Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
‘equality of arms’), hetgeen tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te leiden.
“the proceedings as a whole were not fair”.
‘equality of arms’(gelijkwaardige positie van procespartijen) ligt besloten in het in artikel 6 EVRM Pro verankerde recht op een eerlijk proces en maakt daar een essentieel onderdeel van uit. Dit beginsel heeft tot doel ervoor te zorgen dat de partijen in strafzaken gelijke procedurele kansen krijgen om de zaak voor te bereiden, om hun argumenten voor te leggen aan de rechter en om proactief deel te nemen aan de gehele procedure. Een ongelijke positie van de verdediging vanwege, zoals hier van belang, een gestelde informatieachterstand kan worden gecompenseerd door andere procedurele waarborgen, waardoor de procedure in zijn geheel toch als eerlijk kan worden beschouwd.
‘equality of arms’, niet eerlijk of in strijd met de regels van een behoorlijk proces is geweest. De rechtbank oordeelt dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van
‘the overall fairness of the trial’. De officier van justitie is dus ontvankelijk in de vervolging.
4.Standpunten van partijen
5.Oordeel van de rechtbank
6.Bewezenverklaring
7.De strafbaarheid van het feit
8.De strafbaarheid van verdachte
9.Motivering van de straf
10.Benadeelde partijen
11.Toepasselijke wettelijke voorschriften
12.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
geldboetevan
€ 500,- (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 5 (vijf) dagen.
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de
proeftijd van twee jarenschuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.
[benadeelde partij 1]niet ontvankelijk in zijn vordering.
[benadeelde partij 4]toe tot een bedrag van € 79,- (zegge: negenenzeventig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 oktober 2021) tot aan de dag van de algehele voldoening.
nihil.
[benadeelde partij 5]toe tot een bedrag van € 2.974,27 (zegge: tweeduizend negenhonderdenvierenzeventig euro en zevenentwintig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 oktober 2021) tot aan de dag van de algehele voldoening.
nihil.