ECLI:NL:RBAMS:2026:7467

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
13/288538-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 63 SrArt. 77c SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor afdreiging en oplichting met toepassing jeugdstrafrecht

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte, geboren in 2006, veroordeeld voor afdreiging en oplichting gepleegd tussen 15 en 27 september 2025. Verdachte heeft zijn toenmalige collega, de benadeelde partij, misleid en onder druk gezet om geldbedragen af te staan, onder meer door zich voor te doen als anderen en te dreigen met openbaarmaking van een seksueel getinte foto.

De rechtbank achtte de tenlastegelegde feiten bewezen op basis van de bekennende verklaring van verdachte en proces-verbalen. Verdachte maakte misbruik van het vertrouwen van de benadeelde partij en gebruikte intieme beelden als drukmiddel, wat de rechtbank ernstig aanrekent. Verdachte had een strafblad met eerdere vermogensdelicten en liep een proeftijd.

Gezien zijn leeftijd en persoonlijke omstandigheden, waaronder zwakbegaafdheid en ADHD, paste de rechtbank het jeugdstrafrecht toe. De straf bestaat uit een taakstraf van 100 uur en een voorwaardelijke jeugddetentie van 14 dagen met bijzondere voorwaarden zoals begeleiding door de jeugdreclassering en ambulante behandeling.

De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding. De rechtbank kende €2.160,- aan materiële schade toe en €150,- aan immateriële schade wegens aantasting in de persoon, met wettelijke rente. De vordering voor studievertraging werd niet ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing.

De rechtbank legde ook de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke taakstraf op vanwege het plegen van het nieuwe strafbare feit binnen de proeftijd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 100 uur taakstraf en 14 dagen voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden, en schadevergoeding aan benadeelde partij toegekend.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/288538-25
Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13/154600-24 en 13/221756-24
Datum uitspraak: 15 juli 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. de Bont en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.C. van Megen naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van wat er door mr. B. van Straaten namens de benadeelde partij [benadeelde partij] naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
Feit 1
afdreiging van [benadeelde partij] in de periode van 15 september 2025 tot en met 27 september 2025, waarbij hij haar zou hebben gedwongen tot afgifte van een geldbedrag van € 1.160,-, nadat hij zou hebben gedreigd
- haar te noemen bij de politie als opdrachtgever van een hack;
- een seksueel getinte foto van haar openbaar te maken;
Feit 2
oplichting van [benadeelde partij] in de periode van 15 september 2025 tot en met 27 september 2025, waarbij hij haar heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag van € 1.000,- door
- zich voor te doen als [naam 1] ;
- als [naam 1] een opdracht aan te nemen;
- te zeggen dat [naam 1] hiermee een risico zou lopen opgepakt te worden;
- zich voor te doen als [naam 2] ;
- te zeggen dat [naam 1] door haar schuld was opgepakt;
- te beloven dat ze het geld terug zou krijgen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Standpunten van partijen

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag onder feit 1 dient te worden teruggebracht tot € 650,-, omdat de betalingen van 17 september 2025 om 20.28 uur en 18 september 2025 om 8.49 uur moeten worden geschaard onder de oplichtingsconstructie van feit 2.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster dat verdachte degene was die op 18 september 2025 aanwezig was in de bibliotheek en daar de foto in het toilet heeft gemaakt. Wel kan worden bewezen dat verdachte de foto heeft ingezet als middel om aangeefster geld afhandig te maken.

5.Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten. Verdachte heeft de feiten bekend en zijn raadsvrouw heeft geen vrijspraak bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
  • de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 juli 2026;
  • het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij] met nummer PL1300-2025246390-2 van 1 oktober 2025;
  • het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025246390-13 van 10 november 2025.

6.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
1.
in de periode van 15 september 2025 tot en met 27 september 2025 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en openbaring van een geheim [benadeelde partij] heeft gedwongen tot afgifte van enig goed, te weten geldbedragen, die aan die [benadeelde partij] toebehoorden, door te dreigen met:
  • het noemen van de naam van die [benadeelde partij] bij de politie als opdrachtgever van een hack en
  • het openbaar maken van een foto waarop (het gezicht van) die [benadeelde partij] en een ontblote penis en de gegevens van die [benadeelde partij] te zien zijn,
als die [benadeelde partij] die gevraagde geldbedragen niet zou overmaken;
2.
in de periode van 15 september 2025 tot en met 27 september 2025 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de afgifte van geldbedragen, door:
  • zich voor te doen als [naam 1] en
  • in die hoedanigheid een opdracht tot het achterhalen van een IP-adres aan te nemen en
  • aan te geven dat die [naam 1] door die opdracht risico zou lopen opgepakt te worden door de politie en
  • zich vervolgens voor te doen als [naam 2] en
  • aan te geven dat die [naam 1] (door de schuld van die [benadeelde partij] ) is opgepakt door de politie en vast zit en
  • te beloven dat die [benadeelde partij] het betaalde geldbedrag terug zou krijgen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9.Motivering van de straffen

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van zes weken, met aftrek van voorarrest, waarvan drie weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Volgens de officier van justitie zouden aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering geadviseerd, moeten worden gekoppeld.
De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte een taakstraf op te leggen en daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft in een kort tijdsbestek aangeefster een geldbedrag van ruim € 2.000,- afhandig gemaakt. Aangeefster vroeg verdachte, haar toenmalige collega, om hulp bij het vinden van de persoon die haar eerder had opgelicht. Verdachte heeft daarop beloofd haar te zullen helpen. Verdachte heeft haar vervolgens een leugenachtig verhaal voorgespiegeld waarmee zij is misleid om geld aan hem af te geven. Verdachte hield aangeefster voor dat een vriend van hem haar kon helpen en hij heeft zich voorgedaan als deze vriend ( [naam 1] ) en zijn broertje ( [naam 2] ). Tegen aangeefster werd in eerste instantie gezegd dat zij geld moest betalen voor het risico dat [naam 1] liep en daarna dat zij nog meer geld moest betalen omdat het haar schuld was dat [naam 1] was aangehouden. Aangeefster is daarna voortdurend onder druk gezet door haar voor te houden dat zij geld moest betalen om te voorkomen dat haar naam tegenover de politie genoemd zou worden en dat een seksueel getinte foto van haar openbaar gemaakt zou worden.
De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat hij op deze manier bewust misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat aangeefster in hem had en dat hij zich totaal niet bekommerd heeft om de mogelijke gevolgen voor haar. Met name het feit dat verdachte intieme beelden heeft gebruikt als middel om druk op haar uit te oefenen rekent de rechtbank hem zeer aan. Dit soort gedragingen zijn zeer ingrijpend voor slachtoffers en kunnen ernstige psychische gevolgen hebben. Verdachte heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 9 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensfeiten en dat ten tijde van het bewezen geachte sprake was van een lopende proeftijd. Verder blijkt uit het strafblad dat verdachte bij vonnis van 7 oktober 2025 onherroepelijk is veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie, waardoor het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 25 juni 2026. Hieruit blijkt dat bij verdachte sprake is van zwakbegaafdheid en ADHD. Verdachte staat vanuit eerdere veroordelingen al onder toezicht van de jeugdreclassering (William Schrikker Stichting) en moet zich houden aan een aantal bijzondere voorwaarden, waaronder het hebben van contact met een IFA-coach. De ambulante behandeling bij Inforsa verloopt wisselend, mede omdat verdachte veel trajecten tegelijk heeft lopen en ook veel werkt en daardoor mogelijk niet alles meer kan overzien. Het recidiverisico wordt als gemiddeld ingeschat.
De reclassering vindt het van belang dat het huidige traject bij de jeugdreclassering wordt voortgezet. Zij adviseert om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering, ambulante behandeling, dagbesteding, en het geven van inzage in zijn financiën op te leggen.
Ter terechtzitting hebben de toezichthouder van de jeugdreclassering, de heer [reclasseringsmedewerker] , en de IFA-coach van verdachte, de heer [IFA-coach] , verklaard dat het lopende toezicht en de begeleiding zeer positief verliepen. Verdachte liet een positieve ontwikkeling zien en het recidiverisico werd als laag ingeschat. Verdachte kwam zijn afspraken na, volgde een opleiding, had meerdere baantjes en het contact met hem en zijn familie was goed. Het kwam voor hen dan ook zeer onverwacht dat verdachte voor onderhavige zaak werd aangehouden. Hun vertrouwen in verdachte is hierdoor afgenomen, zeker nu er ook sprake is van een nieuwe verdenking van een strafbaar feit dat zou zijn gepleegd in februari 2026 en waarvan de handelingen van verdachte kennelijk gelijkenis vertonen met die van het onderhavige feit. Er bestaan zorgen over het onlinegedrag van verdachte omdat hier weinig zicht op is.
Het advies van de heer [reclasseringsmedewerker] is om de voorwaarden van het huidige toezicht te behouden door deze opnieuw op te leggen, met toevoeging van het inzicht geven in de financiële zaken.
De heer [IFA-coach] heeft te kennen gegeven dat er voor verdachte vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een aanvraag voor begeleid wonen is gedaan en dat het de bedoeling is dat verdachte langdurig begeleid zal worden.
Toepassing jeugdstrafrecht
De rechtbank kan ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt het jeugdstrafrecht toepassen, als de rechtbank daarvoor grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheid waaronder de feiten zijn begaan.
Verdachte was pas 18 jaar ten tijde van het plegen van de feiten. De officier van justitie heeft gevorderd het jeugdstrafrecht toe te passen en ook de raadsvrouw heeft namens verdachte daar om verzocht. Uit het rapport van de reclassering blijkt dat verdachte functioneert op een (licht) verstandelijk beperkt niveau en dat het hem niet lukt om zijn afspraken zelfstandig te overzien. Hij is gebaat bij begeleiding en pedagogische beïnvloeding door volwassenen. Er zijn geen contra-indicaties voor de toepassing van het jeugdstrafrecht. Verdachte kent geen langdurige justitiële voorgeschiedenis, heeft geen criminele levensstijl en ontvangt positieve steun vanuit zijn vader. De rechtbank volgt de reclassering in de uitkomsten van het wegingskader en past daarom het jeugdstrafrecht toe.
Straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht Jeugd in aanmerking genomen. Deze oriëntatiepunten gaan bij oplichting uit van een taakstraf vanaf 40 uur. Voor afdreiging bestaan geen oriëntatiepunten.
De rechtbank is met de reclassering van oordeel dat het van belang is om het lopende toezicht nog geruime tijd voort te zetten. Het is namelijk zorgelijk dat verdachte, terwijl hij in een toezicht bij de jeugdreclassering liep en werd begeleid en daarbij de indruk gaf dat hij een positieve ontwikkeling doormaakte, tot onderhavige feiten is kunnen komen. Daarom zal aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie van 14 dagen worden opgelegd, met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten begeleiding door de jeugdreclassering, ambulante behandeling, dagbesteding en het geven van inzicht in de financiën. Het voorwaardelijke strafdeel strekt er daarnaast toe verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan het plegen van strafbare feiten schuldig te maken. Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf van 100 uur passend en geboden.

10.Benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 12.960,- aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit een bedrag van € 2.160,- dat ziet op de diverse betalingen die aan verdachte zijn gedaan en een bedrag van € 10.800,- dat ziet op de geleden schade in verband met opgelopen studievertraging. Ten aanzien van dit laatste gedeelte van de vordering is namens de benadeelde partij door mr. B. van Straaten naar voren gebracht dat zij zich ervan bewust is dat de vordering mager is onderbouwd. Het is niet gelukt om tijdig een nadere onderbouwing te leveren en mr. Van Straaten heeft de rechtbank in overweging gegeven de benadeelde partij ten aanzien van deze post niet ontvankelijk te verklaren.
Daarnaast vordert de benadeelde partij een bedrag van € 150,- aan immateriële schade, wegens een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.
De benadeelde partij heeft gevorderd het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering ten aanzien van de onderdelen die zien op de materiële schade van € 2.160,- en de immateriële schade toe te wijzen. De benadeelde partij moet niet ontvankelijk verklaard worden ten aanzien van het gedeelte van de vordering dat ziet op de studievertraging.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering niet ontvankelijk te verklaren voor het gedeelte dat ziet op de studievertraging, nu er geen rechtstreeks verband is met de tenlastegelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht dit gedeelte van de vordering af te wijzen omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Meer subsidiair zou de vordering niet ontvankelijk moeten worden verklaard omdat het leveren van een nadere onderbouwing een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Als de rechtbank wel tot een inhoudelijke beoordeling van dit gedeelte van de vordering zou komen, zou het schadebedrag moeten worden gematigd op grond van de omstandigheid dat de stage is geëindigd door een mededeling van aangeefster zelf en niet door een directe gedraging van verdachte.
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade van € 2.160,- is toegebracht, nu dit de geldbedragen zijn die door haar aan verdachte zijn overgemaakt. De vordering zal voor dit gedeelte dan ook worden toegewezen.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij, in lijn met wat namens de benadeelde partij daarover zelf naar voren is gebracht, niet ontvankelijk in haar vordering voor wat betreft de overige materiële schade. Dit deel van de vordering is namens verdachte betwist en namens de benadeelde partij niet onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade geldt het volgende. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Op basis van het dossier en de onderbouwing van de vordering kan niet worden vastgesteld dat sprake is van psychisch letsel bij de benadeelde partij. Maar gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, waarbij vooral rekening is gehouden met het feit dat sprake is geweest van het plegen van een vorm van ‘sextortion’, is de rechtbank van oordeel dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor haar zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het verzochte bedrag zal daarom worden toegewezen.
Over de toegewezen schadevergoeding moet verdachte ook de wettelijke rente betalen vanaf 15 september 2025 tot aan de dag van algehele voldoening.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk vindt dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente.

11.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen

11.1.
Parketnummer 13/154600-24
Verdachte is bij vonnis van 16 oktober 2024 veroordeeld tot een taakstraf van 30 uur, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 20 uur, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Verdachte is daarvan op de hoogte gebracht. De officier van justitie heeft gevorderd dat die voorwaardelijk opgelegde straf nu ten uitvoer wordt gelegd.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te bevelen.
11.2
Parketnummer 13/221756-24
Verdachte is bij vonnis van 21 oktober 2025 veroordeeld tot een jeugddetentie van twee maanden, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Verdachte is daarvan op de hoogte gebracht.
De vordering tot tenuitvoerlegging wordt, zoals ook door de officier van justitie verzocht, niet ontvankelijk verklaard, omdat de in onderhavige zaak bewezen verklaarde feiten voor het ingaan van de proeftijd zijn gepleegd.

12.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 63, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 318 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

13.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1
Afdreiging
Ten aanzien van feit 2
Oplichting
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
 Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvan
100 (honderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 50 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.
 Veroordeelt verdachte tot een
jeugddetentievan
14 (veertien) dagen.
Bepaalt dat deze straf
niet ten uitvoer gelegdzal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
-
Begeleiding door jeugdreclassering
Veroordeelde werkt mee aan het toezicht door de jeugdreclassering (William Schrikker Stichting) en meldt zich op afspraken met de jeugdreclassering zo vaak de jeugdreclassering dat nodig vindt.
-
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is al gestart. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en het delictgedrag.
-
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.
-
Inzage financiën
Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden. Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.
Geeft aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat veroordeelde gedurende de proeftijd
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 2.160,- (zegge: tweeduizend honderdzestig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 150,- (zegge: honderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (15 september 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering is.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op
nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 2.160,- (zegge: tweeduizend honderdzestig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 150,- (zegge: honderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (15 september 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 16 oktober 2024 onder
parketnummer 13/154600-24, namelijk 20 uur taakstraf, subsidiair 10 dagen jeugddetentie.
 Verklaart de officier van justitie
niet ontvankelijkin de vordering tot tenuitvoerlegging onder
parketnummer 13/221756-24.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C. Danel, voorzitter,
mrs. C. Klomp en B. Vogel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juli 2026.
[…]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]