ECLI:NL:RBAMS:2026:7393

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
13/090916-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor openlijke geweldpleging, poging tot doodslag en vernieling in Amsterdam centrum

Op 25 maart 2026 pleegde verdachte samen met mededaders meerdere strafbare feiten in het centrum van Amsterdam, waaronder openlijke geweldpleging tegen drie slachtoffers, poging tot doodslag op een vierde slachtoffer en vernieling van een woning. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten gezamenlijk geweld hebben gebruikt en vernielingen hebben gepleegd, waarbij slachtoffers lichamelijk en psychisch letsel opliepen.

De verdediging voerde aan dat verdachte niet bij alle geweldshandelingen betrokken was en dat het geweld tegen het vierde slachtoffer een losstaand incident was. De rechtbank verwierp deze verweren en concludeerde dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de gepleegde feiten, waaronder het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op overlijden van het slachtoffer bij de poging tot doodslag.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van twaalf maanden op, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie en contactverbod met medeverdachten. Tevens werden schadevergoedingen toegekend aan vier benadeelde partijen, variërend van enkele honderden tot duizenden euro's, vermeerderd met wettelijke rente en hoofdelijk opgelegd aan verdachte en mededaders.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, en diverse schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/090916-26
Datum uitspraak: [huisnummer] juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2004,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.T.A. de Ridder, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. Y. Finani, naar voren hebben gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en dat wat namens hen door mw. [naam 1] van Slachtofferhulp Nederland naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 25 maart 2026 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
feit 1:openlijke geweldpleging in vereniging tegen personen, te weten [slachtoffer 3] / [slachtoffer 1] / [slachtoffer 4] ;
feit 2 primair:het medeplegen van poging tot doodslag [slachtoffer 2] ;
subsidiair:het medeplegen van zware mishandeling van [slachtoffer 2] ;
meer subsidiair:het medeplegen van poging tot zware mishandeling van
[slachtoffer 2] ;
feit 3:het medeplegen van vernieling van een woning van [slachtoffer 5] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Inleiding
In de nacht van 25 maart 2026 komen bij de politie verschillende meldingen binnen van overlast en geweld gepleegd door een groep jonge mannen in het centrum van Amsterdam. Er zou sprake zijn van verschillende vechtpartijen en mishandelingen van vijf mensen zonder enige aanleiding, een beroving van een ander en de vernieling van een woning. Verdachte wordt die nacht samen met drie andere mannen aangehouden op verdenking van deze feiten. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verdachte zich samen met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan deze feiten.
3.2
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het volgende standpunt gesteld.
De openlijke geweldpleging (feit 1) kan worden bewezen. Alle vier de verdachten hebben geweld gebruikt tegen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] . Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking waar verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan heeft geleverd.
Verder kan verdachte worden veroordeeld wegens poging tot doodslag op [slachtoffer 2] (feit 2 primair). [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben met geschoeide voet in totaal vijf keer tegen het hoofd van [slachtoffer 2] geschopt. [slachtoffer 2] lag toen op een harde, stenen ondergrond. Hierbij bestond de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] zou komen te overlijden. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben deze aanmerkelijke kans bewust aanvaard door zo te handelen.
Ten slotte kan worden bewezen dat de verdachten de woning van [slachtoffer 5] hebben vernield (feit 3). Uit de camerabeelden blijkt dat vijf personen, waaronder de verdachten, het pand in zijn gegaan en tien minuten later naar buiten zijn gekomen. De woning was niet vernield voordat zij naar binnen gingen.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de openlijke geweldpleging (feit 1). Bij het geweld gepleegd tegen [slachtoffer 4] is het zo dat verdachte alleen achter de groep aanliep. Verdachte heeft [slachtoffer 1] niet mede omsingeld. Hij was er ook niet bij toen de anderen geweld pleegden tegen [slachtoffer 3] , want hij was op dat moment bij [slachtoffer 2] . Het geweld tegen [slachtoffer 2] moet worden gezien als een losstaand incident. Verdachte heeft dan ook geen bijdrage geleverd aan het geweld tegen de in de tenlastelegging genoemde personen.
Met betrekking tot het geweld tegen [slachtoffer 2] (feit 2) heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is van medeplegen, omdat verdachte vertrok op het moment dat [medeverdachte 1] erbij kwam. Verdachte heeft [slachtoffer 2] wel geslagen, maar niet geschopt en hem daarbij geraakt. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen in de zin van artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), zodat hij ook van de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling moet worden vrijgesproken. Omdat alleen kan worden vastgesteld dat er geslagen is en niet geschopt, kan ook hier niet tot een bewezenverklaring van de meer subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling worden gekomen.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vernieling van de woning van [slachtoffer 5] (feit 3).
3.4
Het oordeel van de rechtbank
3.4.1
Vaststaande feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen – in het bijzonder de processen-verbaal van de verschillende camerabeelden – de volgende feiten en omstandigheden vast over dat wat in de nacht van 25 maart 2026 is gebeurd.
Niet alle gebeurtenissen die hieronder staan genoemd worden aan verdachte verweten, maar voor de samenhang en chronologie heeft de rechtbank ook in dit vonnis het geheel beschreven. Verdachte wordt ook bij zijn achternaam benoemd.
Die nacht is verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Een vijfde verdachte die bij deze groep hoort, blijft onbekend en wordt NN1 genoemd.
Om 02:15:54 uur komt de groep bij de fietstunnel onder het Amsterdam Centraal Station [persoon 1] en [persoon 2] tegen. [persoon 1] wordt aangesproken door [medeverdachte 1] en NN1. [medeverdachte 1] sommeert [persoon 2] verderop te gaan staan. [medeverdachte 2] komt ook direct dicht op [persoon 1] staan. [persoon 1] wordt zo door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en NN1 omsingeld. [medeverdachte 3] staat iets verderop bij [persoon 2] . Eén van deze mensen zegt tegen [persoon 1] ‘maak je zakken leeg’ in het Engels, zo heeft [persoon 1] verklaard. [persoon 1] geeft iets af aan [medeverdachte 1] of NN1. Dan wordt tegen [persoon 1] gezegd ‘cash, cash’. [medeverdachte 3] duwt [persoon 2] tegen zijn borst. Vervolgens loopt NN1 als eerste weg, gevolgd door [medeverdachte 1] . [persoon 1] volgt hen. [persoon 2] wordt weer tegen zijn borst geduwd door [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] komt bij [medeverdachte 3] en [persoon 2] staan. Om 02:17:20 uur rennen [persoon 1] en [persoon 2] hard weg.
Om 02:41:33 uur lopen [medeverdachte 2] , [verdachte] en NN1 over de Warmoesstraat . NN1 duwt een deur van het pand met perceelnummer [huisnummer] open en gaat om 02:41:14 uur naar binnen. Om 02:42:25 uur loopt [verdachte] het pand binnen. Dertien seconden later betreedt ook [medeverdachte 2] het pand. Ongeveer een halve minuut later gaan ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] naar binnen. Om 02:50 uur wordt getuige [getuige 1] wakker van harde geluiden in het pand. Door zijn deurspion ziet hij dat drie mannen de woning van zijn overbuurman uit komen lopen. Getuige [getuige 2] ziet drie mannen het appartement overhoop halen. Om 02:53:34 uur verlaten alle vijf de mannen het pand. Zowel de politie als de eigenaar van de woning ( [slachtoffer 5] ) constateren hierna allerlei soorten vernielingen in de woning op nummer [huisnummer] .
Om 02:54 uur komt de groep mannen [persoon 3] tegen op de Warmoesstraat . Om 02:54:59 uur maakt [medeverdachte 1] een slaande beweging richting [persoon 3] . Getuigen [getuige 3] en [slachtoffer 4] proberen tussen hen in te komen. Om 02:55 uur ligt [persoon 3] op de grond. [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en NN1 staan om hem heen. [medeverdachte 1] trekt zijn knie op en maakt een voorwaartse trap waarbij hij zijn been naar voren uitstrekt. Zijn voetzool komt met kracht in het gezicht van [persoon 3] terecht. [persoon 3] zit dan met zijn billen op straat. [medeverdachte 3] schopt dan met zijn rechtervoet in de richting van het hoofd van [persoon 3] , waarna [persoon 3] deels omvalt. Dan maakt [medeverdachte 1] met zijn rechtervoet een schoppende beweging in de richting van het hoofd van [persoon 3] . [persoon 3] valt dan direct naar achteren. Vervolgens staat [persoon 3] voorovergebogen op zijn benen. NN1 en [medeverdachte 1] schoppen dan allebei met hun rechterbeen- en voet in de richting van het hoofd van [persoon 3] . Hierna rennen [persoon 3] , [slachtoffer 4] en [getuige 3] om 02:55:22 uur weg in de richting van de Lange Niezel. [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en NN1 rennen achter hen aan.
Uit de getuigenverklaring van [slachtoffer 4] blijkt dat [getuige 3] en hij zagen dat [persoon 3] door een groep van een aantal personen mishandeld werd toen zij de Warmoesstraat in kwamen lopen. [slachtoffer 4] zag dat [persoon 3] meerdere vuistslagen in het gezicht kreeg door drie of vier personen. Toen [getuige 3] en hij tussen [persoon 3] en de groep in probeerden te komen, keerde de groep zich ook tegen hen. [slachtoffer 4] kreeg vervolgens twee vuistslagen op zijn hoofd. Daarna zag hij dat [persoon 3] door de klappen van de groep op de grond viel, waarna [persoon 3] vier trappen tegen het hoofd en het lichaam kreeg terwijl hij op de grond lag.
Terwijl [persoon 3] , [slachtoffer 4] , [getuige 3] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] rennen, valt [slachtoffer 3] op de grond. [slachtoffer 2] stopt met lopen. [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 1] komen aanrennen. [medeverdachte 3] staat dan achter [slachtoffer 2] , maakt met zijn rechterhand een zwaaibeweging naar achteren en raakt [slachtoffer 2] op zijn slaap. [slachtoffer 2] valt daardoor direct op de grond. [slachtoffer 2] wordt vervolgens door [verdachte] en [medeverdachte 3] vastgepakt en [medeverdachte 3] maakt weer twee keer een slaande beweging richting zijn hoofd. Ook [verdachte] maakt een slaande beweging richting het hoofd van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] valt direct hierna weer op de grond. Terwijl hij op de grond ligt, maakt [verdachte] met zijn rechterbeen een trappende beweging richting het hoofd van [slachtoffer 2] , die daarop de benen van [verdachte] vastpakt. [verdachte] slaat [slachtoffer 2] dan op zijn lichaam. Wanneer [slachtoffer 2] probeert op te staan, houden [verdachte] en [medeverdachte 1] hem op de grond. [medeverdachte 1] schopt vervolgens met kracht tegen het hoofd van [slachtoffer 2] , waardoor zijn lichaam naar links beweegt. [medeverdachte 1] schopt nog een tweede keer tegen het hoofd van [slachtoffer 2] , waarop [slachtoffer 2] in elkaar zakt en op zijn buik stil blijft liggen op de grond. Terwijl een onbekend gebleven persoon [medeverdachte 1] en [verdachte] van [slachtoffer 2] af probeert te houden, blijven [medeverdachte 1] en [verdachte] proberen om dichter bij [slachtoffer 2] te komen. Nadat [verdachte] zijn schoen, die door het vastpakken door [slachtoffer 2] los was gekomen, weer aan heeft gekregen, loopt hij weg. Wanneer [slachtoffer 2] weer is gaan zitten, trapt [medeverdachte 1] met kracht een derde keer in het gezicht van [slachtoffer 2] . Vervolgens trapt [medeverdachte 1] een vierde keer tegen zijn hoofd, waardoor de nek van [slachtoffer 2] dubbel klapt. Hierna loopt [medeverdachte 1] weg.
Om 02:57:03 uur rent [slachtoffer 3] de Korte Niezel in, gevolgd door [medeverdachte 3] en daarna [slachtoffer 1] . [medeverdachte 3] pakt dan [slachtoffer 3] vast en maakt een slaande beweging in zijn richting. Met een gebalde vuist maakt [medeverdachte 3] weer een zwaaiende beweging in de richting van [slachtoffer 3] . Dan pakt [medeverdachte 3] [slachtoffer 1] vast en maakt een slaande beweging richting zijn gezicht. Hij raakt hem daarbij met zijn rechtervuist. Om 02:59:28 uur komen [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 2] om [slachtoffer 1] heen staan en sluiten hem in. [medeverdachte 2] maakt met zijn rechterarm een slaande beweging richting het hoofd van [slachtoffer 1] en raakt hem. Dan maakt [medeverdachte 2] met zijn rechterbeen een schoppende beweging tegen het scheenbeen van [slachtoffer 1] . [medeverdachte 1] staat er ook bij en maakt ook een slaande beweging richting het hoofd van [slachtoffer 1] .
Tussen 03:00 uur en 03:20 uur worden [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] door de politie op verschillende momenten aangehouden op verdenking van verschillende feiten. Omstreeks 04:00 uur worden de aangehouden verdachten naar het politiebureau gebracht. [medeverdachte 1] wordt dan gefouilleerd en in een van zijn zakken wordt een Deens paspoort op naam van [persoon 1] gevonden. Ook wordt in een van zijn zakken een telefoon, ingesteld in de Deense taal en met de naam [persoon 1] op WhatsApp gevonden.
Door de spoedeisende hulp van het OLVG worden bij [persoon 3] die nacht een snijwond in zijn rechter wenkbrauw en hematomen rond zijn ogen geconstateerd. Verder is er een verdenking van een schouderluxatie.
In de overwegingen hieronder zal de rechtbank deze feiten en omstandigheden per feit beoordelen en kwalificeren.
3.4.2
Ten aanzien van de openlijke geweldpleging (feit 1)
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en overweegt daartoe als volgt.
Uit de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat sprake is van het in vereniging plegen van geweldshandelingen tegen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] . Verdachte en zijn medeverdachten maakten onderdeel uit van een groep van vijf personen en hebben allemaal geweld gepleegd tegen de aangevers of het anderen mogelijk gemaakt dat zij geweld konden plegen. Verdachte heeft een bijdrage van voldoende gewicht geleverd aan het in groepsverband gepleegde geweld door samen met de rest [slachtoffer 1] meerdere malen in te sluiten terwijl die mishandeld werd door de andere mannen. De verschillende geweldshandelingen hebben zich in tijd en plaats vrijwel aaneengesloten voorgedaan. Dit geweld vond plaats op de openbare weg, te weten de Warmoesstraat , de Oudezijds Voorburgwal en de Oudezijds Achterburgwal, midden in het centrum van Amsterdam. Daarmee is sprake van openlijke geweldpleging.
3.4.3
Ten aanzien van het geweld tegen [slachtoffer 2] (feit 2)
De rechtbank acht ook bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] zich samen schuldig hebben gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer 2] . Uit de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat [verdachte] [slachtoffer 2] één keer en [medeverdachte 1] hem vier keer tegen het hoofd heeft getrapt. [verdachte] slaat [slachtoffer 2] ook op het lichaam. Dit alles gebeurde terwijl [slachtoffer 2] op de grond zat of met zijn hoofd op de stenen ondergrond lag. Dat deze trappen met veel kracht zijn gegeven, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het feit dat op de beelden te zien is dat de nek van [slachtoffer 2] dubbel klapte en dat hij enige tijd stil (en dus vermoedelijk bewusteloos) op de grond heeft gelegen als gevolg van één van de trappen.
Door met zoveel kracht met een geschoeide voet meerdere keren tegen het hoofd te trappen, was de kans aanmerkelijk dat de schedel van het slachtoffer zou breken en/of dat hij ernstige schade aan zijn hersenen zou oplopen, waardoor hij had kunnen komen te overlijden. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachten naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het teweeg brengen van dat gevolg dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat de verdachten de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust hebben aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Sterker nog, zelfs nadat was ingegrepen door een omstander die over het slachtoffer heen was gaan staan, probeerden verdachten het slachtoffer nog te bereiken.
Er is ook sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] tijdens dit geweld. Door allebei meerdere geweldshandelingen uit te voeren hebben zij allebei een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan dit geweld geleverd.
3.4.4
Ten aanzien van de vernieling van de woning van [slachtoffer 5] (feit 5)
Ten slotte komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de vernieling van de woning van [slachtoffer 5] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat alle vijf de verdachten, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en NN1 gedurende tien minuten in het pand aan de Warmoesstraat [huisnummer] zijn geweest. In ieder geval drie van hen zijn in dat tijdsbestek in de woning op nummer [huisnummer] gezien door de getuigen. Voordat zij de woning in gingen was de woning in goede staat. Direct nadat zij de woning hebben verlaten zijn door de politie en de eigenaar van de woning allerlei vernielingen in de woning geconstateerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan het dan ook niet anders zijn dan dat de vijf verdachten samen deze vernielingen hebben gepleegd.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Feit 1:
op 25 maart 2026 te Amsterdam op de Warmoesstraat , Oudezijds Voorburgwal en de Oudezijds Achterburgwal, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] , en [slachtoffer 4] welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het (met kracht) slaan en stompen en schoppen en trappen tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] , en [slachtoffer 4] ;
Feit 2:
op 25 maart 2026 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] van het leven te beroven,
- meerdere malen tegen het hoofd en tegen het lichaam heeft getrapt en geschopt en
- meerdere malen tegen het hoofd heeft geslagen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 3:
op 25 maart 2026 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk, in een woning aan de Warmoesstraat [huisnummer] , de deurpost en de badkamer en de televisie en het koffiezetapparaat en de vloer, die aan [slachtoffer 5] , toebehoorden heeft vernield en beschadigd en onbruikbaar gemaakt.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen

7.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 primair en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden met aftrek, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daaraan moeten ook de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij de strafmaat rekening te houden met het feit dat verdachte veel spijt heeft van wat zich op 25 maart 2026 heeft afgespeeld. Ook heeft de raadsvrouw verzocht om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis bij uitspraak op te heffen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders binnen één nacht schuldig gemaakt aan meerdere feiten, te weten openlijk geweld, een poging tot doodslag en een vernieling. Samen hebben zij in het centrum van Amsterdam een spoor van geweld en vernieling achtergelaten en zeven slachtoffers gemaakt. De slachtoffers hebben in verschillende mate letsel opgelopen. Van een aantal is bekend dat zij nog altijd de psychische gevolgen dragen. Van één slachtoffer is in zijn woning een ravage achtergelaten door de vernielingen die de daders daar hebben gepleegd. De ernst van deze feiten rechtvaardigt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank houdt rekening met de enigszins kleinere rol van verdachte ten opzichte van zijn mededader(s), in het bijzonder ten aanzien van de poging tot doodslag op [slachtoffer 2] .
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 26 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van een reclasseringsadvies van 25 juni 2026 betreffende verdachte, opgesteld door mw. [naam 2] . Hieruit blijkt – kort samengevat – het volgende. Een aantal leefgebieden brengen voor verdachte risico’s met zich mee, met name op het gebied van middelengebruik en verslaving. Verdachte was ten tijde van het delict onder invloed van alcohol en geeft aan dat hij hierdoor anders reageerde dan gewoonlijk. Er lijkt sprake te zijn van beperkte openheid over middelengebruik. Verder lijkt er sprake te zijn van negatieve beïnvloeding vanuit zijn sociale netwerk, geeft verdachte aan dat hij schulden heeft en was er ten tijde van het ten laste gelegde geen sprake van een dagbesteding. Verdachte woont bij zijn ouders in Delft, maar hoopt in de toekomst een woning voor zichzelf te kunnen vinden. De reclassering heeft haar zorgen over de situatie van verdachte gelet op de ernst van de verdenkingen, de instabiliteit op deze leefgebieden en zijn jonge leeftijd. Hij lijkt gebaat te zijn bij de hulp die hij krijgt in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Verdachte geeft aan mee te willen werken aan bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet daarom mogelijkheden voor interventies. De reclassering schat de risico’s op recidive, letsel en onttrekking aan voorwaarden in als (laag tot) gemiddeld. Het advies aan de rechtbank is om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, gedragsinterventie, contactverbod met de medeverdachten, dagbesteding, aflossing van schulden en beheersing van het middelengebruik.
Strafoplegging
Alles afwegende, komt de rechtbank tot de volgende straf. Aan verdachte wordt een gevangenisstraf van twaalf maanden met aftrek, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren opgelegd. Ook de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd. Aangezien het gaat om een groot aantal voorwaarden, ziet de rechtbank aanleiding om een langer voorwaardelijk strafdeel op te leggen als stok achter de deur dat verdachte hieraan zal mee (blijven) werken.

8.Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:
- een telefoon (voorwerpnummer: BZBB3888).
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om het goed aan verdachte te doen teruggeven. De raadsvrouw heeft zich daarbij aangesloten.
De rechtbank beslist tot teruggave van het goed aan de verdachte, nu geen relatie tussen het inbeslaggenomen goed en de strafbare feiten kan worden vastgesteld.

9.De vorderingen van de benadeelde partijen

9.1
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4]
De vordering
De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert € 797,50 aan vergoeding van materiële schade en € 4.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
De materiële schade bestaat uit gederfde inkomsten gedurende vijf dagen. De benadeelde partij stelt vergoeding van immateriële schade te vorderen wegens lichamelijk en psychisch letsel.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering van de materiële schade af te wijzen. De vordering van de immateriële schade dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 250,-. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de vergoeding van de materiële schade af te wijzen en de vergoeding van de immateriële schade te schatten op basis van een feitelijke vaststelling van het letsel.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor zover deze ziet op de materiële schade, aangezien de vordering op dit punt niet is onderbouwd. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijk rechter aanbrengen.
Ten aanzien van de immateriële schade wijst de rechtbank de vordering toe tot een bedrag van € 500,-. De rechtbank acht dit bedrag redelijk en billijk gelet op de aard en omvang van het door de benadeelde partij geleden lichamelijke letsel en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De toegewezen immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2026 tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen en waardeert deze op een bedrag van € 500,-.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
9.2
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]
De vordering
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 478,10 aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
De materiële schade bestaat uit kosten voor het eigen risico van de zorgverzekering, parkeerkosten (zowel door de benadeelde partij zelf gemaakt als verplaatste schade) en reiskosten. De benadeelde partij stelt vergoeding van immateriële schade te vorderen wegens lichamelijk letsel.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering nu de kosten voor het eigen risico nog niet zijn gemaakt en deze daarom niet voor toewijzing vatbaar zijn. De overige posten kunnen wel worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade dient de vordering geheel te worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van de materiële schade aangezien het onzeker is of het volledige eigen risico verbruikt zal worden door het enkele bezoek dat de benadeelde partij aan de spoedeisende hulp heeft gebracht. De vergoeding van de immateriële schade dient te worden gematigd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 422,30, bestaande uit de kosten voor het eigen risico, de parkeerkosten (zijnde verplaatste schade) ter hoogte van € 22,50 en € 14,80 aan reiskosten. Hoewel de kosten voor het eigen risico nog niet in rekening zijn gebracht, gaat het naar het oordeel van de rechtbank niet om toekomstige schade omdat het ziekenhuisbezoek waarvoor de kosten door de zorgverzekeraar in rekening zullen worden gebracht direct na het feit heeft plaatsgevonden.
De posten parkeerkosten (niet zijnde verplaatste schade) en € 16 ,90 aan reiskosten worden afgewezen. Deze kosten zijn gemaakt voor het doen van aangifte en zijn daarom niet voor toewijzing vatbaar.
De rechtbank stelt de vergoeding van de immateriële schade vast op een bedrag van € 1.000,-. Op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op grond van de aard en omvang van het door de benadeelde partij geleden lichamelijk letsel en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank dit bedrag redelijk en billijk.
De toegewezen materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2026 tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen en waardeert deze op een bedrag van € 1.422,30.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
9.3
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3]
De vordering
De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert € 619,27 aan vergoeding van materiële schade en € 2.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
De materiële schade bestaat uit kosten voor het eigen risico van de zorgverzekering, reparatie van een smart watch en parkeer- en reiskosten. De benadeelde partij stelt vergoeding van immateriële schade te vorderen wegens lichamelijk letsel.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering nu de kosten voor het eigen risico nog niet zijn gemaakt en deze daarom niet voor toewijzing vatbaar zijn. De overige posten kunnen wel worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade dient de vordering geheel te worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van de materiële schade aangezien het onzeker is of het volledige eigen risico verbruikt zal worden. Slechts van € 54,07 staat vast dat de benadeelde partij dit heeft moeten betalen. Uit de door de benadeelde partij bijgevoegde stukken blijkt niet dat de smartwatch daadwerkelijk is gerepareerd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de materiële schade geheel toewijzen. Hoewel de kosten voor het eigen risico nog niet in rekening zijn gebracht, gaat het naar het oordeel van de rechtbank niet om toekomstige schade omdat de ziekenhuisbezoeken waarvoor de kosten door de zorgverzekeraar in rekening zullen worden gebracht direct na het feit heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht het aannemelijk dat het gehele eigen risico door deze bezoeken zal worden verbruikt. Ook de kosten voor het repareren van de smartwatch worden toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij – ondanks dat niet expliciet in de aangifte staat vermeld dat zijn horloge die avond ook stuk is gegaan – met de overgelegde foto van zijn kapotte smartwatch voldoende onderbouwd dat hij deze schade heeft geleden.
De rechtbank zal ook de vordering tot vergoeding van de immateriële schade geheel toewijzen. Gelet op het door de benadeelde partij geleden letsel en de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat dit bedrag in verhouding staat met de door benadeelde geleden schade.
De toegewezen materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2026 tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen en waardeert deze op een bedrag van € 2.619,27.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
9.4
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2]
De vordering
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 611,41 aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
De materiële schade bestaat uit kosten voor een ongebruikt sportschoolabonnement, kapotte kleding en een beschadigde telefoon. De benadeelde partij stelt vergoeding van immateriële schade te vorderen wegens lichamelijk letsel.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële en immateriële schade geheel kan worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van het materiële deel van de vordering heeft de raadsvrouw betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover deze ziet op de kosten voor het sportschoolabonnement. Er is onvoldoende onderbouwd dat de benadeelde partij niet kon sporten. Met betrekking tot de schoenen en telefoon is onduidelijk of er een causaal verband bestaat tussen de schade en de strafbare feiten. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de jas en de broek. De raadsvrouw heeft ook verzocht om de vergoeding van de immateriële schade toe te wijzen tot een bedrag afhankelijk van het feit dat bewezen is verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 560,96, bestaande uit de kosten voor de kleding en de telefoon. Gelet op de door de benadeelde partij aangeleverde foto’s van de kapotte kleding, is de rechtbank van oordeel dat die schade niet valt onder gebruikelijke slijtage van kleding door normaal gebruik. De rechtbank acht het ook aannemelijk dat de telefoon is beschadigd door het bewezenverklaarde feit. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering nu onvoldoende is onderbouwd in hoeverre het sportschoolabonnement daadwerkelijk niet kon worden gebruikt.
De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt geheel toegewezen.
De toegewezen materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2026 tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen en waardeert deze op een bedrag van € 2.060,96.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Hoofdelijkheid
De betalingsverplichtingen ten aanzien van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] worden hoofdelijk opgelegd aan verdachte en zijn mededaders, omdat verdachte de bewezenverklaarde feiten samen met hen heeft gepleegd. Verdachte en zijn mededaders zijn ieder afzonderlijk verplicht om de toegewezen bedragen aan de benadeelde partijen te betalen, behalve voor zover een van de anderen al heeft betaald.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 141, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
Ten aanzien van feit 2 primair:
poging tot doodslag;
Ten aanzien van feit 3:
medeplegen van vernieling.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- Meldplicht bij reclassering
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak;
- Gedragsinterventie agressiebeheersing
Dat veroordeelde binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie Alcohol & Geweld van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op agressiebeheersing, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
- Contactverbod
Dat veroordeelde op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: medeverdachten [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag 2] -2006, [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag 3] -2006 en [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedag 4] -2004;
- Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van een opleiding, betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- Aflossing schulden
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn/haar schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- Beheersing middelengebruik
Dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs), en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Gelast de teruggave aan [verdachte] van:
- een telefoon Apple (voorwerpnummer: BZBB3888).
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 4] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 422,30 (zegge: vierhonderdtweeëntwintig euro en dertig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 1.000,- (zegge: duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Wijst de vordering voor het overige af.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 1.422,30 (zegge: veertienhonderdtweeëntwintig euro en dertig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 14 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van € 619,27 (zegge: zeshonderdnegentien euro en zevenentwintig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 2.000,- (zegge: tweeduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat € 2.619,27 (zegge: zesentwintighonderdnegentien euro en zevenentwintig cent) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover op 25 maart 2026 vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 26 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 560,96 (zegge: vijfhonderdzestig euro en zesennegentig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,- (zegge: vijftiendhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 2.060,96 (zegge: tweeduizendzestig euro en zesennegentig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. Biçer, voorzitter,
mr. H.E. Hoogendijk en mr. I. Timmermans, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van [huisnummer] juli 2026.
[....]
[....]
[....]
[....]
[....][....]