ECLI:NL:RBAMS:2026:7488

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
13/271188-25 (zaak A), 13/141495-25 (zaak B) en 13/164887-25 (zaak C)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing in trein

De rechtbank Amsterdam heeft op 15 juli 2026 uitspraak gedaan in drie aan elkaar gevoegde strafzaken tegen een verdachte geboren in 2006. De verdachte werd beschuldigd van medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing in een rijdende trein (zaak A), schennis van de eerbaarheid (zaak B) en poging tot diefstal van een zaagmachine (zaak C).

De rechtbank achtte alle feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van aangiftes, camerabeelden, getuigenverklaringen en de bekennende verklaring van de verdachte. De verdachte maakte deel uit van een groep die de slachtoffers gedurende de treinreis intimideerde, bedreigde met messen en dwong tot afgifte van goederen. Daarnaast toonde hij zich schuldig aan het tonen en bewegen van zijn geslachtsdeel in het openbaar en aan poging tot diefstal.

De rechtbank paste het jeugdstrafrecht toe vanwege de leeftijd en kwetsbaarheid van de verdachte en legde een werkstraf van 120 uren op met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke jeugddetentie van vier maanden met een proeftijd van twee jaar. Tevens werden bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder meldplicht, ambulante behandeling en contactverbod met medeverdachten. De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelden werden deels toegewezen, met een totaalbedrag van enkele duizenden euro's aan materiële en immateriële schadevergoeding.

De rechtbank wees verzoeken tot vrijheidsbeperkende maatregelen af wegens disproportionaliteit en hief het bevel tot voorlopige hechtenis op. De straf en voorwaarden zijn gericht op resocialisatie en het voorkomen van recidive.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uur werkstraf en 4 maanden voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden wegens medeplegen van ernstige strafbare feiten in trein.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13.271188.25, 13.164887.25 (ter terechtzitting gevoegd) en 13.141495.25 (ter terechtzitting gevoegd)
Strafrecht
Parketnummers: 13/271188-25 (zaak A), 13/141495-25 (zaak B; ter zitting gevoegd) en 13/164887-25 (zaak C; ter zitting gevoegd)
Datum uitspraak: 15 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 2006 in [geboorteplaats 1] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna te noemen: de verdachte

1.Onderzoek op de zitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 juli 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A (13/271188-25), zaak B (13/141495-25) en zaak C (13/164887-25) aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.F. van Kregten, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. N.D. de Fluiter, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de deskundige [naam 1] , reclasseringsmedewerker, ter zitting naar voren heeft gebracht.
De rechtbank heeft ten slotte kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van [aangever 1] (hierna: [aangever 1] ), [aangever 2] (hierna: [aangever 2] ) en [aangever 3] (hierna: [aangever 3] ).

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is in
zaak Aten laste gelegd dat hij zich op 19 juli 2025 in de trein op het traject tussen Nijmegen en Amsterdam Sloterdijk heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van
wederrechtelijke vrijheidsberoving van [aangever 1] , [aangever 2] en/of [aangever 3] ;
diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld van een pet, sieraden, telefoons en/of kledingstukken toebehorende aan [aangever 1] , [aangever 2] en/of [aangever 3] ;
afpersing van [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] door die [aangever 1] , [aangever 2] en/of [aangever 3] met geweld en/of bedreiging met geweld te dwingen tot afgifte van telefoons, codes, pasjes, sleutels, kledingstukken en/of geld.
Daarnaast is aan de verdachte in
zaak Bten laste gelegd dat hij zich op 9 mei 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan in het openbaar handelingen verrichten die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid.
Tot slot is aan de verdachte in
zaak Cten laste gelegd dat hij zich op 28 mei 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal van een zaagmachine bij de Gamma.
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen als
bijlage Ibij dit vonnis en gelden als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten in de zaken A, B en C wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Ten aanzien van
zaak Akan het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met (bedreiging met) geweld en afpersing worden bewezen. In het dossier zitten drie gedetailleerde aangiftes die op belangrijke onderdelen overeenkomen. Deze aangiftes worden ondersteund door de camerabeelden, de herkenningen van de verdachte door de aangevers en de verklaring van [aangever 3] bij de rechter-commissaris. De verdachte heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan bovengenoemde feiten. Uit het dossier volgt dat de groep jongens, waar de verdachte deel van uitmaakte, de gehele treinreis op een dreigende en intimiderende manier in de nabijheid van de aangevers bleef. Hierdoor was er een bepaalde mate van dwang ontstaan om in de treincoupé te blijven zitten en daarmee kan het opzet op de vrijheidsberoving worden bewezen.
Daarnaast kan de tenlastegelegde schennis van de eerbaarheid in
zaak Bop basis van de getuigenverklaringen en de bekennende verklaring van de verdachte worden bewezen. Daaruit volgt dat de verdachte zijn geslachtsdeel heeft getoond, vastgepakt en bewogen.
Tot slot kan ten aanzien van
zaak Cde poging tot diefstal van een zaagmachine van de Gamma op basis van de bekennende verklaring van de verdachte en de aangifte namens de Gamma worden bewezen.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte in
zaak Ain het geheel dient te worden vrijgesproken vanwege gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. De verdachte bekent dat hij in de betreffende treincoupé aanwezig was en in het gezelschap was van de groep jongens, dit wordt ook ondersteund door de verklaringen van de aangevers, de herkenning van de verdachte door de aangevers en de beschikbaar gestelde beelden. De verdachte heeft echter geen aanzienlijke en significante bijdrage geleverd aan de gepleegde feiten, waardoor het medeplegen niet kan worden bewezen.
Uit de aangifte van [aangever 2] en [aangever 1] zijn geen concrete handelingen of bijdragen te herleiden die specifiek aan de verdachte kunnen worden toegerekend. [aangever 1] benoemt daarbij dat de verdachte juist een van de jongens was die geen mes bij zich droeg. De verklaringen van [aangever 3] zijn onbetrouwbaar omdat de aangifte en de verklaring bij de rechter-commissaris wat betreft het dragen van een mes op de heup en het voelen in de zakken van de aangevers niet overeenkomen. De verdachte heeft zich bovendien onttrokken aan de situatie doordat hij in een andere treincoupé is gaan zitten.
De raadsman heeft verder geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van
zaak Ben
zaak Cen acht de feiten bewezen.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Ten aanzien van zaak A
Feiten en omstandigheden
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met (bedreiging met) geweld en afpersing. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt vast dat alle drie de aangevers ( [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] ) afzonderlijk van elkaar gedetailleerd hebben verklaard over wat is voorgevallen op 19 juli 2025 in een treincoupé tijdens de treinrit van Nijmegen naar Amsterdam. Die verklaringen komen op essentiële onderdelen overeen en worden ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier. Uit de aangiftes volgt dat de aangevers gedurende de treinreis van Nijmegen naar Amsterdam door een groep jongens van hun vrijheid zijn beroofd en beroofd zijn gehouden. De groep bleef voortdurend in de nabijheid van de aangevers, zij mochten de verdachten niet aankijken, niet opstaan en niet naar de wc. De aangevers durfden geen contact te maken met een conductrice, omdat de groep zich continu om hen heen begaf. Nadat de trein was gestopt op station Arnhem en zowel de aangevers als de groep jongens uitstapten, bleef de groep jongens in de buurt van de aangevers. Toen de aangevers daarna in een andere coupé wilden instappen, werden zij door de groep jongens gemaand bij hen te blijven. Uit angst voor repercussies zijn de aangevers weer in dezelfde coupé gaan zitten, omdat zij wisten dat de jongens messen bij zich hadden.
Tijdens de treinreis heeft de groep jongens enerzijds goederen van de aangevers weggenomen terwijl het wegnemen voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd werd door (bedreiging met) geweld. Anderzijds zijn de aangevers door middel van (de bedreiging met) dit geweld gedwongen om goederen aan leden van de groep af te geven. Naar het oordeel van de rechtbank is door het gedrag van de groep dat hierboven is beschreven een dermate bedreigende en intimiderende situatie gecreëerd waarbij ten aanzien van de aangevers de dwang is ontstaan om in de coupé te blijven zitten, en later – nadat zij waren uitgestapt en hun goederen al waren weggenomen dan wel afgegeven – weer in dezelfde coupé te gaan zitten. Met deze gewelddadige aanpak door de groep jongens, in zulke getalsmatige dominantie terwijl de slachtoffers geen kans hadden om aan de situatie te ontsnappen omdat zij in een rijdende trein zaten, is het opzet op de vrijheidsberoving van de aangevers en de wederrechtelijkheid hiervan naar het oordeel van de rechtbank gegeven.
Medeplegen
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of de verdachte, die tot de groep jongens hoorde, wezenlijk of voldoende significant heeft bijgedragen aan het geheel van gedragingen zoals tenlastegelegd, zodat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. Het is daarbij niet noodzakelijk dat de verdachte alle gedragingen in de tenlastelegging heeft verwezenlijkt. Daarnaast is het niet vereist dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte gelijkwaardig is aan dat van zijn mededaders.
[aangever 1] beschrijft in zijn aangifte dat er zeven personen bij de aangevers in de trein gingen staan. Volgens [aangever 1] hadden alle zeven personen een aandeel in de tenlastegelegde gedragingen. Vervolgens geeft [aangever 1] een beschrijving van de vijf personen die het grootste aandeel hadden. Hierbij beschrijft hij een van de jongens (persoon 5) als volgt: ‘man, vermoedelijk Marokkaans, vol postuur, ongeveer 175 centimeter, hoog zwart krullend haar, blauwe jas, hoge stem en werd door iemand [naam 2] genoemd’. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij deze persoon is. Dit wordt ondersteund door de camerabeelden en de herkenning van de verdachte door [aangever 1] nadat hij het Instagram-account van de verdachte had gevonden.
[aangever 3] verklaart in zijn aangifte dat in de trein een jongen een mes op zijn heup droeg. Deze jongen zou de verdachte zijn geweest. Ook [aangever 3] heeft de verdachte herkend op Instagram. [aangever 3] is daarnaast gehoord bij de rechter-commissaris, waar hij heeft verklaard dat de verdachte een van de personen is geweest die in de zakken zat van alle drie de aangevers. De rechtbank heeft geen redenen om aan deze verklaringen te twijfelen. Dat de herkenning van de verdachte later heeft plaatsgevonden via het Instagram-account van de verdachte, doet daar niet aan af.
De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [aangever 3] onbetrouwbaar zijn en daardoor niet bruikbaar voor een bewezenverklaring. De verklaringen zouden niet met elkaar overeenkomen en aldus, zo begrijpt de rechtbank, tegenstrijdig zijn. De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. Dat [aangever 3] bij de politie verklaart dat de verdachte een mes bij zich droeg en dit mes in zijn latere verhoor bij de rechter-commissaris niet meer aan de orde is gekomen, maakt zijn verklaringen niet onbetrouwbaar. Het uitblijven van een spontane herhaling van een eerder afgelegde verklaring is geen ‘wisselende’ verklaring en levert dan ook geen tegenstrijdigheid op. Ook het feit dat hij – zoals door de verdediging naar voren gebracht – bij de rechter-commissaris voor het eerst verklaarde over het door de verdachte ‘in de zakken zitten van alle drie de aangevers’ kan niet tot de conclusie leiden dat de verklaring van [aangever 3] onbetrouwbaar is geworden. De rechtbank overweegt dat deze latere aanvulling past binnen zijn eerdere verklaring over de tenlastegelegde gedragingen. De toevoeging dat de verdachte in de zakken van aangevers zat, ziet de rechtbank als een nadere invulling en niet als een (wezenlijke) wijziging van de eerder verklaring. De rechtbank oordeelt dan ook dat de verklaring van [aangever 3] , nu deze voor de bewezenverklaring op wezenlijke onderdelen consistent is, betrouwbaar is en zal deze dan ook voor het bewijs gebruiken.
Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op de verklaring van de verdachte ter zitting dat hij gehoord en gezien heeft dat de aangevers gedwongen werden tot afgifte van hun spullen. De verdachte was derhalve aanwezig in de treincoupé waar de tenlastegelegde feiten zich afspeelden. Het door de verdediging aangevoerde scenario waarbij de verdachte zich daarna zou hebben onttrokken aan de situatie door in een andere treincoupé te gaan zitten, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden omdat dit scenario wordt weersproken door de eerdergenoemde bewijsmiddelen uit het procesdossier. Daarbij heeft de verdachte verklaard dat hij ook weer is teruggekeerd in de coupé waar de aangevers zaten en een joint met hen heeft gerookt. Anders dan door de verdediging aangevoerd overweegt de rechtbank hierover dat dit terugkeren door de verdachte voor de aangevers juist moet hebben bijgedragen aan de bedreigende en intimiderende situatie en hun gevoel dat zij geen kant op konden.
Nu uit de verklaringen volgt dat de verdachte is herkend als een van de vijf personen met het grootste aandeel in de tenlastegelegde feiten, de verdachte gehoord en gezien heeft dat aangevers werden gedwongen tot afgifte van hun spullen, zichtbaar een mes bij zich droeg en in de zakken zat van alle drie de aangevers, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan zowel de wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met (bedreiging met) geweld als afpersing. Daarmee staat vast dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de groep jongens.
3.3.2.
Ten aanzien van zaak B
De rechtbank stelt op grond van de bekennende verklaring van de verdachte en de andere bewijsmiddelen vast dat hij op 9 mei 2025 in Amsterdam zich schuldig heeft gemaakt aan schennis van de eerbaarheid door zijn geslachtsdeel te tonen, vast te pakken en te bewegen. Gelet hierop komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het in zaak B tenlastegelegde feit.
3.3.3.
Ten aanzien van zaak C
De rechtbank stelt op grond van de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting en de andere bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 28 mei 2025 in Amsterdam gepoogd heeft om een zaagmachine van de Gamma te stelen. Gelet hierop komt de rechtbank eveneens tot een bewezenverklaring van het in zaak C tenlastegelegde feit.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte:
Zaak A
1.
op 19 juli 2025 in de trein op het treintraject tussen Nijmegen en Amsterdam Sloterdijk (via Arnhem en Amsterdam Centraal), tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door:
  • met een groep, om de treinzit, waar die [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] zaten, heen te gaan staan en
  • messen te tonen en daar die [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] mee te bedreigen en met dat mes steekbewegingen te maken in de richting van die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en
  • die [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en
  • op station Arnhem die [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] te gebieden weer dezelfde coupé in te gaan en
  • een intimiderende situatie van getalsmatig overwicht te creëren en daarmee voornoemde [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] ervan te weerhouden de coupé te verlaten en in een andere coupé plaats te nemen en de wc te gebruiken;
2.
op 19 juli 2025 in de trein op het treintraject tussen Nijmegen en Amsterdam Sloterdijk (via Arnhem en Amsterdam Centraal), tezamen en in vereniging met anderen
- een pet en
- sieraden en
- een of meerdere telefoons en
- kledingstukken
die aan [aangever 1] of [aangever 2] of [aangever 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd met geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
  • messen te tonen en mee te bedreigen en daar steekbewegingen mee te maken in de richting van die [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] en
  • hierbij dreigend de woorden toe te voegen: “inleveren of moet ik je in elkaar slaan” en “ik ga jou steken als je mij je jas niet geeft” en “geef me telefoon en je code anders ga ik je slaan” en “elke keer als je niets doet gaan de klappen harder worden” en “als je niet meewerkt ben je de lul” en
- die [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] tegen het hoofd en/of lichaam te slaan;
3.
op 19 juli 2025 in de trein op het treintraject tussen Nijmegen en Amsterdam Sloterdijk (via Arnhem en Amsterdam Centraal), tezamen en in vereniging anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] , heeft gedwongen tot de afgifte van:
  • een of meerdere telefoon en (toegangs)codes en/of
  • pasjes en
  • sleutels en
  • kledingstukken en
  • een paar schoenen en
  • een geldbedrag,
die aan die [aangever 1] [aangever 2] en [aangever 3] toebehoorden door:
  • messen te tonen en/of mee te bedreigen en/of daar steekbewegingen mee te maken in de richting van die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en
  • hierbij dreigend de woorden toe te voegen: “inleveren of moet ik je in elkaar slaan” en “ik ga jou steken als je mij je jas niet geeft” en “geef me telefoon en je code anders ga ik je slaan” en “elke keer als je niets doet gaan de klappen harder worden” en “als je niet meewerkt ben je de lul” en
  • die [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en
  • [aangever 1] en [aangever 2] te gebieden hun telefoon en (toegangs)codes en/of gegevens af te geven en
  • die [aangever 3] te gebieden zijn vest af te geven en
  • die [aangever 2] te gebieden zijn schoenen af te geven;
Zaak B
op 9 mei 2025 te Amsterdam opzettelijk in het openbaar, te weten op het [adres 1] , handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten het tonen van zijn geslachtsdeel en het vastpakken van zijn geslachtsdeel en het op en neer bewegen van zijn geslachtsdeel;
Zaak C
op 28 mei 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een zaagmachine die geheel aan Gamma toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd geen reden te zien om het door de reclassering geadviseerde ‘adolescentenstrafrecht’ toe te passen en heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht het ‘adolescentenstrafrecht’ toe te passen. Hij heeft primair verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en daarom aan de verdachte een werkstraf op te leggen voor zaken B en C met aftrek van de dagen die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. De raadsman heeft daarbij verzocht een deel van deze werkstraf voorwaardelijk op te leggen en daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden.
Mocht de rechtbank – naast een bewezenverklaring van de zaken B en C – ook tot een bewezenverklaring komen van de feiten in zaak A, dan heeft de raadsman verzocht om de onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de duur van het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden te verbinden.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals daarvan ter zitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straffen en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Aard en ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verschillende ernstige feiten. Om te beginnen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een wederrechtelijke vrijheidsberoving van drie minderjarige jongens gedurende een treinrit van Nijmegen naar Amsterdam. Hierbij zijn de slachtoffers ook bestolen en afgeperst, waarbij geweld is gebruikt, met geweld is gedreigd en messen zijn getoond. Dit heeft voor pijn maar ook angst gezorgd bij de slachtoffers. Hoe beangstigend de treinreis voor hen was, blijkt uit de aangiftes van alle drie de slachtoffers. De impact van deze feiten op het mentale welzijn van specifiek [aangever 1] en [aangever 3] blijkt uit de onderbouwing van hun vordering tot schadevergoeding. Zij beschrijven dat hun leven sindsdien in negatieve zin is veranderd. Dit soort strafbare feiten die zich in de openbaarheid afspelen, kunnen daarnaast ook onrust en vrees veroorzaken bij andere treinreizigers die getuige zijn van dergelijke geweldsincidenten.
De verdachte heeft zich eveneens aanstootgevend gedragen in het centrum van Amsterdam door zijn geslachtsdeel uit zijn broek te halen. Dit gedrag is door meerdere omstanders waargenomen. De verdachte heeft met dit gedrag de grenzen van omstanders en temeer de twee vrouwen tot wie het gedrag gericht was, overschreden.
Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal van een zaagmachine bij de Gamma. Diefstal is een hinderlijk feit waarvan winkeliers veel (financiële) overlast ervaren.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 21 mei 2026. Hieruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. De rechtbank heeft ook gekeken naar het rapport van de reclassering van 22 juni 2026 dat over de verdachte is opgesteld. Uit het rapport blijkt dat er bij de verdachte problemen zijn op het gebied van psychosociaal functioneren, sociaal netwerk en middelengebruik en de reclassering ziet dit dan ook als risicofactoren voor recidive.
In het kader van het schorsingstoezicht is de verdachte al in behandeling bij het Forensisch Jeugdteam van Inforsa. De behandeling is nog niet geheel van de grond gekomen omdat de verdachte bij de start nog last had van psychoses en eerst stabiel diende te worden. Inmiddels is de verdachte gestabiliseerd en kan verder worden ingezet op de behandeling.
De verdachte houdt zich goed aan de bijzondere voorwaarden die zijn opgelegd bij de schorsing van de voorlopige hechtenis. Het wordt van belang geacht om de psychiatrische kwetsbaarheid van de verdachte te blijven monitoren Daarnaast wordt het noodzakelijk geacht om gedurende het toezicht meer inzicht te krijgen in de onderliggende factoren die hebben bijgedragen aan het tenlastegelegde. Op die manier kan het recidiverisico beter worden beoordeeld en kunnen eventuele interventies hierop worden afgestemd. De reclassering adviseert daarom bij een (deels) voorwaardelijke straf de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling, contactverbod met de medeverdachten, dagbesteding, aflossing schulden en beheersing middelengebruik. Verder ziet de reclassering contra-indicaties voor het opleggen van een gevangenisstraf aan de verdachte, aangezien hij tijdens de voorlopige hechtenis in onderhavige zaak psychotisch ontregeld is geraakt.
Mevrouw [naam 1] heeft ter zitting verklaard dat zij achter deze adviezen van de reclassering staat.
Adolescentenstrafrecht
De verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 18 jaar oud. Bij de veroordeling van een jongvolwassene tot 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast, indien omstandigheden gelegen in de persoon van de verdachte of omstandigheden waaronder het feit is gegaan, daartoe aanleiding geven.
De reclassering heeft geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen. De reclassering heeft hiervoor advies gevraagd aan de Raad voor de Kinderbescherming en hij komt tot dezelfde conclusie. De rechtbank neemt dat advies over en zal in deze zaak het jeugdstrafrecht toepassen. Er zijn bij de verdachte indicaties dat hij zich gemakkelijk laat beïnvloeden. Dit blijkt ook uit onderhavige feiten waarbij de gedragingen in de trein en de poging tot diefstal naar alle waarschijnlijkheid onder een bepaalde mate van groepsdruk hebben plaatsgevonden. Verder maakt de verdachte actief deel uit van een gezin. Zijn vader was aanwezig ter zitting en geeft de indruk dat hij nauw betrokken is bij het welzijn en de behandeling van de verdachte. Er is eveneens sprake van schoolgang bij de verdachte. Gelet op het voorgaande lijkt de verdachte ontvankelijk voor pedagogische beïnvloeding. De rechtbank is van oordeel dat de toepassing van het jeugdstrafrecht van belang is voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte, en ook in het belang van de maatschappij, om de verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten.
Straf
Door de toepassing van het jeugdstrafrecht en de psychische kwetsbaarheid van de verdachte komt de rechtbank tot een andere straf dan de officier van justitie heeft geëist. Bij het bepalen van de straf kijkt de rechtbank naar de oriëntatiepunten die de strafrechters landelijk hebben afgesproken (de LOVS-oriëntatiepunten). Volgens de oriëntatiepunten geldt voor een diefstal met geweld en afpersing een werkstraf van 60 uren, dan wel één maand jeugddetentie. Daarnaast staat op een (poging) diefstal een werkstraf van 20 uren en op schennis van de eerbaarheid een werkstraf van 30 uren.
De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheid dat de wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met (bedreiging met) geweld en afpersing in vereniging hebben plaatsgevonden. Eveneens neemt de rechtbank als strafverzwarende omstandigheid mee dat de beroving in een rijdende trein heeft plaatsgevonden, zoals volgt uit artikel 312, tweede lid onder 1 van het Wetboek van Strafrecht.
Om de verdachte van de ernst van zijn gedrag en deze feiten te doordringen, vindt de rechtbank, naast een taakstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.
Alles overwegende komt de rechtbank daarom tot het oordeel dat aan de verdachte een werkstraf moet worden opgelegd voor de duur van 120 uren met aftrek van het voorarrest en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van vier maanden. Aan de voorwaardelijke jeugddetentie verbindt de rechtbank een proeftijd voor de duur van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden
Gelet op de psychische kwetsbaarheid van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als hij niet direct de juiste behandeling en begeleiding ontvangt die hij nodig heeft. Daarom zal zij bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Contact-, gebieds- en/of locatieverbod
[aangever 1] heeft primair om een contact-, gebieds- en/of locatieverbod als vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr verzocht. Dit is een maatregel ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat dit artikel met name tot stand is gekomen teneinde overlast van personen te beperken. Het gaat dan bijvoorbeeld om personen die telkens strafbare feiten plegen in een bepaald gebied of personen die ernstig belastend gedrag jegens het slachtoffer vertonen, zoals telkens bij de woning van een slachtoffer komen.
De rechtbank moet daarbij een afweging maken tussen de aard van het strafbare feit, de omstandigheden van het geval, de persoon van de dader en de belangen van het slachtoffer en de samenleving. In die afweging moet er rekening mee worden gehouden of er een gegronde vrees is dat de verdachte opnieuw strafbare feiten richting het slachtoffer zal plegen.
De rechtbank acht het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v Sr in dit geval niet proportioneel. De verdachte is doordrongen van het feit dat hij verkeerd heeft gehandeld en de rechtbank ziet geen reëel risico dat de verdachte [aangever 1] nog iets zal aandoen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het opleggen een vrijheidsbeperkende maatregel in dit geval te ver zou gaan en wijst dit verzoek derhalve af.
Voorts heeft [aangever 1] verzocht om aan de verdachte een contact-, gebieds- en/of locatieverbod als bijzondere voorwaarden in de zin van artikel 14c, tweede lid onder 5 en 6 Sr op te leggen. De rechtbank ziet, mede gelet op het feit dat dit door de reclassering ook niet is geadviseerd, ook hiertoe geen aanleiding.
Voorlopige hechtenis
De verdachte loopt in een schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van 15 juli 2026.

8.Ten aanzien van de benadeelde partijen

8.1.
Vordering van benadeelde partij [aangever 1]
heeft een bedrag van € 4.092,18 gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit € 2.092,18 aan vergoeding voor materiële schade en € 2.000,- aan vergoeding voor immateriële schade. Hij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente, de verdachte hoofdelijk te veroordelen en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
8.1.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële-schadevergoeding in zijn geheel kan worden toegewezen. De gevorderde materiële-schadevergoeding kan gedeeltelijk worden toegewezen, waarbij de officier van justitie verzoekt om [aangever 1] ten aanzien van de schadepost
verlies van arbeidsvermogenniet-ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan onderbouwing. De officier van justitie verzoekt daarbij het bedrag hoofdelijk toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.2.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft primair verzocht [aangever 1] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering wegens de verzochte integrale vrijspraak. Indien de rechtbank niet tot een vrijspraak komt, heeft de raadsman verzocht de schadepost
verlies van arbeidsvermogenvanwege een onvolledige of onjuiste onderbouwing af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsman refereert zich wat betreft de immateriële schade aan het oordeel van de rechtbank.
8.1.3
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Vast staat dat [aangever 1] door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Het gedeelte van de vordering dat ziet op de schadeposten
vervangen rijbewijs (€ 63,05), riem (€ 28,50)en
aanvragen nieuwe pinpas (€ 5,-)is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.
Ten aanzien van de schadepost
waarde gestolen iPhone (€ 300,-)overweegt de rechtbank dat de grond voor het toekennen van schadevergoeding is komen te vervallen, doordat de telefoon onder de medeverdachte in beslag is genomen en de rechtbank bij vonnis [1] de teruggave van deze telefoon aan [aangever 1] heeft bevolen. De rechtbank wijst derhalve de vordering ten aanzien van deze schadepost af.
Voorts verklaart de rechtbank [aangever 1] ten aanzien van de schadepost
verlies van arbeidsvermogen (€ 1.275,-)niet-ontvankelijk, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Op grond van de vordering is onvoldoende duidelijk geworden om welke reden de benadeelde partij zijn baan heeft moeten opzeggen zodat het rechtstreekse verband tussen deze schadepost en de bewezenverklaarde feiten niet is komen vast te staan.
De benadeelde partij wordt in het gedeelte van de vordering dat ziet op de schadeposten
contactslot scooter (€ 70,-), gestolen vest (€ 90,-), Lacoste-armband (€ 89,95)en
oplader telefoon (€ 19,99)eveneens niet-ontvankelijk verklaard. Uit het dossier en de vordering blijkt niet dat er een rechtstreeks verband is tussen deze schadeposten en de bewezenverklaarde feiten.
Ten aanzien van
nieuwe sloten woning (€ 150,69,-),geldt dat niet is onderbouwd dat deze schade is geleden door de benadeelde partij. Blijkens de stukken is de factuur gericht aan [naam 3] . Zij is de moeder van [aangever 1] . De rechtbank houdt het er zonder nadere onderbouwing door de benadeelde partij daarom op dat zij degene is die deze schade heeft geleden en niet de benadeelde partij. De rechtbank verklaart de benadeelde partij derhalve ook in deze schadepost niet-ontvankelijk.
De materiële schade wordt gelet op het voorgaande toegewezen tot een bedrag van in totaal € 96,55. Ten aanzien van de schadevorderingen waarin de benadeelde partij niet-ontvankelijk is verklaard krijgt de benadeelde partij in deze strafprocedure geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze procedure. De zaak zou dan immers moeten worden aangehouden en de verdachte moet dan langer wachten totdat zijn zaak wordt afgedaan terwijl de benadeelde partij al voldoende tijd heeft gehad om zijn vordering te onderbouwen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De
immateriële schadewordt in rubriek 8.4. besproken.
8.2.
Vordering van benadeelde partij [aangever 2]
heeft een bedrag van € 2.716,- gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit € 816,- aan vergoeding voor materiële schade en € 1.900,- aan vergoeding voor immateriële schade. Hij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente, de verdachte hoofdelijk te veroordelen en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
8.2.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [aangever 2] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het materiële gedeelte van zijn vordering aangezien de vordering op dat onderdeel onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het gehele bedrag kan worden toegewezen, omdat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de door [aangever 2] gestelde nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat van een aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. De officier van justitie verzoekt daarbij het bedrag hoofdelijk toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.2.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft primair verzocht [aangever 2] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering wegens de verzochte integrale vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij in zijn vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren. Wat betreft de gevorderde vergoeding van immateriële schade sluit de raadsman zich aan bij het standpunt van de officier van justitie.
8.2.3.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Vast staat dat [aangever 2] door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De schadeposten zijn echter op geen enkele wijze onderbouwd. Daarom verklaart de rechtbank [aangever 2] niet-ontvankelijk ten aanzien van de materiële-schadeposten. De benadeelde partij krijgt in deze strafprocedure geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze procedure. De zaak zou dan immers moeten worden aangehouden en de verdachte moet dan langer wachten totdat zijn zaak wordt afgedaan terwijl de benadeelde partij al voldoende tijd heeft gehad om zijn vordering te onderbouwen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De
immateriële schadewordt in rubriek 8.4. besproken.
8.3.
Vordering van benadeelde partij [aangever 3]
heeft een bedrag van € 2.623,90,- gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit € 623,90 aan vergoeding voor materiële schade en € 2.000,- aan vergoeding voor immateriële schade. Hij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente, de verdachte hoofdelijk te veroordelen en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
8.3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde vergoeding van materiële en immateriële schade in zijn geheel kunnen worden toegewezen. De officier van justitie verzoekt daarbij het bedrag hoofdelijk toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.3.2.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft primair verzocht [aangever 3] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering wegens de verzochte integrale vrijspraak. Indien de rechtbank niet tot een vrijspraak komt, heeft de raadsman verzocht de materiële schadeposten
Lacoste jas (€ 183,90)en
Gucci-pet (€ 340,-)vanwege een onvolledige of onjuiste onderbouwing af te wijzen dan wel de benadeelde partij in deze vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsman refereert zich wat betreft de immateriële schade aan het oordeel van de rechtbank.
8.3.3.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Het gedeelte van de vordering dat ziet op
contant geld (€ 100,-)is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier stelt de rechtbank vast dat deze schade rechtstreeks in verband staat met de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.
De rechtbank verklaart [aangever 3] ten aanzien van de schadepost
Gucci-pet (€ 340,-)niet-ontvankelijk, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Uit de kassabon die is bijgevoegd bij de vordering ter onderbouwing van de schade is namelijk niet te herleiden dat het om de aankoop van een pet gaat.
Verder volgt uit het dossier dat enkel een Lacoste-vest van [aangever 3] is weggenomen. De bijgevoegde kassabonter onderbouwing van de schadepost
Lacoste-jas (€ 183,90)bestaat uit de kosten voor een compleet trainingspak. De rechtbank wijst daarom de helft van het gevorderde bedrag toe (te weten: € 91,95). De rechtbank verklaart [aangever 3] in het overige gedeelte van deze schadepost niet-ontvankelijk.
De materiële schade wordt gelet op het voorgaande toegewezen tot een bedrag van in totaal € 191,95. Ten aanzien van de niet-ontvankelijk verklaarde schadeposten krijgt de benadeelde partij in deze strafprocedure geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze procedure. De zaak zou dan immers moeten worden aangehouden en de verdachte moet dan langer wachten totdat zijn zaak wordt afgedaan terwijl de benadeelde partij al voldoende tijd heeft gehad om zijn vordering te onderbouwen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De
immateriële schadewordt in rubriek 8.4. besproken.
8.4.
Immateriële schade van benadeelde partijen [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3]
Een benadeelde partij kan op grond van artikel 6:106 aanhef Pro en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak maken op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Dat kan als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen of indien het gaat om een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit blijkt dat hiervan sprake is. In sommige gevallen kan de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zonder zo’n nadere concrete onderbouwing.
De rechtbank is van oordeel dat [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en zijn medeverdachten op andere wijze in hun persoon zijn aangetast en daarom aanspraak kunnen maken op vergoeding van immateriële schade. Hoewel deze aantasting niet met concrete gegevens is onderbouwd, bijvoorbeeld door overlegging van een verklaring van een huisarts of een andere medisch specialist, neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat de aard en de ernst van bewezenverklaarde afpersing, diefstal met (bedreiging met) geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving in de gegeven omstandigheden – en in onderlinge samenhang bezien – meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat een aantasting van de persoon kan worden aangenomen. De jonge slachtoffers werden geslagen en bedreigd met een mes door een grote groep jongemannen terwijl zij in een rijdende trein zaten en dus geen kant op konden.
De rechtbank heeft acht geslagen op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend en op de Rotterdamse schaal. In paragraaf 19.1 van de Rotterdamse Schaal worden bedragen genoemd in het geval van bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal en/of afpersing. Onder categorie (b) ‘ernstig’ worden gevallen genoemd waarin de benadeelde naast de diefstal/afpersing met (bedreiging van) geweld ook urenlang van zijn vrijheid wordt beroofd. Voor die categorie wordt een bedrag genoemd tot € 3.000,-. Gelet op de bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank toepassing van deze categorie bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding billijk. Derhalve wijst de rechtbank de gevorderde vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 2.000,- toe in het geval van [aangever 1] en [aangever 3] en ter hoogte van € 1.900,- in het geval van [aangever 2] .
8.5.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering van [aangever 1] toewijzen tot een bedrag van € 2.096,55, bestaande uit € 96,55 aan vergoeding voor materiële schade en € 2.000,- aan vergoeding voor immateriële schade.
De rechtbank zal de vordering van [aangever 2] toewijzen tot een bedrag van € 1.900,-, bestaande uit vergoeding voor immateriële schade.
Ten slotte zal de rechtbank de vordering van [aangever 3] toewijzen tot een bedrag van € 2.191,95 bestaande uit € 191,95 aan vergoeding voor materiële schade en € 2.000 aan vergoeding voor immateriële schade.
8.6.
Wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel, kosten en hoofdelijkheid
De toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade, te weten 19 juli 2025, tot de dag van de algehele voldoening. Daarnaast wordt aan de verdachte ten aanzien van alle toegewezen vorderingen de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en moet hij de kosten betalen die [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] hebben gemaakt en nog moeten maken voor de tenuitvoerlegging hiervan. De kosten zijn tot nu toe begroot op nihil. Nu de rechtbank gelet op de persoon van de verdachte in deze zaak toepassing geeft aan het jeugdstrafrecht, bepaalt zij in lijn met die beslissing dat het aantal dagen gijzeling bij het niet voldoen aan de schadevergoedingsverplichting op 0 dagen wordt gesteld.
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met anderen heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de nog te maken proceskosten (tot op heden begroot op nihil) en de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een mededader een benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of de proceskosten niet meer aan die benadeelde partij hoeft te betalen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 45, 55, 63, 77c, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg, 254b, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat de verdachte het in zaak A, B en C ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A, feiten 1, 2 en 3:
eendaadse samenloop van:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van zijn vrijheid beroven en beroofd houden,
en
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om bij betrapping op heterdaad het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd in een spoortrein die in beweging is en gepleegd door twee of meer verenigde personen,
en
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd in een spoortrein die in beweging is en gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Ten aanzien van zaak B
opzettelijk in het openbaar handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid verrichten.
Ten aanzien van zaak C
poging tot diefstal.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart de verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
werkstrafvan
120 (honderdtwintig) uren,met bevel, voor het geval dat de verdachte de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
60 (zestig) dagen, met bevel dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.
Veroordeelt de verdachte tot een
voorwaardelijke jeugddetentievoor de duur van
4 (vier) maanden.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jaarvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Daarbij gelden de volgende bijzondere voorwaarden:
Meldplicht
De veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De veroordeelde meldt zich bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] te Amsterdam.
Ambulante behandeling
De veroordeelde laat zich gedurende de proefperiode behandelen door het Forensisch Jeugdteam of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op stabilisatie van de psychische problematiek, diagnostiek, delictanalyse en delictpreventie. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Contactverbod
De veroordeelde heeft en zoekt gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met de medeverdachten [medeverdachte 1] (geboren op [geboortedag 2] 2005 in [geboorteplaats 2] ( [land van herkomst] )) en [medeverdachte 2] (geboren op [geboortedag 3] 2004 in [geboorteplaats 3] ).
Dagbesteding
De veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Aflossing schulden
De veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Beheersing middelengebruik
De veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen.
Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 77aa, derde lid, jo artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Vorderingen benadeelde partijen
[aangever 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.096,55 (tweeduizend zesennegentig euro en vijfenvijftig cent),bestaande uit € 96,55 (zesennegentig euro en vijfenvijftig cent) aan vergoeding voor materiële schade en € 2.000,- (tweeduizend euro) aan vergoeding voor immateriële schade. Deze schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade (19 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de schadepost
waarde gestolen iPhoneaf.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag (en de nog te maken proceskosten) aan [aangever 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 1] aan de staat € 2.096,55 (tweeduizend zesennegentig euro en vijfenvijftig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (19 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte of door of namens anderen aan een van de genoemde betalingsverplichtingen aan [aangever 1] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
[aangever 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.900,- (duizend negenhonderd euro),bestaande uit de vergoeding voor immateriële schade. Deze schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade (19 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag (en de nog te maken proceskosten) aan [aangever 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 2] aan de staat € 1.900,- (duizend negenhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (19 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte of door of namens anderen aan een van de genoemde betalingsverplichtingen aan [aangever 2] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
[aangever 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.191,95 (tweeduizend honderdéénennegentig euro en vijfennegentig cent),bestaande uit € 191,95 (honderdeenennegentig euro en vijfennegentig cent) aan vergoeding voor materiële schade en € 2.000 (tweeduizend euro) aan vergoeding voor immateriële schade. Deze schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade (19 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag (en de nog te maken proceskosten) aan [aangever 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 3] aan de staat € 2.191,95 (tweeduizend honderdeenennegentig euro en vijfennegentig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (19 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte of door of namens anderen aan een van de genoemde betalingsverplichtingen aan [aangever 3] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Voorlopige hechtenis
Heft het bevel tot voorlopige hechtenis op, met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. D. Bode, voorzitter,
mrs. D.M.S. Gribling en C.S. Groefsema, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. B.L. Briejer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juli 2026.
[…]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]

1.[…]

1.[…]

Voetnoten

1.Rechtbank Amsterdam 5 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5711.