ECLI:NL:RBAMS:2026:7474

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
13/172231-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 6:6:14 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting ISD-maatregel wegens hoge recidivekans en noodzakelijke klinische behandeling

De rechtbank Amsterdam heeft op 15 juli 2026 een tussentijdse toetsing uitgevoerd van de ISD-maatregel die op 17 september 2025 aan de veroordeelde is opgelegd voor de duur van twee jaren. De maatregel is bedoeld ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van recidive.

Uit het evaluatierapport en de zitting blijkt dat de veroordeelde sinds oktober 2025 in een penitentiaire inrichting verblijft, waar hij dwangmedicatie kreeg vanwege agitatie en spanning. Inmiddels neemt hij vrijwillig medicatie en is het toestandsbeeld gestabiliseerd. De veroordeelde heeft cognitieve beperkingen waardoor psychologische behandeling moeilijk is, maar hij is recent gemotiveerd om mee te werken aan een klinische opname.

De deskundige adviseert voortzetting van de ISD-maatregel omdat de klinische opname nog niet heeft plaatsgevonden en het recidiverisico hoog blijft. De officier van justitie steunt dit advies. De verdediging betoogt dat de maatregel niet langer zinvol is omdat de behandeling te laat is gestart en de resterende termijn te kort is voor adequate zorg.

De rechtbank oordeelt dat voortzetting noodzakelijk is gezien de zorgbehoefte, het hoge recidiverisico en de recente motivatie van de veroordeelde. De maatregel wordt daarom voortgezet om de intramurale zorg te continueren en door te stromen naar de extramurale klinische fase.

Uitkomst: De rechtbank besluit tot voortzetting van de ISD-maatregel vanwege het hoge recidiverisico en de noodzaak van klinische behandeling.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/172231-25 (tussentijdse toetsing ISD-maatregel)

Uitspraakdatum: 15 juli 2026
Deze rechtbank heeft op 17 september 2025 de maatregel tot plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren opgelegd aan:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,
niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen,
thans verblijvende in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (hierna: [Penitentiaire Inrichting]) van de Penitentiaire Inrichting (hierna: P.I.) Haaglanden te Den Haag ,
hierna: de veroordeelde.

Procesgang

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:
  • het vonnis van deze rechtbank van 17 september 2025;
  • het verzoek ex artikel 6:6:14 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van de veroordeelde en zijn raadsman mr. T.G. Hop van 29 april 2026 om een tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel;
  • een uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) betreffende de veroordeelde van 9 juni 2026;
  • het evaluatierapport ISD van 17 juni 2026, opgemaakt door senior casemanager [deskundige] , werkzaam bij het [Penitentiaire Inrichting], ten behoeve van een toetsing van de ISD-maatregel.
De rechtbank heeft op 1 juli 2026 de officier van justitie mr. S. de Bont, de veroordeelde, zijn raadsman mr. T.G. Hop, advocaat te Amsterdam, alsmede de deskundige [deskundige] , verbonden aan het [Penitentiaire Inrichting], op de openbare zitting gehoord.

Beoordeling

Verloop van het ISD-traject en het advies van de deskundige
Uit het bovengenoemde evaluatierapport blijkt onder meer het volgende.
De tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is aangevangen op 28 oktober 2025.
De veroordeelde is op 1 oktober 2025 opgenomen door het [Penitentiaire Inrichting] van de [Penitentiaire Inrichting] naar aanleiding van zijn psychische gesteldheid en de extra zorg en ondersteuning die hij nodig had. Tijdens het verblijf in het [Penitentiaire Inrichting] was er sprake van achterdocht, agitatie en spanning, waarvoor de veroordeelde dwangmedicatie kreeg voorgeschreven, waarna het toestandsbeeld stabiliseerde. Inmiddels neemt de veroordeelde op vrijwillige basis zijn medicatie in en is er geen sprake meer van een dwangkader. Dagelijks wordt bemoeizorg gegeven in de vorm van ondersteuning bij dagelijkse handelingen en aansturing op zelfzorg. De inschatting is dat de cognitieve beperkingen in dergelijke mate aanwezig zijn, dat psychologische behandeling te hoog gegrepen is en/of niet zal beklijven.
Tijdens de twee eerdere aan hem opgelegde ISD-maatregelen heeft de veroordeelde een klinische opname geweigerd. Gezien de recente stabilisering en de toegenomen motivatie tot hulp en ondersteuning werd indicatie gezien om de veroordeelde aan te melden voor een klinische opname ten behoeve van verdere begeleiding, behandeling en nazorg in het kader van de extramurale fase. Hierbij is rekening gehouden met de zorgbehoefte van de veroordeelde en de aanwezige kans op overvraging en overzichtsverlies. De veroordeelde is inmiddels geaccepteerd door Behandelcentrum Wier+ (SGLVG) te Den Dolder voor een klinische opname in het kader van de extramurale fase. Verder heeft de Vrijheden Commissie van [Penitentiaire Inrichting] al positief geadviseerd ten aanzien van de klinische opname. Het is nu wachten op de opnamedatum.
Gezien de zorgbehoefte, de chronische aard van de (psychische) problematiek en de instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden, met hoge kans op recidive bij beëindiging, wordt geadviseerd om de ISD-maatregel voort te zetten. De zorg in het [Penitentiaire Inrichting] (de intramurale fase ISD) kan worden gecontinueerd en er kan worden toegewerkt naar een klinische opname in het kader van de extramurale fase.
De deskundige [deskundige] heeft het advies om de ISD-maatregel voort te zetten ter zitting bevestigd. In aanvulling daarop heeft hij verklaard dat de veroordeelde nog op de wachtlijst staat en dat er nog geen opnamedatum bekend is. Een aanmelding binnen een forensisch kader verloopt doorgaans sneller dan een aanmelding binnen een vrijwillig kader.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot voortzetting van de ISD-maatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de ISD-maatregel niet langer zinvol is en daarom dient te worden beëindigd.
De ISD-maatregel is al ruim een half jaar geleden aangevangen en de veroordeelde is door zijn plaatsing in het [Penitentiaire Inrichting] nog steeds niet begonnen met een intramurale dan wel extramurale behandeling. Er is gedurende de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel te weinig gedaan om te komen tot een adequate behandeling van de veroordeelde, die daartoe wel gemotiveerd is. De veroordeelde is toe aan de volgende stap, namelijk doorstroming naar een vervolgplek in een klinische instelling. Hij is daarvoor pas in maart van dit jaar aangemeld en op dit moment kan geen prognose worden gegeven over de wachttijden voor de juiste behandelsetting en er kan dus geen adequate behandeling meer worden geboden binnen de resterende termijn van de ISD-maatregel. Alles afwegende ontbreekt op dit moment de meerwaarde van voortzetting van de ISD-maatregel. Voortzetting zou betekenen dat de veroordeelde in ‘kale’ detentie zou moeten blijven zitten tot het einde van de ISD-maatregel. Dat is in strijd met de gedachte achter de maatregel, aldus – steeds – de raadsman.
De veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat hij graag wil beginnen met een klinische behandeling.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank dient in het kader van de onderhavige procedure te beoordelen of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel noodzakelijk is. In artikel 38m lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is bepaald dat de ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel moet worden voortgezet. Uit het evaluatierapport ten behoeve van de tussentijdse toetsing en hetgeen op zitting is besproken, blijkt dat een klinische behandeling noodzakelijk wordt geacht om het risico op recidive terug te dringen. Er is inmiddels een passende behandelkliniek gevonden waarbinnen deze behandeling kan worden opgestart. De veroordeelde is nog niet voor zijn problematiek behandeld en het recidiverisico wordt als hoog inschat bij beëindiging van de ISD-maatregel. Omdat de veroordeelde sinds kort pas motivatie heeft om mee te werken aan een klinische opname, is bovendien geen sprake van omstandigheden buiten de macht van de veroordeelde die maken dat voortzetting van de maatregel niet zinvol zou zijn. De rechtbank zal dan ook beslissen dat de maatregel dient te worden voortgezet.
Daarom wordt als volgt beslist.
Gezien artikel 6:6:14 Sv Pro.

Beslissing

De rechtbank bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel
wordt voortgezet.
Deze beslissing is gegeven door
mr. B. Vogel, voorzitter,
mrs. C. Klomp en M.C. Danel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juli 2026.