar gestelde en door ET betwiste vordering die verband houdt met de samenwerking tussen partijen, de ET-portefeuille en/of Klanten die door ET bij GGP zijn aangebracht, te verrekenen met bedragen die GGP aan ET verschuldigd is of zal worden, en GGP te gebieden de bedragen die zij op die grond heeft verrekend of ingehouden vrij te geven en aan ET te betalen,
dit verbod omvat mede het geldend maken of doen maken van dergelijke aanspraken jegens ET en daarnaast GGP te gebieden alle redelijke maatregelen te nemen om te voorkomen dat Flink bestaande, toekomstige of eventuele clawback-vorderingen die verband houden met diezelfde samenwerking, ET-portefeuille en/ of Klanten jegens ET geldend maakt of doet maken,
subsidiair:
verbod op verrekening voor de duur van vier maanden
II. GGP te verbieden om, gedurende een periode van vier (4) maanden, vanaf de datum van dit vonnis, het onder 4.I omschreven handelen te verrichten, tenzij partijen binnen die periode schriftelijk overeenstemming bereiken over de grondslag, omvang en afwikkeling van de door ET en GGP gestelde vordering(en),
meer subsidiair:
verbod verrekenen totdat onafhankelijke deskundige over de rechtmatigheid heeft geoordeeld
III. GGP het onder 4.I omschreven handelen te verbieden, daaronder begrepen het voortzetten van reeds toegepaste verrekeningen of reeds ingezette incasso-, betalings- of verhaalsmaatregelen, totdat een door de rechtbank aan te wijzen onafhankelijke deskundige heeft geoordeeld over de rechtmatigheid, grondslag en omvang van de betreffende verrekeningen en/of vorderingen,
nog meer subsidiair:
verbod verrekenen totdat in een bodemprocedure over de rechtmatigheid is beslist
IV. GGP het onder 4.I omschreven handelen te verbieden, daaronder begrepen het voortzetten van reeds toegepaste verrekeningen of reeds ingezette incasso-, betalings- of verhaalsmaatregelen, totdat in een bodemprocedure is geoordeeld over de rechtmatigheid, grondslag en omvang van de betreffende verrekeningen en/ of vorderingen,
uiterst subsidiair:
verbod verrekenen totdat alle relevante gegevens zijn gedeeld
V. GGP het onder 4.I omschreven handelen te verbieden, daaronder begrepen het voortzetten van reeds toegepaste verrekeningen of ingezette incasso-, betalings- of verhaalsmaatregelen, totdat GGP aan ET vooraf schriftelijk, volledig en controleerbaar inzicht heeft gegeven in de grondslag, juistheid en omvang van de betreffende verrekeningen en/ of vorderingen, met overlegging van alle relevante onderliggende gegevens en bescheiden, waaronder in ieder geval:
• het daadwerkelijke energieverbruik van alle Klanten die door ET bij GGP zijn aangebracht;
• het verloop van de mutatiebandbreedte sinds de aanvang van de samenwerking tussen partijen, inclusief de gegevens waarop die berekening is gebaseerd;
• een overzicht van alle Klanten binnen de ET-portefeuille van wie de leveringsovereenkomst is opgezegd, beëindigd, gewijzigd of anderszins gemuteerd;
• de wijze waarop GGP haar gestelde aanspraken op ET heeft berekend, inclusief alle onderliggende gegevens en bescheiden waarop die berekening is gebaseerd;
• een en ander op zodanige wijze dat ET de juistheid van de betreffende verrekeningen en/ of vorderingen zelfstandig kan controleren,
5) dwangsommen
ten aanzien van alle verboden en geboden onder 1 tot en met 4
I. GGP te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 50.000 voor iedere afzonderlijke overtreding van het onder 1 tot en met 2 gevorderde, voor zover toegewezen, waarbij iedere overtreding jegens iedere afzonderlijke klant als een afzonderlijke overtreding heeft te gelden, te vermeerderen met € 10.000 voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat die overtreding voortduurt, met een maximum van
€ 500.000; en
II. GGP te veroordelen, voor zover rechtens toelaatbaar, tot betaling van een dwangsom van € 100.000 voor iedere overtreding van het onder 4 gevorderde, voor zover toegewezen, te vermeerderen met € 10.000 voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat die overtreding voortduurt, met een maximum van € 1.000.000,
6) kostenveroordeling
GGP te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis.
3.2.
ET legt aan haar vorderingen – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag. GGP heeft de SOVK niet ondertekend, maar deze overeenkomst is op initiatief van GGP tot stand gekomen en GGP is hier dan ook aan gebonden. Dat blijkt onder meer uit het feit dat zij het addendum bij de SOVK (zie 2.6) wel heeft ondertekend. Aanvankelijk was het zo dat klanten van ET niet tussentijds kosteloos konden overstappen. Dit is ook steeds door ET aan haar klanten gecommuniceerd. ET kon hierop (uit coulance) wel uitzonderingen maken, mits zij binnen de bandbreedte van 20% bleef. Individuele klanten konden hier echter geen rechten aan ontlenen. Het was daarom van groot belang dat de communicatie met de ET-klanten uitsluitend via ET zou verlopen. Vanaf maart 2022 ontstonden de eerste scheuren in de samenwerking. GGP deelde de ET-klanten rechtstreeks mee dat GGP de contractvoorwaarden eenzijdig ging wijzigen en dat die klanten om die reden kosteloos tussentijds mochten opzeggen. Dit had nadelige gevolgen voor ET. Zij had haar klanten namelijk steeds voorgehouden dat kosteloos tussentijds vertrek
nietmogelijk was. Zo ontstond bij de klanten het beeld dat ET een onbetrouwbare partij is. Bovendien had het kosteloze vertrek grote gevolgen omdat ET hierdoor haar commissie verloor. Dit heeft geleid tot het spoedoverleg in december 2023 (zie 2.5) waar GGP de zogenoemde ET-route heeft geïnitieerd. Vanaf dat moment is de ET-route onderdeel geworden van de onderlinge rechtsverhouding tussen partijen. Klanten die door ET via de ET-route werden afgemeld, konden voortaan vertrekken zonder opzegvergoeding. In de notulen van het overleg staat voorts: “
Fee klantcases kosten draagt Gulf (komen samen tot een oplossing).” Dit betekent dat afmeldingen via de ET-route niet kunnen leiden tot een clawback-vordering van GGP jegens ET. Deze kosten komen immers uitsluitend voor rekening van GGP. Deze afspraken hebben er automatisch toe geleid dat de mutatiebandbreedte van 20% niet langer werd toegepast.
3.2.1.
Verder voert ET aan dat in de jaren 2024 en 2025 de administratie van GGP een chaos bleek te zijn en dat zij de afspraken met ET niet naleefde. GGP bleef ET-klanten rechtstreeks benaderen met wisselende mededelingen over opzegvergoedingen etc. In 2024 vorderde GGP een clawback-vergoeding over het jaar 2023. Die vordering heeft zij later kwijtgescholden; zij was toen kennelijk ook van mening dat zij geen recht had op een clawback-vergoeding. In 2025 bleven de problemen echter voortduren en toonde GGP zich niet bereid tot overleg. Naast de problemen in de samenwerking is van belang dat toezichthouder ACM een onderzoek naar GGP heeft verricht en op 19 december 2025 een besluit publiceerde waarin staat dat GGP op meerdere punten niet in overeenstemming handelde met de toepasselijke wet- en regelgeving. De rechtbank Den Haag kwam eerder al, in een vonnis van 26 februari 2025 [1] , tot dezelfde conclusie. Begin 2026 werd de situatie voor ET onhoudbaar. GGP bleef tegen de afspraken in rechtstreeks met ET-klanten communiceren dat zij hun energiecontract kosteloos konden opzeggen. Hierdoor is de ET-portefeuille aanzienlijk geslonken. ET had toen geen andere keuze en heeft noodgedwongen 1.030 aansluitingen ondergebracht bij Clean Energy. ET moest immers haar schade beperken. Nadien is tussen de advocaten van partijen gecorrespondeerd (zie 2.7), maar dit heeft niet tot een oplossing geleid.
3.2.2. De juridische grondslag voor haar vorderingen, is – aldus ET – de volgende. Partijen hebben in de SOVK, in het addendum bij de SOVK en op 12 december 2023 duidelijke afspraken gemaakt. Uit artikel 2 van Pro de SOVK volgt dat GGP geen rechtstreeks contact mag opnemen met de ET-klanten, zonder toestemming van ET. Op 12 december 2023 is de ‘ET-route’ geïnitieerd en zijn eveneens afspraken gemaakt. Op grond van artikel 3 van Pro de SOVK moet GGP aan ET informatie verstrekken om de commissie en de rechtmatigheid van de verrekeningen te kunnen beoordelen en om die verrekeningen inzichtelijk te maken. GGP komt al deze afspraken niet na. Hierdoor schiet zij toerekenbaar tekort en handelt zij onrechtmatig. Daarnaast geldt dat de opzegvergoeding die GGP aan ET-klanten in rekening brengt niet voldoet aan de wettelijke eisen, zo volgt uit het ACM besluit en de uitspraak van rechtbank Den Haag.
3.2.3.
Volgens ET heeft zij een spoedeisend belang bij toewijzing van haar vorderingen in dit kort geding. GGP benadert de ET-klanten nog altijd rechtstreeks met onjuiste mededelingen over de verschuldigdheid van opzegvergoedingen. Dit ondermijnt het bedrijfsbelang van ET en tast haar reputatie aan. Klanten blijven weglopen. GGP blijft voorschotten in rekening brengen en betalingsherinneringen etc. sturen naar de ET- klanten die per 1 juni 2026 zijn vertrokken. GGP brengt voorts nog steeds ten onrechte opzegvergoedingen in rekening bij ET-klanten die via de ET-route zijn afgemeld. Het gaat dan onder meer om een bedrag van € 506.768,21 ten aanzien van klanten die ET op 11 februari 2026 heeft afgemeld, terwijl – vreemd genoeg – andere ET-klanten geen opzegvergoeding hoefden te betalen. Dit leidt tot onrust onder de ET-klanten. Bij het in rekening brengen van opzegvergoedingen kan GGP zich niet met succes beroepen op het overschrijden van de mutatiebandbreedte, want die is komen te vervallen met de totstandkoming de ET-route.
3.2.4.
In het kader van het spoedeisend belang heeft ET voorts het volgende gesteld. GGP verrekent ten onrechte voorschotten en dit brengt de continuïteit van ET in gevaar. GGP houdt ten onrechte gelden in die aan ET toebehoren, waardoor de financiële druk bij ET aanzienlijk oploopt. GGP stelt immers dat zij een clawback-vordering heeft over de periode van januari 2024 toe en met september 2025 van € 1.255.758,70. Daarnaast stelt zij een aanvullende clawback-vordering te hebben in verband met de 1.030 aansluitingen die ET op 11 februari 2026 bij Clean Energy heeft ondergebracht. Uit de gedeelde administratie volgt echter dat GGP aan ET € 2.042.887,69 is verschuldigd. ET vordert betaling van dit bedrag in dit kort geding en is van mening dat GGP betaling van dit bedrag niet mag inhouden/verrekenen op basis van een door ET betwiste clawback-positie. Subsidiair stelt ET dat zij nog ten minste recht heeft op betaling van € 739.143,32. Dit bedrag bestaat uit het bedrag van € 524.136 dat ET op 8 juni 2026 in ieder geval nog tegoed had van GGP, te vermeerderen met twee openstaande facturen uit 2025.
3.2.5.
Bij de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft ET haar stellingen als volgt aangevuld. Op 7 juli 2026 heeft een zitting plaatsgevonden bij de rechtbank Rotterdam waar het faillissement van GGP is aangevraagd. Een week later valt hierover een uitspraak te verwachten. Dit onderstreept het spoedeisend belang van ET bij toewijzing van haar vorderingen. ET wil haar geldvorderingen kunnen incasseren alvorens een (mogelijk) faillissement wordt uitgesproken. Verder heeft ET aangevoerd dat tussen haar en GGP sprake is van een principaal-agentuurverhouding. Deze verhouding is bij wet geregeld. Een van de dwingendrechtelijke waarborgen is dat de agent (in dit geval ET) recht heeft op provisie. Indien de provisie afhankelijk is gesteld van de uitvoering van de overeenkomst die door bemiddeling van de agent tot stand is gekomen, dan blijft de principaal (in dit geval GGP) provisie verschuldigd, ook als die overeenkomst niet of onvolledig wordt nageleefd. Dit is alleen anders als de niet-nakoming niet aan de principaal kan worden toegerekend (artikel 7:426 lid 2 BW Pro). Van deze bepaling kan niet worden afgeweken. Artikel 3 van Pro de SOVK (“
Bij een afwijkende afname ongeacht reden vindt een verrekening plaats. (…)” is hiermee in strijd en dus nietig. Artikel 3 bepaalt Pro immers dat bij een afwijkende energieafname een verrekening ten nadele van ET plaatsvindt, ongeacht de reden, dus ook in alle gevallen waarin de niet-uitvoering van de leveringsovereenkomst wel aan GGP kan worden toegerekend. Ook hierdoor bestaat dus voor de clawback-vordering van GGP geen grondslag, hetgeen eens te meer onderstreept dat GGP zich niet op verrekening kan beroepen, waardoor de geldvorderingen van ET in dit kort geding toewijsbaar zijn.
3.3.
GGP heeft – samengevat weergegeven – het volgende verweer gevoerd. De aanvankelijke afspraken hielden onder meer in dat ET het haar klanten kon toestaan tussentijds op te zeggen zonder dat een opzegvergoeding verschuldigd was, mits ET binnen de bandbreedte van 20% zou blijven. ET was dan echter nog wel terugbetaling van het teveel betaalde voorschot verschuldigd. GGP zou zich tekort doen als ET een klant tussentijds mag afmelden en tegelijkertijd het teveel betaalde voorschot zou mogen houden. Het is op zich juist dat er in de samenwerking sprake is geweest van onregelmatigheden en dat GGP fouten heeft gemaakt. Dit is de reden geweest voor GGP om de clawback-vordering over het jaar 2023 te crediteren. Dit is besproken tijdens het overleg van december 2023, maar had uitdrukkelijk alleen betrekking op het jaar 2023 en niet op de daarop volgende jaren. In de jaren 2024 en 2025 zijn gesignaleerde problemen zo goed mogelijk opgelost door GGP. In het jaar 2025 heeft GGP een overzicht verschaft van haar clawback-vordering over dat jaar van € 537.153 die voortkwam uit een aantal onterechte ‘switches’ (aanmeldingen bij GGP). ET heeft vervolgens op 11 februari 2026 bericht dat zij 1.030 aansluitingen tussentijds beëindigt. Ten aanzien van ongeveer de helft van die aansluitingen is de tussentijdse beëindiging per 1 juni 2026 uitgevoerd en de andere helft zal op 1 januari 2027 worden uitgevoerd. ET heeft hierdoor in strijd met de afspraak in de SOVK gehandeld dat zij klanten niet zou afmelden voor de einddatum van het contract, tenzij partijen anders zouden overeenkomen. ET heeft dit echter op geen enkele wijze aangekondigd bij GGP of bij Flink. Op grond van wettelijke en contractuele bepalingen is GGP gerechtigd bij tussentijdse beëindiging een opzegvergoeding aan de betreffende klant in rekening te brengen. Daarnaast is ten aanzien van die klanten een voorschot voldaan aan ET dat is gebaseerd op de overeengekomen duur van de overeenkomst (in dit geval tot 2029-2030). Er is dus een te hoog voorschot aan ET uitbetaald en GGP heeft recht op terugbetaling.
3.3.1.
Verder voert GGP aan dat de stelling dat partijen zouden zijn overeengekomen dat alleen ET contact met de klanten zou mogen hebben onjuist is. De vordering die erop ziet GGP te verbieden contacten met ET-klanten te onderhouden moet dus worden afgewezen. GGP kan als energieleverancier niet afspreken dat zij geen contact met haar klanten (de eindgebruikers) kan onderhouden. Die hebben ook het recht om contact op te nemen met hun leverancier. Ook is GGP op grond van de wet verplicht haar klanten rekeningen te sturen, waaronder eindafrekeningen. GGP moet dit dus ook doen ten aanzien van die klanten die per 1 juni 2026 zijn overgestapt. Ook de vordering die GGP moet verbieden zich op verrekening te beroepen moet worden afgewezen. Vanwege de clawback-vorderingen over 2024 en 2025 beroept GGP zich immers terecht op verrekening met de betalingen die ET zouden toekomen. Ten aanzien van die clawback-vorderingen geldt dat GGP hiervoor wel overzichten heeft gestuurd, maar de desbetreffende bedragen nog niet had gefactureerd. Ten aanzien van de onterechte beëindiging van 1.030 aansluitingen in februari 2026 lijdt GGP schade (€ 880.000 met betrekking tot de aansluitingen die per 1 juni 2026 zijn beëindigd en € 1.970.00 met betrekking tot de aansluitingen die per 1 januari 2027 worden beëindigd). De clawback-vorderingen met betrekking tot die aansluitingen bedraagt € 320.000 respectievelijk € 190.000. Ook om die reden moet GGP zich op opschorting en /of verrekening kunnen beroepen.
3.3.2.
Tegen de geldvorderingen van ET heeft GGP onder meer het volgende verweer gevoerd. Bij de berekening van het bedrag van € 524.136 waarop ET sowieso recht meent te hebben (zie onder 3.2.4) is uitgegaan van de situatie dat de overeenkomsten
niettussentijds worden beëindigd en dat is wel gebeurd. ET heeft dus geen recht op dit bedrag. Het is GGP verder in het geheel niet duidelijk waarop het bedrag van € 2.042.887,69, dat primair wordt gevorderd, is gebaseerd.
3.4.
GGP vordert
in reconventieET bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen aan GGP een afschrift te verstrekken van alle tussen ET en Clean Energy gesloten overeenkomsten die betrekking hebben op alle aansluitingen die ingevolge de opdracht van 11 februari 2026 per 1 juni 2026 naar Clean Energy zijn overgestapt of per 1 januari 2027 zullen overstappen, met inbegrip van alle bijlagen en nadere afspraken over vergoedingen. Daarnaast vordert zij een afschrift van alle bankafschriften van ET waarop betalingen en ontvangsten van Clean Energy zichtbaar zijn met betrekking tot de hiervoor bedoelde klanten, over de periode vanaf 1 januari 2024 tot aan de datum van dit vonnis. Tot slot vordert zij aan de veroordelingen dwangsommen te verbinden en ET te veroordelen in proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.5.
GGP stelt hiertoe – samengevat weergegeven – dat inmiddels is gebleken dat ook al vóór de ‘switch’ van 11 februari 2026 ET-klanten zijn overgestapt naar Clean Energy. Het betreft 275 klanten die in 2024 en 2025 zijn overgestapt. GGP heeft het vermoeden dat ET ten aanzien van deze klanten zowel bij GGP als bij Clean Energy voorschotten heeft ontvangen voor overlappende periodes. Indien ET inderdaad dubbele voorschotten zou hebben ontvangen, kan zij redelijkerwijs niet volhouden dat zij geen clawback-vergoeding aan GGP verschuldigd zou zijn. Ook zou dit een ander licht werpen op het standpunt van ET over haar tekort aan liquiditeiten. GGP heeft dus een belang bij inzage in de gevraagde gegevens. Dit belang is spoedeisend omdat GGP zich moet kunnen verweren tegen de aanspraken van ET in dit kort geding
3.6.
ET heeft – samengevat weergegeven – het verweer gevoerd dat uit het voorgaande volgt dat GGP in het geheel geen recht heeft op een clawback en daarom geen belang heeft bij de gevorderde inzage. Bovendien heeft GGP niets te maken met mogelijke aanspraken van ET op een andere energieleverancier. Dat de klanten zijn overgestapt komt enkel door toedoen van GGP.
3.7.
Op de stellingen van partijen
in conventieen
in reconventiewordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In artikel 5 van Pro de SOVK staat dat rechtbank Amsterdam bevoegd is om van geschillen tussen partijen kennis te nemen. GGP betwist dat zij partij is bij de SOVK maar heeft in haar conclusie van antwoord opgenomen dat zij zich neerlegt bij de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam en geen bevoegdheidsexceptie opwerpt. Dat betekent dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank bevoegd is.
in conventie:
4.2.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat ET daarbij een spoedeisend belang heeft en dat voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vorderingen van ET eveneens zal toewijzen. Daarnaast moet de voorzieningenrechter de belangen van partijen afwegen.
4.3.
De vorderingen van ET zien – kort gezegd – op (1) het niet in rekening brengen van opzegvergoedingen, (2) het niet rechtsreeks contact opnemen met ET-klanten, (3) het betalen van geldvorderingen en (4) een verbod op verrekening.
4.4.
Grondslag voor de vorderingen van ET is dat GGP zich – in de visie van ET – niet houdt aan de afspraken die zijn gemaakt in de SOVK en in het addendum bij de SOVK. Ook zou GGP zich niet houden aan de op 12 december 2023 gemaakte afspraken.
4.5.
De voorzieningenrechter constateert vooraf dat de contractuele verhoudingen tussen ET, GGP en Flink niet eenduidig kunnen worden vastgesteld. Bij de SOVK zijn alleen ET en Flink partij, bij het addendum zijn alleen GGP en Flink partij. ET heeft weliswaar gesteld dat GGP ook partij is bij de SOVK, maar GGP betwist dat (uitgezonderd een derdenbeding) en voorshands staat niet vast dat ET het gelijk aan haar zijde heeft. Daarnaast blinken de afspraken die zijn gemaakt in de SOVK niet uit in duidelijkheid. ET en Flink worden in die overeenkomst beide als ‘intermediair’ aangeduid, maar wat dit precies inhoudt, hoe de verhouding ten opzichte van elkaar is en wie welke rol ten aanzien van GGP vervult, is niet duidelijk. Daardoor is ook lastig vast te stellen hoe de geldstromen moeten lopen en wie waar recht op heeft. Verder golden er bij aanvang van de samenwerking kennelijk nog andere afspraken, die niet in de SOVK zijn terug te vinden, te weten dat ET-klanten gedurende de looptijd van een overeenkomst niet kosteloos konden overstappen naar een andere leverancier, maar dat ET binnen een bandbreedte van 20% van het totale energieverbruik van de ET-portefeuille klanten desalniettemin toestemming mocht geven de overeenkomst tussentijds te beëindigen, zonder dat zij een opzegvergoeding aan GGP waren verschuldigd (zie 2.3). Dat deze afspraak is gemaakt staat vast, maar partijen twisten over de vraag of deze afspraak na het overleg van 12 december 2023 nog steeds geldt.
4.6.
De afspraken die zijn gemaakt op het overleg van 12 december 2023 tussen ET, GGP en Flink, althans zoals die afspraken zijn neergelegd in de notulen van dit overleg, blinken evenmin uit in duidelijkheid. De voor dit geschil meest relevante punten uit die notulen zijn de volgende:
● Punt uit collectieve switchen(…)◦ Fee klantcases kosten draagt Gulf (komen samen tot een oplossing)◦ Klanten mogen enkel in of uithuizen met per mail akkoord van @ [naam 1]4.7. Over
vordering (1), het niet in rekening brengen van opzegvergoedingen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Dat in beginsel opzegvergoedingen in rekeningen mogen (of mochten) worden gebracht door GGP is erkend door ET, sterker nog, dit was ook in haar belang omdat dit haar (mede) in staat stelde zoveel mogelijk klanten te behouden waarvoor zij commissie ontving. Dat GGP niet (eenzijdig) mag beslissen of bij ET-klanten een opzegvergoeding in rekening wordt gebracht baseert ET allereerst op de SOVK. Afgezien dat niet vast staat of GGP partij is bij deze overeenkomst, valt een dergelijk verbod niet terug te lezen in de SOVK. Voor zover ET zich beroept op e-mailcorrespondentie waaruit zou moeten blijken dat GGP dit niet eenzijdig zou mogen beslissen (zie de punten 71 en 72 van de dagvaarding) geldt voorshands dat hieruit alleen volgt dat alleen ET mag beslissen om
geenopzegvergoeding in rekening te brengen. De zogenoemde ET-route, die is afgesproken op 12 december 2023, hield voorshands ook in dat alleen ET mocht beslissen dat een klant tussentijds en zonder het betalen van een opzegvergoeding mocht vertrekken. Al met al staat dus onvoldoende vast dat GGP (thans) geen opzegvergoedingen in rekening zou mogen brengen. Anders dan ET stelt volgt dit ook niet uit het ACM besluit of de aangehaalde uitspraak van de rechtbank Den Haag. Hieruit volgt dat GGP opzegvergoedingen niet steeds op de juiste wijze heeft berekend met als gevolg dat GGP deze in dat geval niet in rekening mag brengen. Maar dit betekent niet dat GGP gehouden is ten opzichte van ET geen opzegvergoedingen bij de eindgebruikers in rekening te brengen. Vordering (1) kan bij deze stand van zaken niet als voorlopige voorziening worden toegewezen.
4.8.
Ten aanzien van
vordering (2), een verbod voor GGP om rechtstreeks contact op te nemen met ET-klanten, heeft ET zich eveneens gebaseerd op de SOVK. Ook hier geldt dat niet vast staat of GGP partij is bij deze overeenkomst en dat het desbetreffende verbod (zoals geformuleerd in punt 2 van de SOVK) zich tot Flink richt. Dat GGP zich gebonden acht een of meer specifieke bepalingen uit de SOVK betekent niet zonder meer dat verplichtingen die op Flink rusten één op één (ook) gelden voor GGP. Uit de e-mailcorrespondentie waarop ET zich in dit verband baseert (zie punt 67 van de dagvaarding) volgt niet dat GGP zich heeft gecommitteerd om in het geheel geen contact op te nemen met ET-klanten. Hieruit volgt hooguit dat GGP heeft toegezegd niet rechtstreeks met ET-klanten te communiceren over het ‘uitswitchen’ en over het al dan niet in rekening brengen van een opzegvergoeding. Tot slot is in dit kader van belang dat GGP voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het haar als energieleverancier (uiteraard) niet verboden kan worden contact op te nemen met de eindgebruikers. Vordering (2) wordt bij deze stand van zaken afgewezen.
4.9.
Vordering (3)betreft een geldvordering. Aan toewijzing van een geldvordering in kort geding worden hoge eisen gesteld. Een geldvordering moet klip en klaar zijn om in kort geding te kunnen worden toegewezen. Dat is de geldvordering van ET niet. GGP heeft terecht aangevoerd dat ET niet inzichtelijk heeft gemaakt waar de primaire vordering tot betaling van € 2.042.887,69 op is gebaseerd. Voor zover ET zich hierbij heeft gebaseerd op productie 30 (dit betreft een zeer omvangrijk Excel-bestand dat op een USB-stick is aangeleverd) geldt dat de voorzieningenrechter hier niet mee uit de voeten kan. Tegen de subsidiaire vordering heeft GGP onder meer het verweer gevoerd dat bij de berekening van het bedrag van € 524.136 is uitgegaan van de situatie dat tussentijds geen overeenkomsten zijn beëindigd, maar dat is wel het geval. Gezien dit verweer is ook de subsidiaire geldvordering niet klip en klaar.
4.10.
Vordering (4) betreft een verbod op verrekening. Ook deze vordering leent zich niet voor toewijzing in kort geding. Allereerst geldt dat in zijn algemeenheid verrekening is toegestaan tenzij anders afgesproken. In de SOVK is verrekening expliciet mogelijk maakt (onder meer in de situatie dat het verwachte gebruik afwijkt van het daadwerkelijke gebruik en in de situatie dat de klant vroegtijdig ‘uitswitcht’). De op 12 december 2023 afgesproken ET-route houdt voorshands niet in dat GGP nooit meer een clawback-vordering zou mogen instellen en (dus) niet tot verrekening zou mogen overgaan. Uit de (cryptische) formulering in de notulen van dat overleg –
◦ Fee klantcases kosten draagt Gulf (komen samen tot een oplossing)– kan de voorzieningenrechter dat niet, en zeker niet met voldoende zekerheid, afleiden. Dat GGP de clawback-vordering over het jaar 2023 heeft gecrediteerd, betekent niet dat zij een dergelijke vordering niet mag instellen over de daaropvolgende jaren. Dat de clawback-vordering over de jaren 2024 en 2025 nog niet is gefactureerd, maakt niet dat GGP dit niet alsnog zou mogen doen. Dat GGP geen voorafgaand overleg heeft gepleegd over de verrekeningen en/of heeft nagelaten voldoende inzicht te geven in de relevante stukken om de clawback-vorderingen te kunnen beoordelen, is geen reden om op voorhand een algemeen verbod op verrekening uit te spreken. Ter zitting heeft ET nog aangevoerd dat tussen GGP en ET principaal-agentuurverhouding verhouding bestaat en dat dit maakt dat bepaalde bepalingen uit de SOVK nietig zouden zijn. Naast dat het in strijd met de goede procesorde is om in een procedure als onderhavige, met circa 800 pagina’s, voor het eerst bij de mondelinge behandeling deze nieuw grondslag aan te dragen, leidt het ook niet tot toewijzing van de vordering. Daarvoor is hetgeen aangevoerd onvoldoende.
4.11.
De conclusie tot zover is dat alle vorderingen in conventie worden afgewezen. Een afweging van belangen maakt dit niet anders. In dit kader heeft ET met name naar voren gebracht (zie de verklaring van haar [functie 1] [naam 1] die als productie 3 in het geding is gebracht) dat zij door de verrekeningen in financiële problemen komt, dat haar portefeuille door het geschil met GGP deels verloren is gegaan en deels is aangetast en dat zij haar klanten wel moest overhevelen naar Clean Energy. Daar staat echter tegenover dat de vorderingen van ET onvoldoende juridische grondslag hebben om bij wijze van voorlopige voorziening te kunnen worden toegewezen. Dat partijen uit elkaar gaan lijkt onvermijdelijk en dat een mogelijk gecompliceerde eindafrekening over wie wat van wie te vorderen heeft zal moeten plaatsvinden ook. De slotsom van dit kort geding is evenwel dat daar niet bij wijze van voorlopige voorziening op voorruit gelopen kan worden.
4.12.
ET is
in conventiein het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van GGP worden begroot op:
- griffierecht
10.487
- salaris advocaat
1.177
- nakosten
189
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.853
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In reconventie:
4.14.
Ook de vorderingen in reconventie acht de voorzieningenrechter niet toewijsbaar. GGP heeft onvoldoende belang bij inzage in andere inkomstenbronnen van ET. Mocht ET aanspraken hebben op andere energieleveranciers, dan raakt dit GGP niet.
4.15.
Als de
in reconventiein het ongelijk gestelde partij moet GGP de proceskoten van ET betalen. Gezien de samenhang met het geding in conventie worden deze kosten begroot op nihil.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie:
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt ET in de proceskosten van € 11.853, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als ET niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt ET tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie:
5.5.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.6.
veroordeelt GGP in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van ET begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door
mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.