ECLI:NL:RBAMS:2026:7407

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
13/107853-26
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38m SrArt. 38n SrArt. 57 SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging ISD-maatregel voor veelpleger met geweldsdelicten en overlast

De rechtbank Amsterdam heeft op 17 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 26-jarige verdachte zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Verdachte werd beschuldigd van poging tot zwaar lichamelijk letsel, mishandeling, diefstal met geweld, diefstal gevolgd door geweld en het overtreden van een gebiedsverbod.

De rechtbank sprak verdachte vrij van poging tot zwaar lichamelijk letsel wegens onvoldoende bewijs van opzet, maar verklaarde mishandeling en diefstallen met geweld wettig en overtuigend bewezen. De feiten vonden plaats in Amsterdam in maart en april 2026, waarbij camerabeelden en getuigenverklaringen een belangrijke rol speelden.

De officier van justitie vorderde de ISD-maatregel voor twee jaar vanwege de ernst van de feiten en het recidiverende karakter van verdachte. De verdediging voerde aan dat niet aan alle criteria was voldaan, met name vanwege het ontbreken van eerdere reclasseringstoezichtinterventies. De rechtbank oordeelde echter dat verdachte voldeed aan zowel de harde als zachte ISD-criteria en dat oplegging van de maatregel passend en proportioneel was.

Daarnaast werd een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend aan het slachtoffer van de mishandeling, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel. Voor het overtreden van het gebiedsverbod werd geen straf opgelegd.

De rechtbank legde de ISD-maatregel op voor de maximale duur van twee jaar, zonder aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis, met als doel de maatschappij te beschermen en recidive te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte krijgt een ISD-maatregel van twee jaar opgelegd voor mishandeling en diefstal met geweld, met gedeeltelijke toewijzing van immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/107853-26
Datum uitspraak: 17 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1999,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.H. de Krijger, en van hetgeen verdachte en zijn raadsman V. Poelmeijer naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank [persoon 1] , reclasseringswerker bij Inforsa Reclassering, gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is - kort gezegd - tenlastegelegd dat hij zich in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
1. primair een poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) op 10 april 2026, door hem (met kracht) tegen zijn gezicht/hoofd/lichaam te slaan/stompen/schoppen; subsidiair is dit ten laste gelegd als een mishandeling;
2. diefstal met geweld van een telefoon toebehorende aan die [slachtoffer 1] op 10 april 2026;
3. diefstal van een broodje toebehorende aan restaurant [restaurant] , met geweld tegen [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) op 16 maart 2026;
4. het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk bevel (opgelegd gebiedsverbod voor overlastgebied Centrum) op 10 april 2026.
De volledige tenlastelegging is opgenomen als
bijlage Ibij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen tot schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 subsidiair en feiten 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 primair, omdat niet is vast te stellen of verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] . Het handelen van verdachte (het geven van een harde vuistslag in het gezicht van [slachtoffer 1] , twee keer slaan en tegen zijn lichaam trappen) dient te worden gekwalificeerd als een mishandeling (feit 1 subsidiair).
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] , en evenmin dat verdachte die (alsdan) aanmerkelijke kans heeft aanvaard. De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de geweldscomponent, nu niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van enige krachtsuitoefening dan wel het breken van verzet. De raadsman heeft zich gerefereerd wat betreft de diefstal.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Er kan niet worden bewezen dat sprake is geweest van diefstal met geweld, omdat het handelen van verdachte niet kan worden gekwalificeerd als diefstal en/of uit de beelden niets van een geweldshandeling blijkt. Uit de camerabeelden volgt een bevestiging van de verklaring van verdachte dat hij geld in zijn hand had en wilde betalen.
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van feit 4.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in
bijlage IIbij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich op 10 april 2026 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan een mishandeling van [slachtoffer 1] , een diefstal met geweld van de telefoon van die [slachtoffer 1] en aan het overtreden van een aan hem opgelegd gebiedsverbod. Hiernaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 16 maart 2026 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan een diefstal van een broodje van restaurant [restaurant] , welke werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 2] om zijn vlucht mogelijk te maken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Ten aanzien van feit 1 en 2
Uit de aangifte van [slachtoffer 1] en de ter terechtzitting getoonde camerabeelden blijkt het volgende. Op 10 april 2026 treffen [slachtoffer 1] en verdachte elkaar op de Oudezijds Voorburgwal in Amsterdam. [slachtoffer 1] en verdachte staan naast elkaar en wisselen enkele woorden, waarna [slachtoffer 1] op een trapje gaat zitten terwijl hij zijn telefoon in zijn hand heeft en daarmee bezig is. Plotseling gaat verdachte aan de andere kant van [slachtoffer 1] staan en grist hij met zijn rechterhand de telefoon met één krachtige beweging uit de rechterhand van [slachtoffer 1] . Op de camerabeelden is te zien hoe de rechterarm van verdachte volledig naar achteren zwaait na het grissen van de telefoon. [slachtoffer 1] staat direct op, houdt verdachte vast, en pakt met zijn linkerhand de telefoon terug. Vervolgens slaat [slachtoffer 1] richting het hoofd van verdachte, waardoor de bril van verdachte van zijn gezicht valt. Terwijl verdachte zijn bril opraapt, loopt [slachtoffer 1] weg. Verdachte gaat direct achter [slachtoffer 1] aan en geeft hem een harde trap/schop tegen zijn lichaam, waarop [slachtoffer 1] ten val komt en op zijn rug (met zijn voeten in de lucht) belandt. Verdachte geeft [slachtoffer 1] vervolgens tweemaal een harde vuistslag richting zijn gezicht en haalt daarna hard uit met zijn been richting het bovenlichaam van [slachtoffer 1] , die nog steeds op de grond ligt. Hierna loopt verdachte weg en wordt enige tijd later aangehouden door de politie. Uit de aangifte van [slachtoffer 1] blijkt dat hij veel pijn aan zijn hoofd, tanden en lip heeft opgelopen en zich erg misselijk voelde. De moeder van [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij thuiskwam met een opgezwollen gezicht, blauw oog, een gevoelloos gebit, en een afgebroken tand.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer 1] hem met de telefoon filmde en dat hij herhaaldelijk vroeg om hiermee te stoppen. Omdat [slachtoffer 1] dit negeerde, zou verdachte de telefoon hebben afgepakt omdat hij deze “op de grond wilde smijten". Toen [slachtoffer 1] verdachte vervolgens sloeg, verloor verdachte naar eigen zeggen de controle en is verdachte achter [slachtoffer 1] aangegaan omdat hij hem wilde terugslaan.
Bewezenverklaring diefstal vergezeld van geweld (feit 2)
Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij alleen de telefoon van [slachtoffer 1] heeft afgepakt – zonder enig geweld - is op de beelden te zien dat verdachte de telefoon met één krachtige beweging uit de hand van [slachtoffer 1] pakt, waarbij de rechterarm van verdachte volledig naar achteren zwaait. Te zien is dat dit gepaard gaat met enige krachtsuitoefening. De rechtbank acht de geweldscomponent bij de diefstal dan ook bewezen.
Vrijspraak zware mishandeling (feit 1 primair) en bewezenverklaring feit 1 subsidiair
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] . Uit de beelden blijkt namelijk niet waar precies verdachte [slachtoffer 1] op het lichaam raakte en wat de intensiteit van de geweldshandelingen was. Het feit dat verdachte [slachtoffer 1] enkele stevige vuistslagen en trappen heeft gegeven is daartoe onvoldoende. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] en zal verdachte hiervoor dan ook vrijspreken.
De rechtbank kwalificeert het met kracht slaan (vuistslagen) tegen het gezicht van [slachtoffer 1] en het schoppen tegen zijn lichaam als een mishandeling.
Ten aanzien van feit 3
Uit de aangifte van [slachtoffer 2] en de camerabeelden blijkt dat verdachte op 19 maart 2026 restaurant [restaurant] in Amsterdam binnenkomt, naar de balie loopt en met zijn rechterhand over die balie heen rijkt om zo een broodje uit de vitrine te pakken. Hier neemt hij direct een hap van. Vervolgens wordt verdachte aangesproken door personeelslid [slachtoffer 2] . Zij zegt tegen verdachte dat het niet de bedoeling is dat hij een broodje steelt en deelt mede dat zij eerst de camerabeelden gaat bekijken voordat verdachte het restaurant kan verlaten. Verdachte antwoordt dat hij het broodje heeft gekregen van een man in de zaak. Vervolgens blokkeert [slachtoffer 2] de toegangsdeur door hiervoor te gaan staan. Verdachte pakt de deurklink vast en trekt hier krachtig aan, terwijl hij [slachtoffer 2] wegduwt. Klanten die vlakbij de deur staan proberen verdachte nog vast te houden aan zijn kleding, maar verdachte weet zich te onttrekken en rent hard weg.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vijf euro in zijn handen had en zou hebben gezegd dat hij wilde betalen, maar dat [slachtoffer 2] dit weigerde.
Bewezenverklaring diefstal gevolgd van geweld (feit 3)
Op de beelden is duidelijk te zien dat verdachte eigenhandig een broodje uit de vitrine pakt en hiervan begint te eten, terwijl hij nog niet voor het broodje had betaald. Hiermee heeft verdachte zich het broodje, dat toebehoorde aan restaurant [restaurant] , op dat moment al wederrechtelijk toegeëigend door dit aan de feitelijke heerschappij van het restaurant te onttrekken. Het geschetste scenario van de verdediging dat verdachte altijd van plan is geweest om te betalen voor het broodje, is niet aannemelijk geworden gelet op de verklaring van aangever dat verdachte heeft gezegd dat hij het broodje van een man in de winkel had gekregen en hetgeen op de beelden is te zien. De beelden komen overeen met de beschrijving die aangever van de gebeurtenissen geeft. Op geen enkel moment is een poging van verdachte om voor het broodje te betalen op de beelden waar te nemen. .
De rechtbank stelt op basis van de camerabeelden vast dat verdachte vervolgens het restaurant probeerde te ontvluchten en hierbij [slachtoffer 2] heeft weggeduwd. Ook op dit punt ondersteunen de beelden de verklaring van aangever. De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte haar hierbij ook bij de arm heeft gegrepen of in haar arm heeft geknepen. Voor dit onderdeel spreekt de rechtbank verdachte dan ook partieel vrij.
Ten aanzien van feit 4
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierna omschreven in rubriek 5.
Aangezien verdachte het tenlastegelegde heeft bekend en de raadsman ten aanzien van dit feit geen vrijspraak heeft bepleit, kan op grond van artikel 359 derde Pro lid Sv met een opgave van bewijsmiddelen (zie bijlage II) worden volstaan.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Ten aanzien van feit 1 subsidiair
op 10 april 2026 te Amsterdam, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door
- die [slachtoffer 1] (met kracht) in het gezicht te slaan en
- die [slachtoffer 1] tegen het lichaam te schoppen
Ten aanzien van feit 2
op 10 april 2026 te Amsterdam, een telefoon die geheel aan [slachtoffer 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door die telefoon uit de hand te grissen;
Ten aanzien van feit 3
op 16 maart 2026 te Amsterdam, een broodje dat geheel aan restaurant [restaurant] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk door die [slachtoffer 2] weg te duwen;
Ten aanzien van feit 4
op 10 april 2026 te 19:59 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, door of namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied Amsterdam Centrum, althans uit een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

6.Strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Plaatsing in inrichting voor stelselmatige daders

8.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een
inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de
duur van twee jaar. Verdachte voldoet aan de harde criteria en zachte criteria voor oplegging van deze maatregel.
8.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan het vereiste uit artikel 38m vierde lid Sr in samenhang gelezen met de strafvorderingsrichtlijn van het Openbaar Ministerie, nu geen sprake is van eerdere interventies door de reclassering. Dit staat in de weg aan oplegging van de ISD-maatregel. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het disproportioneel zou zijn om de ISD-maatregel op te leggen, nu deze maatregel in het geval van verdachte zal neerkomen op een kale opsluiting. Meer subsidiair is volgens de raadsman niet voldaan aan de zachte ISD-criteria.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en ernst van wat bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling, twee diefstallen met geweld en het overtreden van een overlastgebiedsverbod. Naast dat deze feiten heel vervelend zijn, vindt de rechtbank vooral de geweldscomponent die ten aanzien van drie van de feiten is opgetreden zorgelijk. Verdachte maakt niet alleen inbreuk op andermans eigendomsrechten, maar ook op hun veiligheid en lichamelijke integriteit. Daarbij komt dat er ook steeds veel omstanders aanwezig waren, die ongevraagd getuige werden gemaakt van het agressieve en overlastgevende gedrag van verdachte. In het kader hiervan was aan hem dan ook al eerder een gebiedsverbod opgelegd.
Adviezen van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen van GGZ Reclassering Inforsa van 12 mei en 26 juni 2026. Deze rapporten houden – zakelijk weergegeven – in dat bij verdachte sprake is van problematisch middelengebruik en dat dit gebruik, in combinatie met zijn houding, als risicoverhogende factoren worden beschouwd. Verdachte is in [geboorteland] geboren en heeft de [… ] nationaliteit. Hij heeft een vaste woon- en verblijfplaats in Duitsland en verblijft op zijn vrije dagen in Nederland (in hostels en hotels). Verdachte valt momenteel onder het Unie-recht (als EU-onderdaan). EU-onderdanen hebben in beginsel een verblijfsrecht in Nederland. Dit betekent echter niet dat zij ook in aanmerking komen voor sociale voorzieningen, zoals uitkeringen en de maatschappelijke opvang. EU-onderdanen dienen zelfvoorzienend te zijn. Om aanspraak te kunnen maken op sociaal-maatschappelijke voorzieningen moeten zij rechten hebben opgebouwd in Nederland door hier bijvoorbeeld voor een langere tijd te werken of in Nederland ingeschreven te hebben gestaan. Een strafblad is een belemmering voor de opbouw van rechten. Verdachte heeft geen rechten in Nederland opgebouwd en zou daarnaast ongeveer acht uur per dag moeten reizen vanaf zijn verblijfplaats in Duitsland om op een meldplichtafspraak in Amsterdam te kunnen verschijnen. De reclassering ziet om deze redenen geen mogelijkheden om de risico’s met voorwaarden en/of toezicht te beperken.
De rechtbank heeft ter terechtzitting reclasseringsmedewerker [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) als deskundige gehoord. [persoon 1] heeft bovengenoemde informatie uit het reclasseringsadvies bevestigd en heeft toegelicht dat verdachte gedurende een ISD-maatregel voor zijn cannabisverslaving behandeld kan worden indien hij hiervoor openstaat, en dat kan worden ingezet op terugkeer naar Duitsland. Voor verdere nazorg komt verdachte niet in aanmerking.
De rechtbank acht zich op basis van deze adviezen voldoende voorgelicht om te komen tot een passende afdoeningsmodaliteit. Zij zal overgaan tot oplegging van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel en overweegt hiertoe als volgt.
Harde ISD-criteria
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten 1, 2 en 3 aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezenverklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 10 april 2026 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf terwijl de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
Blijkens het strafblad van verdachte is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.
Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
Zachte ISD-criteria
De reclassering heeft uitgelegd dat en waarom zij geen mogelijkheden zien om met voorwaarden en/of toezicht het recidiverisico te beperken. Daarbij lijkt de doorslag te geven dat verdachte in Nederland geen recht op sociale voorzieningen heeft, waardoor interventies via reclasseringstoezicht nauwelijks haalbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is de weg van een drangkader door middel van reclasseringstoezicht en bijzondere voorwaarden in het geval van verdachte dan ook geen optie. Daarmee is ook aan de zachte ISD-criteria voldaan. Het enkele feit dat niet eerder een drangkader (hulpverleningstraject) in de vorm van reclasseringstoezicht is toegepast, zoals betoogd door de raadsman, doet aan dat oordeel niet af.
Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat aan de harde en zachte criteria voldaan is, rijst de vraag of oplegging van de ISD-maatregel ook passend, geboden en proportioneel is. De rechtbank beantwoordt ook deze vraag bevestigend. Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij zeer veel overlastgevende feiten pleegt die soms ook gepaard gaan met geweld. Uit de onderhavige zaak blijkt ook dat deze feiten, ondanks de eerdere veroordelingen, niet afnemen en juist in ernst lijken toe te nemen. Verdachte bagatelliseert zijn gedrag en vindt dat het slechts om kleine feiten gaat, die een ISD-maatregel niet rechtvaardigen. Uit zijn strafblad volgt echter dat het om een variatie aan feiten gaat met, zoals gezegd, niet zelden een geweldscomponent. Daarnaast zijn bij de politie veel mutaties over verdachte bekend betreffende overlast door dealen op straat. Uit het gesprek dat verdachte met de reclassering heeft gevoerd blijkt echter dat hij de ernst van de overlast en de schade die hij hiermee veroorzaakt niet inziet. De rol van zijn middelengebruik hierbij lijkt verdachte te onderschatten, nu hij herhaaldelijk aangeeft dat zijn motivatie om zich in Nederland te willen begeven gelegen is in de grote beschikbaarheid van cannabis. De reclassering schat het risico op recidive en letsel in als hoog. Daarnaast is gebleken dat verdachte ook in Duitsland sinds 2020 veelvuldig is veroordeeld, zodat een eventuele terugkeer naar Duitsland eveneens geen oplossing zal bieden voor zijn problematiek en recidive. Dit alles maakt dat de rechtbank de oplegging van de ISD-maatregel passend, geboden en ook proportioneel acht.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het noodzakelijk is om aan verdachte de ISD-maatregel op te leggen. Het enkele feit van het ontbreken van het vooruitzicht op nazorg, maakt dat niet anders nu de primaire doelstelling van de ISD-maatregel de beveiliging van de maatschappij is.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
Nu de rechtbank de ISD-maatregel zal opleggen voor de feiten 1, 2 en 3, zal de rechtbank bepalen dat voor feit 4 geen straf of maatregel wordt opgelegd.

9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een bedrag van € 950,- aan vergoeding van immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde vergoeding volledig kan worden toegewezen.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, nu het gestelde letsel niet is onderbouwd met bijvoorbeeld een verklaring van de huisarts of foto’s. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de vergoeding te matigen tot een bedrag van € 200,-.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij door het handelen van verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen en verwijst daarvoor naar de aangifte en de verklaring van de moeder van de benadeelde partij. Gelet hierop heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van immateriële schade. De hoogte van deze vergoeding is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, zal de rechtbank de vordering tot immateriële schadevergoeding toewijzen tot een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2026. De benadeelde partij wordt in het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank, gelet op artikel 36f Sr, ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van € 500,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2026 tot aan de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal kunnen 5 dagen gijzeling worden toegepast.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 300, 312 Sr.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 subsidiair
mishandeling;
Ten aanzien van feit 2
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;
Ten aanzien van feit 3
diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om de vlucht mogelijk te maken;
Ten aanzien van feit 4
opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3
Legt op de
maatregeltot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (
ISD) voor de duur van
2 (twee) jaren.
Ten aanzien van feit 4
Schuldigverklaringzonder oplegging van straf of maatregel.
Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2:
Beslissing op de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijstde vordering
gedeeltelijk toeen veroordeelde verdachte tot betaling van een bedrag van
€ 500,- (zegge: vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 10 april 2026 tot aan de dag van algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat volledig uit vergoeding van immateriële schade.
Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering
niet ontvankelijkis.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van [slachtoffer 1] , tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] van een bedrag van
€ 500,- (zegge: vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 10 april 2026 tot aan de dag van algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kunnen 5 (vijf) dagen gijzeling worden toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan de hem opgelegde verplichting tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.C. Langendoen voorzitter,
mrs. P.K. Oosterling - van der Maarel en M.P.N. Gommers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Smolders, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juli 2026.
[… ]
[… ]