ECLI:NL:RBAMS:2026:7473

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
13/328621-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 149a SvArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor beschadiging van woonboten door te hard varen in Amsterdamse grachten

Op 8 oktober 2021 heeft verdachte met hoge snelheid door de grachten van Amsterdam gevaren, waarbij meerdere woonboten beschadigd zijn geraakt door de hekgolf die zijn sloep veroorzaakte. Verdachte probeerde te ontkomen aan een politiecontrole en negeerde meerdere stoptekeningen, wat leidde tot een achtervolging.

De officier van justitie vorderde een veroordeling wegens opzettelijke vernieling van woonboten, terwijl de verdediging stelde dat onvoldoende bewijs bestond en dat de snelheid en kans op schade niet konden worden vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat het bewezen was dat verdachte meerdere woonboten heeft beschadigd, maar sprak verdachte vrij voor de woonboten die niet toebehoorden aan de genoemde benadeelden.

De rechtbank wees de vordering van een benadeelde partij af wegens gebrek aan onderbouwing, maar kende schadevergoedingen toe aan twee andere benadeelden, inclusief wettelijke rente. Verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €500 met een proeftijd van twee jaar, mede vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

De rechtbank oordeelde dat ondanks het verzuim van het Openbaar Ministerie om aanvankelijk relevante stukken te verstrekken, de procedure als geheel eerlijk was verlopen en de officier van justitie ontvankelijk was. Verdachte werd veroordeeld tot betaling van de toegewezen schadevergoedingen en de kosten van tenuitvoerlegging.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €500 en moet schadevergoedingen betalen aan benadeelden wegens beschadiging van woonboten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/328621-21
Datum uitspraak: 15 juli 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. de Bont en van wat verdachte en zijn raadsman mr. T. van Nimwegen naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat
hij op of omstreeks 8 oktober 2021 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk (meerdere) (woon)boten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1] , en/of [benadeelde partij 2] , en/of [benadeelde partij 3] , en/of [benadeelde partij 4] , en/of [benadeelde partij 5] , en/of [benadeelde partij 6] , en/of bewoners/eigenaren van (woon)boten (gelegen aan de [adres] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) (telkens) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

3.Voorvragen

3.1.
Ontvankelijkheid officier van justitie
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, omdat er sprake is van een ernstige schending van het beginsel van een behoorlijke procesorde. In eerste instantie is door het Openbaar Ministerie relevante informatie achtergehouden over onrechtmatig geweldgebruik door een politieagent (de rechtbank begrijpt: [politieagent] , hierna: [politieagent] ) tegen verdachte. Dat de verdediging [politieagent] als getuige heeft kunnen verhoren heeft dat gebrek niet hersteld, omdat het meinedig proces-verbaal niet aan het dossier is toegevoegd. Overigens zijn ook de processen-verbaal van de verhoren van een aantal getuigen – de mannen die met verdachte op de boot zaten – niet aan het dossier toegevoegd. Het niet verstrekken van alle relevante stukken door het Openbaar Ministerie maakt dat de verdediging niet weet of zij in staat is om de optimale verdediging in de strafzaak te voeren. Daarmee is er sprake van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) (in het bijzonder het daaruit voortvloeiende recht van
‘equality of arms’), hetgeen tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te leiden.
De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Alleen in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro, vindt niet ontvankelijkheidverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging plaats. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens –
“the proceedings as a whole were not fair”.
Het beginsel van
‘equality of arms’(gelijkwaardige positie van procespartijen) ligt besloten in het in artikel 6 EVRM Pro verankerde recht op een eerlijk proces en maakt daar een essentieel onderdeel van uit. Dit beginsel heeft tot doel ervoor te zorgen dat de partijen in strafzaken gelijke procedurele kansen krijgen om de zaak voor te bereiden, om hun argumenten voor te leggen aan de rechter en om proactief deel te nemen aan de gehele procedure. Een ongelijke positie van de verdediging vanwege, zoals hier van belang, een gestelde informatieachterstand kan worden gecompenseerd door andere procedurele waarborgen, waardoor de procedure in zijn geheel toch als eerlijk kan worden beschouwd.
In deze zaak geldt het volgende.
Op grond van het bepaalde in artikel 149a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is de officier van justitie primair verantwoordelijk voor de samenstelling van de processtukken. Daarbij worden keuzes gemaakt op basis van het relevantiecriterium. Tijdens de eerste politierechterzitting op 17 januari 2024 heeft de raadsman toegelicht dat er volgens hem stukken in het strafdossier ontbraken, namelijk het door [politieagent] opgemaakte proces-verbaal, het vonnis waarin [politieagent] is veroordeeld voor mishandeling en meineed en de processen-verbaal van getuigenverhoren. Het vonnis is door de raadsman aan de politierechter overgelegd en aan het dossier toegevoegd.
Omdat de politierechter vond dat er duidelijkheid moest komen, heeft zij ambtshalve besloten dat [politieagent] als getuige moest worden gehoord bij de rechter-commissaris. Dit verhoor heeft op 19 maart 2024 plaatsgevonden in het bijzijn van de raadsman, waarbij hij ook vragen aan [politieagent] heeft kunnen stellen. Dat het strafdossier aanvankelijk geen informatie bevatte over het handelen van [politieagent] op 8 oktober 2021 rondom de aanhouding en het door hem opgemaakte meinedige proces-verbaal, beoordeelt de rechtbank wel degelijk als een verzuim. Die informatie was immers mogelijk relevant voor de beoordeling van de strafzaak. Met de voeging van het veroordelende vonnis van [politieagent] en het verhoor dat heeft plaatsgevonden bij de rechter-commissaris is dit verzuim echter hersteld.
Voor zover er thans nog stukken zijn die niet aan het dossier zijn toegevoegd – zoals het door de raadsman genoemde meinedige proces-verbaal en de verklaringen van de mannen die bij verdachte op de boot zaten - merkt de rechtbank op dat de verdediging de mogelijkheid heeft gehad om zich tot het Openbaar Ministerie te wenden met een verzoek tot inzage in deze stukken, eventueel gevolgd door een verzoek tot voeging van deze stukken bij de processtukken. Dit heeft de verdediging echter niet gedaan. Dat deze stukken op enigerlei wijze relevant zouden kunnen zijn voor de beoordeling van de strafzaak – die immers slechts gaat over een vernieling die heeft plaatsgevonden ruim voordat [politieagent] in beeld kwam – acht de rechtbank niet aannemelijk.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat de procedure, vanwege een schending van het beginsel van
‘equality of arms’, niet eerlijk of in strijd met de regels van een behoorlijk proces is geweest. De rechtbank oordeelt dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van
‘the overall fairness of the trial’. De officier van justitie is dus ontvankelijk in de vervolging.
3.2.
Overige voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Standpunten van partijen

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen.
4.2.
Standpunt van de verdediging
Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken wegens een gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs.
De meeste aangiftes zijn pas ruim na 8 oktober 2021 gedaan en de aangevers hebben niet onderbouwd dat de door hen gestelde schades door verdachte zijn veroorzaakt op de wijze zoals omschreven in de tenlastelegging. Bovendien blijkt uit het opsporingsonderzoek niet hoe hard verdachte heeft gevaren langs de [adres] , omdat de politie hem daar niet heeft gezien en dus ook geen snelheidsmeting heeft verricht. Ook kan niet worden vastgesteld dat verdachte de aanmerkelijke kans op het veroorzaken van de schade bewust heeft aanvaard, omdat het opsporingsonderzoek onvoldoende informatie bevat over of in deze specifieke situatie een aanmerkelijke kans op schade bestond door golfslag van de sloep die verdachte bestuurde.

5.Oordeel van de rechtbank

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
De rechtbank oordeelt dat bewezen is dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk meerdere (woon)boten gelegen aan de [adres] te Amsterdam heeft beschadigd, maar zal verdachte partieel vrijspreken voor zover ten laste is gelegd dat de woonboten zouden toebehoren aan [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , nu uit het dossier volgt dat zij geen eigenaar van de woonboten zijn ten aanzien waarvan zij aangifte hebben gedaan.

6.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
op 8 oktober 2021 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk meerdere (woon)boten, die aan [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] en eigenaren van (woon)boten, gelegen aan de [adres] , toebehoorden heeft beschadigd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9.Motivering van de straf

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van vijf dagen, met een proeftijd van één jaar.
De raadsman heeft primair verzocht aan verdachte geen straf op te leggen, gelet op de door hem bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met het grote tijdsverloop en de omstandigheid dat sprake is geweest van onrechtmatig toegepast geweld door [politieagent] tegen verdachte. Volgens de raadsman zou een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel of een geheel voorwaardelijke taakstraf passend zijn.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Toen de politie in de nachtelijke uren verdachte als schipper van een sloep op de Prinsengracht wilde controleren heeft verdachte geprobeerd te ontkomen. Hij heeft daarbij met hoge snelheid door de grachten in de binnenstad van Amsterdam gevaren. De achtervolging leidde tot Ouderkerk aan de Amstel en weer terug. De politie is de sloep meerdere keren uit het oog verloren omdat verdachte de lichten van de sloep had gedoofd. Verdachte heeft meerdere politie-eenheden die hem volgden en tot stoppen maanden genegeerd en heeft zelfs een politievaartuig dat overdwars was gaan liggen geschampt en gepasseerd. Uiteindelijk moest een politievaartuig de sloep aanvaren om hem tot stoppen te brengen. Na zijn aanhouding is vastgesteld dat verdachte onder invloed verkeerde van meer dan de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol.
Door de hoge snelheid waarmee verdachte voer, is een zogenaamde ‘hekgolf’ ontstaan. Door de verbalisanten is waargenomen dat andere boten aan weerszijden van de kade wild bewogen en tegen de kade aangedrukt werden. Uit de aangiftes blijkt dat daarbij schade is ontstaan aan meerdere (woon)boten die in de [adres] lagen aangemeerd. Verdachte heeft met zijn handelen getoond geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander.
Persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 9 juni 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Ook blijkt dat hij drie boetes voor een totaalbedrag van € 890,- opgelegd heeft gekregen die allemaal betrekking hebben op het feitencomplex in onderhavige zaak, waaronder voor het varen onder invloed van alcohol.
Straf
Hoewel verdachte al nadelige gevolgen van zijn handelen heeft ondervonden omdat aan hem meerdere boetes zijn opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat - gelet op de ernst van het feit - het opleggen van een straf toch passend is en dat toepassing van artikel 9a van het Wetboek van strafrecht (hierna: Sr) niet aan de orde is. Een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- zou een passende straf zijn.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf echter rekening met het grote tijdsverloop sinds het bewezen verklaarde feit. De verdachte heeft een lange tijd moeten wachten op de behandeling van deze strafzaak en in onzekerheid verkeerd over de afloop daarvan. Er is ruim viereneenhalf jaar verstreken sinds het bewezenverklaarde.
Uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.
Hoewel hiervoor is opgemerkt dat sprake is van een tijdsverloop van ruim viereneenhalf jaar sinds het bewezenverklaarde, gaat de rechtbank bij het bepalen van de aanvang van de redelijke termijn uit van een ander moment. Uitgangspunt is dat de redelijke termijn aanvangt op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een vervolging zou worden ingesteld. Dat is in deze zaak het moment waarop aan verdachte de dagvaarding is betekend, te weten op 23 december 2023. Tussen die datum en de datum van het vonnis, 15 juli 2026, ligt een periode die de redelijke termijn met bijna zeven maanden overschrijdt. Daarmee is de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro ruimschoots overschreden.
Dit alles heeft een matigende invloed op de hoogte van de straf. De rechtbank zal alles afwegend de beoogde onvoorwaardelijke geldboete in voorwaardelijke vorm opleggen.

10.Benadeelde partijen

10.1.
[benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 2.050,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het bedrag bestaat uit € 550,- voor een kapot gevallen gitaar en € 1.500,- voor een beschadigde brug.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is door de benadeelde partij niet onderbouwd en door de verdediging gemotiveerd betwist. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
10.2.
[benadeelde partij 4]
De benadeelde partij [benadeelde partij 4] vordert € 79,- aan vergoeding van materiële schade en € 60,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding van € 79,- komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, is onderbouwd met een factuur en onvoldoende gemotiveerd betwist en zal daarom worden toegewezen. Het bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Uit de onderbouwing volgt dat de benadeelde partij - wanneer zij het heeft over immateriële schade - geen vergoeding van immateriële schade vordert, maar vergoeding van buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in dit deel van haar vordering, nu de hoogte van de buitengerechtelijke kosten niet is onderbouwd en proceskosten geen rechtstreekse schade betreft als bedoeld in artikel 51f en artikel 361 lid 2 sub b Sv Pro.
Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, deze worden tot op heden begroot op nihil.
In het belang van [benadeelde partij 4] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.
10.3.
[benadeelde partij 5]
De benadeelde partij [benadeelde partij 5] , vertegenwoordigd door gemachtigde [gemachtigde] , vordert € 2.974,27 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, is onderbouwd met stukken en onvoldoende gemotiveerd betwist en zal daarom worden toegewezen. Het bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [benadeelde partij 5] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 36f, 57, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

12.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen, meermalen gepleegd
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
 Veroordeelt verdachte tot een
geldboetevan
€ 500,- (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 5 (vijf) dagen.
Bepaalt dat deze geldboete
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de
proeftijd van twee jarenschuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.
 Verklaart
[benadeelde partij 1]niet ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
 Wijst de vordering van de benadeelde partij
[benadeelde partij 4]toe tot een bedrag van € 79,- (zegge: negenenzeventig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 oktober 2021) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 4] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op
nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 4] aan de Staat € 79,- (zegge: negenenzeventig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van één dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
 Wijst de vordering van de benadeelde partij
[benadeelde partij 5]toe tot een bedrag van € 2.974,27 (zegge: tweeduizend negenhonderdenvierenzeventig euro en zevenentwintig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 oktober 2021) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 5] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op
nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 5] aan de Staat € 2.974,27 (zegge: tweeduizend negenhonderdenvierenzeventig euro en zevenentwintig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 oktober 2021) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 29 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. Vogel, voorzitter,
mrs. C. Klomp en M.C. Danel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juli 2026.