De rechtbank Amsterdam behandelde op 29 januari 2026 de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank te Brühl, Duitsland. De opgeëiste persoon, geboren in Algerije en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, was aanwezig en werd bijgestaan door een raadsman en tolk.
De identiteit van de opgeëiste persoon werd vastgesteld aan de hand van biometrische identificatie, ondanks wisselende verklaringen over geboortedatum en naam. De rechtbank concludeerde dat de verschenen persoon inderdaad de door de Duitse autoriteiten opgeëiste persoon betreft.
Het EAB betrof een arrestatiebevel wegens een strafbaar feit omschreven als georganiseerde of gewapende diefstal, een lijstfeit volgens de Overleveringswet. Omdat het strafbare feit in Duitsland is bestraft met een vrijheidsstraf van ten minste drie jaar, was een onderzoek naar dubbele strafbaarheid niet vereist.
De rechtbank oordeelde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat de overlevering toegestaan moet worden. De uitspraak werd in het openbaar gedaan en is niet vatbaar voor gewoon rechtsmiddel.