ECLI:NL:RBAMS:2026:7454

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
13-088011-26
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel met terugkeergarantie naar Nederland

De rechtbank Amsterdam behandelde op 23 juni 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank Bremen, Duitsland, gericht op de overlevering van een persoon met de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit. Het EAB betreft een strafbaar feit van illegale handel in verdovende middelen, een lijstfeit onder de Overleveringswet (OLW).

De opgeëiste persoon beriep zich op de terugkeergarantie zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW, omdat hij sterke maatschappelijke en gezinsgebonden banden met Nederland heeft. De Duitse autoriteiten gaven een garantie dat bij veroordeling en onvoorwaardelijke gevangenisstraf de veroordeelde voor de verdere uitvoering van de straf naar Nederland zal worden teruggebracht, mits de betrokkene hiermee instemt.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke vereisten voldoet, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en de garantie voldoende is. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Duitsland toe onder de voorwaarde van een terugkeergarantie naar Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-088011-26
Datum uitspraak: 7 juli 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 24 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 mei 2025 door de Rechtbank (
Amtsgericht) Bremen, Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 juni 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N. Wijkman, advocaat in Almere.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van de Rechtbank (
Amtsgericht) Bremen van 23 april 2025 met kenmerk 91a Gs 314/25 (300 Js 9427/25).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in Duitsland. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland. [4] De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag ondergaan wanneer hij na overlevering in Duitsland wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De Hoofdofficier van Justitie van Vrije Hanzestad Bremen heeft op 30 april 2026 de volgende garantie gegeven:
Er wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon in geval van een onherroepelijke
veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op grond van de geldende versie van
Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie, voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf naar Nederland zal worden teruggebracht.
Dit geldt uitsluitend indien de betrokkene eveneens instemt met de teruglevering.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de Rechtbank (
Amtsgericht) Bremen, Duitsland, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en A.B.M. Wijnveldt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 juli 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (