ECLI:NL:RBAMS:2026:7493

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
C/13/766718
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • D.G. Bertsch
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 815 RvArt. 1:93 BWArt. 1:94 BWArt. 1:100 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met vaststelling hoofdverblijfplaats, zorgregeling, alimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap

Partijen zijn gehuwd sinds 14 januari 2020 en hebben een minderjarig kind geboren in 2021. De vrouw verzoekt echtscheiding en vaststelling van hoofdverblijfplaats, zorgregeling, kinderalimentatie, huurrecht van de echtelijke woning en verdeling van de huwelijksgemeenschap. De man voert verweer, met name over de ontvankelijkheid wegens ontbreken van een ouderschapsplan en over de verdeling van vermogensbestanddelen.

De rechtbank verklaart het verzoek tot echtscheiding ontvankelijk ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan, gelet op de slechte verstandhouding tussen partijen. De echtscheiding wordt uitgesproken. De hoofdverblijfplaats van het kind wordt bij de vrouw vastgesteld, mede op advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De zorgregeling wordt vastgesteld met omgangsweekenden bij de man en overdracht op een neutrale locatie. De man moet € 25 per maand kinderalimentatie betalen aan de vrouw.

De vrouw wordt huurder van de echtelijke woning, gelet op het belang van het kind en het ontbreken van een alternatieve woonruimte voor de vrouw. De rechtbank stelt de verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap vast: de Mercedes wordt aan de man toegewezen met een vergoeding aan de vrouw, de Hyundai aan de vrouw met vergoeding aan de man, bankrekeningen worden verdeeld met verrekening, schulden worden verdeeld volgens hoofdelijkheid en redelijkheid, en de inboedel wordt bij helfte verdeeld zonder verrekening. Verzoeken tot dwangsommen en overdracht van gouden sieraden worden afgewezen.

De rechtbank draagt partijen ieder hun eigen proceskosten en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor de echtscheiding en het huurrecht. Hoger beroep is mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: De rechtbank spreekt echtscheiding uit, bepaalt hoofdverblijfplaats bij de vrouw, stelt zorgregeling en kinderalimentatie vast, wijst huurrecht toe aan de vrouw en regelt de verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/766718 / FA RK 25-2235 (echtscheiding)
C/13/783415 / FA RK 26-1279 (verdeling)
Datum uitspraak: 22 juli 2026
Beschikking echtscheiding
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen de vrouw,
wonend in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. F. Ayar uit Amsterdam,
en
[de man],
hierna te noemen de man,
wonend in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. A. Hashem Jawaheri uit Amsterdam,
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
locatie Amsterdam,
hierna te noemen: de Raad.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de vrouw met bijlagen, ontvangen op 21 maart 2025;
  • de aanvullende stukken van de vrouw, ontvangen op 16 april 2025;
  • het verweerschrift van de man met bijlagen, met daarin zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), ontvangen op 1 mei 2025;
  • het verweerschrift van de vrouw met bijlagen op de zelfstandige verzoeken van de man, ingekomen op 23 mei 2026;
  • de aanvullende producties van de vrouw, ingekomen op 8 juni 2026;
  • het aanvullend verzoek van de man, ingekomen op 8 juni 2026.
1.2.
De zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vrouw met haar advocaat;
  • de man met zijn advocaat;
- mevrouw [naam] van de Raad voor de Kinderbescherming Amsterdam (hierna te noemen de Raad), als adviseur.

2.Wat vaststaat

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op 14 januari 2020 in Amsterdam.
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] .
2.3.
In de voorlopige voorzieningenprocedure heeft de rechtbank voor de duur van de scheidingsprocedure in de beschikking van 9 april 2025 beslist dat:
  • [minderjarige] met onmiddellijke ingang aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
  • de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;
  • een voorlopige zorgregeling wordt vastgesteld, waarbij het contact per vier weken als volgt wordt opgebouwd:
o vanaf zaterdag 12 april 2025, zal de omgang op zaterdagmiddag voor vier weken van 12.00 uur tot 18.00 uur plaatsvinden;
o de vier daaropvolgende weken zal de omgang op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur plaatsvinden;
o de vier daaropvolgende weken zal de omgang op zaterdag van 10.00 uur tot zondagmiddag 12.00 uur plaatsvinden;
o de vier daaropvolgende weken zal de omgang van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagmiddag 17.00 plaatsvinden;
- de man € 25,- per maand zal betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , bij vooruitbetaling te voldoen.
2.4.
Bij vonnis van 20 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter de vordering over en weer afgewezen.

3.De beoordeling

De echtscheiding

Het ontbreken van het ouderschapsplan (ontvankelijkheid)
3.1.
In de wet staat dat een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan moet bevatten dat beide partijen hebben ondertekend. In het ouderschapsplan staan de afspraken die partijen over hun kind hebben gemaakt. Deze afspraken moeten in ieder geval gaan over de manier waarop zij de zorg over hun kind zullen verdelen, hoe zij elkaar over hun kind zullen informeren en raadplegen en hoe zij de kosten van hun kind zullen delen.
3.2.
De vrouw heeft geen ouderschapsplan ingediend.
3.3.
De man voert aan dat het echtscheidingsverzoek niet aan de vereisten van artikel 815 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voldoet, omdat de vrouw heeft nagelaten de werkelijke verblijfplaats van [minderjarige] te vermelden en een ouderschapsplan en afschriften van de huwelijksakte en de geboorteakte van [minderjarige] over te leggen. Derhalve stelt de man dat de vrouw niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek.
3.4.
Volgens de vrouw is de stelling van de man opmerkelijk daar het verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken van 1 mei 2025 dateert, terwijl de geboorteakte en de huwelijksakte reeds op 9 april 2025 middels een F9-formulier (digitaal) zijn ingediend bij de rechtbank. Verder is het niet juist dat de vrouw heeft nagelaten om de werkelijke verblijfplaats van [minderjarige] te vermelden. Zowel de vrouw als [minderjarige] zijn ingeschreven op het adres [adres] . Omdat de vrouw ernstig mishandeld was door de man, heeft zij haar toevlucht moeten nemen en verbleven [minderjarige] en zij tijdelijk bij haar moeder en een vriendin. De vrouw heeft middels een voorlopige voorziening de rechtbank verzocht om [minderjarige] aan haar toe te vertrouwen en heeft verzocht om het uitsluitend gebruiksrecht van de echtelijke woning. Beide verzoeken zijn toegewezen. Ten aanzien van het ouderschapsplan geeft de vrouw aan dat de verstandhouding tussen de man en vrouw erg slecht is op dit moment. Het is partijen niet gelukt om afspraken te maken over [minderjarige] waardoor de vrouw geen ouderschapsplan over heeft kunnen leggen. De vrouw beroept zich dan ook op artikel 815 lid 6 Rv Pro en verzoekt de rechtbank om het verzoek ontvankelijk te verklaren.
3.5.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek tot echtscheiding, ook al ontbreekt een ouderschapsplan. Dat wil zeggen dat de rechtbank het verzoek tot echtscheiding in behandeling neemt. Van partijen kan niet worden verwacht dat zij alsnog samen een ouderschapsplan maken, gelet op de verstandhouding tussen partijen.
Inhoudelijke beoordeling
3.6.
De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit. De vrouw verzoekt dit en stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat partijen niet samen verder kunnen als echtgenoten. De man heeft geen verweer gevoerd in de zin dat hij alleen verweer heeft gevoerd tegen de ontvankelijkheid van het verzoek tot echtscheiding.
Hoofdverblijfplaats
3.7.
De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen. De man voert verweer en verzoekt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen.
3.8.
De vrouw stelt dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw vanwege zijn jonge leeftijd en dat hij afhankelijk is van haar goede zorg. De man is niet in staat om voor [minderjarige] te zorgen. De man heeft een afwezige houding en is vooral agressief richting de vrouw en soms ook richting [minderjarige] . Verder betwist de vrouw hetgeen wat wordt aangevoerd over haar gezondheid en over de verzorging van [minderjarige] .
3.9.
De man voert aan dat de vrouw niet in staat is om de zorg voor [minderjarige] voor haar rekening te nemen. De vrouw heeft ernstige fysieke beperkingen door een auto-ongeluk in 2016. De man heeft daardoor altijd een grotere rol gehad in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Daarnaast is de vrouw ook bekend met ernstige mentale problemen. Volgens de man zou de vrouw daarvoor medicatie krijgen, maar de vrouw weigert openheid te geven over welke medicatie zij gebruikt. Daarnaast voert de man aan dat [minderjarige] niet goed wordt verzorgd door de vrouw. [minderjarige] heeft een half geschoren kapsel en heeft blauwe plekken. Hij is ook steeds ziek en verkouden en lijkt ondervoed. [minderjarige] heeft behoefte aan rust en stabiliteit en de man vreest dat [minderjarige] ernstig wordt geschaad in zijn ontwikkeling wanneer [minderjarige] het hoofdverblijf bij de vrouw zal hebben.
3.10.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw toe en het verzoek van de man af. De rechtbank overweegt daartoe dat gebleken is dat de vrouw sinds de geboorte van [minderjarige] de hoofdopvoeder is geweest. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij niet werkte ten tijde van de geboorte van [minderjarige] en ook niet mocht werken. De man heeft aangegeven tot mei 2024 fulltime te hebben gewerkt. Dat de man altijd een grotere rol had in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] vanwege de gezondheid van de vrouw, wordt niet onderbouwd door de man tegenover de betwisting van de vrouw. Daarnaast adviseert de Raad om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen, omdat [minderjarige] feitelijk al sinds het uiteengaan van partijen bij de vrouw woont en de man geen vaste verblijfplaats heeft. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de Raad.
3.11.
Verder overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat de vrouw [minderjarige] niet goed zou verzorgen. Uit de foto’s die door de man zijn overgelegd blijkt niet dat de vrouw [minderjarige] zou verwaarlozen dan wel dat de blauwe plekken zouden komen door de vrouw of door nalatigheid van de vrouw. De man onderbouwt hiermee onvoldoende zijn standpunt. Ook het standpunt dat de vrouw ernstige mentale problemen zou hebben die maken dat zij niet voor [minderjarige] kan worden, wordt niet onderbouwd door de man tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw.
3.12.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw vaststellen.
Zorgregeling
3.13.
De man verzoekt een zorgregeling en dwangsom vast te stellen indien de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] wordt bepaald bij de vrouw. De vrouw voert verweer tegen de dwangsom.
3.14.
Indien de hoofdverblijfplaats bij de vrouw wordt vastgesteld, verzoekt de man een zorgregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige] de eerste drie weekenden van de maand van zaterdagochtend 10:00 uur tot zondagavond 17:00 uur bij de man verblijft. Om de vrouw te bewegen de vast te stellen zorgregeling na te komen, acht de man het noodzakelijk een dwangsom te verbinden van € 500,- voor iedere keer dat de vrouw weigert de vast te stellen zorgregeling na te komen, met een maximum van € 15.000,-. Daarbij wijst de man onder meer op het feit dat de vrouw [minderjarige] eerder zonder toestemming van de man heeft meegenomen en ieder vorm van contact tussen de man en het kind heeft geweigerd.
3.15.
De vrouw kan zich vinden in het verzoek van de man met betrekking tot de zorgregeling. Wel voert ze verweer tegen de dwangsom en verzoekt dit af te wijzen. De vrouw heeft altijd haar medewerking verleend. De vrouw betwist ten stelligste dat zij iedere vorm van contact tussen de man en [minderjarige] heeft geweigerd.
3.16.
De rechtbank wijst het verzoek van de man ten aanzien van de zorgregeling toe, nu de vrouw instemt met de voorgestelde zorgregeling. Ook de Raad adviseert deze zorgregeling vast te leggen.
3.17.
Tussen partijen is wel in geschil op welke manier de overdracht plaatsvindt. De man wil graag dat de overdracht plaatsvindt op [locatie 1] . Hij heeft namelijk geen vaste verblijfplaats. De vrouw vindt daarentegen dat de overdracht goed verloopt en begrijpt niet waarom het op een neutrale plek zou moeten zijn. De vrouw stelt voor om de overdracht te laten plaatsvinden in [locatie 2] . Dat is een bekende plek voor [minderjarige] .
3.18.
De rechtbank bepaalt dat de overdracht plaatsvindt in [locatie 2] . Hoewel het in het belang van [minderjarige] zou zijn als de overdracht kan plaatsvinden voor de deur van de vrouw, is dat vooralsnog niet mogelijk gelet op de spanningen tussen de ouders. De rechtbank vindt het daarom in het belang van [minderjarige] als de overdracht plaatsvindt op een neutrale plek. Op dit moment vindt de overdracht plaats in [locatie 2] . De rechtbank is van oordeel dat dit voortgezet dient te worden om de rust voor [minderjarige] te bewaken. [locatie 1] is aan de andere kant van de stad vanaf het huis van de vrouw. Het is daarom niet in het belang van [minderjarige] dat de overdracht daar plaatsvindt. De rechtbank zal dit als zodanig vastleggen.
3.19.
De rechtbank ziet geen reden tot het opleggen van een dwangsom. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat de vrouw niet zou meewerken aan de zorgregeling. De rechtbank wijst het verzoek van de man tot het opleggen van een dwangsom af.
3.20.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ter zitting met partijen de mogelijkheid besproken is om partijen door te verwijzen naar het Uniform Hulpaanbod, maar dat de rechtbank dit niet zal doen nu [minderjarige] het meest gebaat is bij een definitieve beslissing over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. Dit geeft rust en duidelijkheid. In dit kader acht de rechtbank een raadsonderzoek zoals aangeboden door de Raad ook niet in het belang van [minderjarige] . Partijen hebben ter zitting wel aangegeven open te staan voor hulpverlening via het OKT. De rechtbank moedigt partijen aan om in het belang van [minderjarige] te werken aan het vertrouwen en de communicatie en zich aan te melden bij het OKT.
Huurrecht echtelijke woning
3.21.
De vrouw verzoekt te bepalen dat zij voortaan de huurder van de echtelijke woning is. De man voert verweer en verzoekt te bepalen dat hij voortaan de huurder van de echtelijke woning is.
3.22.
De vrouw stelt dat zij gedurende het huwelijk te maken heeft gehad met zowel lichamelijk als psychisch geweld. De vrouw heeft geen alternatieve woonruimte waar zij samen met [minderjarige] kan verblijven. Het is ook vooral in het belang van [minderjarige] dat hij in de echtelijke woning kan blijven waar hij een eigen kamer en bed heeft. Het is verder in het belang van [minderjarige] dat hij opgroeit in een rustige en veilige leefomgeving. Ook gaat [minderjarige] naar de voorschool die in de buurt is van de echtelijke woning. De vrouw benadrukt dat zij en [minderjarige] veel hebben meegemaakt en juist door de nasleep van de echtscheiding behoefte hebben aan rust. De vrouw benadrukt verder dat de man een alternatieve woonruimte heeft waar hij kan verblijven in tegenstelling tot de vrouw. De man heeft volgens haar een groot sociaal netwerk en veel familieleden (zoals ouders, broer en zus) waar hij kan verblijven. Daarnaast verzoekt de vrouw ook om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen en is het volgens haar voor de man, in tegenstelling tot de vrouw en [minderjarige] , makkelijker om een alternatieve verblijfplaats te vinden. Ook hoopt de vrouw dat zij samen met [minderjarige] in hun vertrouwde woonomgeving kan blijven wonen.
3.23.
De man voert het volgende aan. Gelet op hetgeen hiervoor over het hoofdverblijf van [minderjarige] is aangevoerd, gaat de man ervan uit dat [minderjarige] het hoofdverblijf bij de man zal hebben. Het belang van de man en [minderjarige] dient naar het oordeel van de man zwaarder te wegen dan het (volgens de man ontbrekende) belang van de vrouw bij het huurrecht van de woning. De vrouw heeft nog een kamer bij haar moeder. Volgens de man kan de vrouw ook eenvoudig een vervangende woonruimte bemachtigen gelet op haar inschrijfduur van ongeveer vijftien jaar bij Woningnet en het feit dat zij vanwege haar medische beperkingen in aanmerking komt voor woonurgentie. De man heeft geen concreet zicht op een vervangende woonruimte.
3.24.
De rechtbank wijst het verzoek van vrouw toe en het verzoek van de man af. De rechtbank overweegt daartoe dat beide partijen belang hebben bij de verzochte toewijzing van het huurrecht. Na afweging van de belangen van partijen is de rechter van oordeel dat het belang van de vrouw bij toedeling van het huurrecht van de echtelijke woning zwaarder weegt dan het belang van de man, gelet op dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw zal worden bepaald en een zorgregeling zal worden vastgesteld waarbij [minderjarige] voornamelijk bij de vrouw verblijft. Het is in het belang van [minderjarige] , en daarmee ook in het belang van de vrouw, om in de echtelijke woning te kunnen opgroeien. Daarnaast heeft de man onvoldoende onderbouwd, tegenover de betwisting van de vrouw, dat zij op korte termijn een vervangende woonruimte kan vinden.
3.25.
De rechtbank bepaalt dat de vrouw vanaf de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand huurder is van de echtelijke woning.
Kinderalimentatie
3.26.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man met een bedrag van € 110,- per maand, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht. De man voert verweer en verzoekt te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 110,- per maand, bij vooruitbetaling aan de man te voldoen, zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.
3.27.
De rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 25,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf 22 juli 2026. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de vrouw voor een deel en het verzoek van de man volledig afwijst. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
De ingangsdatum
3.28.
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.
3.29.
De wet geeft de rechtbank grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting of wijziging van de alimentatie. [1] Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechtbank beslist. De rechtbank kan dus een bijdrage vaststellen, dan wel wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit grote gevolgen voor de ouders kan hebben.
3.30.
De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum van de beschikking, gelet op het uitgangspunt dat terughoudend dient te worden opgegaan met het opleggen van een bijdrage in het verleden en partijen geen ingangsdatum hebben verzocht.
De behoefte van [minderjarige]
3.31.
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige] vast op een bedrag van € 500,- per maand. Zij heeft dat als volgt berekend.
3.32.
De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI). Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kind. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Hierbij zal de rechtbank uitgaan van de inkomens van de ouders in 2025, omdat de ouders destijds uiteen zijn gegaan.
3.33.
De vrouw heeft gesteld dat voor het inkomen van de man ten tijde van het huwelijk moet worden uitgegaan van zijn voormalig arbeidsinkomen ter hoogte van € 3.500,- per maand. De man voert daarentegen aan dat hij arbeidsongeschikt is geraakt en dat hij al enige tijd een uitkering ontvangt.
3.34.
De rechtbank is van oordeel dat voor het inkomen van de man tijdens het huwelijk dient te worden uitgegaan van de ziektewetuitkering die hij ontving. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de man in ieder geval in 2024 al een ziektewetuitkering ontving en dit ook in 2025 ontving. Gelet daarop zal de rechtbank uitgaan van de ziektewetuitkering van € 552,- bruto per week zoals blijkt uit de betaalspecificatie van 3 maart 2025 van het UWV. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man bedroeg dan in 2025 € 1.789,- per maand.
3.35.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor het inkomen van de vrouw rekening moet worden gehouden met de WIA-uitkering die zij in 2025 ontving van € 2.065,- bruto per maand plus 8% vakantiegeld. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw bedroeg dan in 2025 € 1.687,- per maand.
3.36.
Naast hun eigen inkomsten houdt de rechtbank rekening met een bedrag van € 103,- per maand aan kindgebonden budget.
3.37.
Uit het hiervoor vermelde volgt dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van de ouders in 2025 € 3.579,- per maand bedroeg.
3.38.
Nu de rechtbank weet wat de ouders te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan [minderjarige] werd uitgegeven en wat dus zijn behoefte is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt dat ouders bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 3.579,-, gemiddeld € 478,- per maand uitgaven voor hun kind in 2025. Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2026 € 500,- per maand.
De draagkracht van de ouders
3.39.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van het kind voorzien. [2]
3.40.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van het kind.
3.41.
Daarvoor maakt de rechtbank bij een netto besteedbaar inkomen dat lager is dan
€ 2.200,- per maand in 2026 gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachttabel’ waarin per inkomenscategorie vaste bedragen aan draagkracht zijn vermeld. In die tabel wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair bedrag aan vaste lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is, afhankelijk van de hoogte van het netto besteedbaar inkomen, 70% tot 100% beschikbaar voor kinderalimentatie.
De draagkracht van de man
3.42.
De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 25,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
3.43.
De vrouw stelt dat de man zijn inkomen laag probeert te houden zodat hij geen bijdrage hoeft te leveren in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De man is nog jong en gezond en is in staat om te gaan werken. De man dient zijn verdiencapaciteit volledig te benutten. De man voert daartegen verweer en voert aan dat hij een WIA-uitkering ontvangt en arbeidsongeschikt is.
3.44.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de vrouw dat de man zijn verdiencapaciteit dient te benutten. Uit de stukken blijkt dat de man een WIA-uitkering ontvangt. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat ondanks de WIA-uitkering die de man ontvangt, de man wel in staat is om te werken. De rechtbank zal daarom voor het inkomen van de man uitgaan van de WIA-uitkering die hij ontvangt ter hoogte van € 2.342,- bruto per maand zoals blijkt uit de betaalspecificatie van 11 mei 2026 van het UWV plus 8% vakantiegeld. De rechtbank past geen arbeidskorting toe, zoals wel is gedaan in de draagkrachtberekening van de vrouw, nu de man daar geen recht op heeft. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 1.882,- per maand.
3.45.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachttabel geldend in 2026 heeft de man een draagkracht van € 25,- per maand.
De draagkracht van de vrouw
3.46.
De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 116,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
3.47.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor het inkomen van de vrouw rekening moet worden gehouden met de WIA-uitkering die zij ontvangt van € 2.065,- bruto per maand plus 8% vakantiegeld. Verder wordt rekening gehouden met het kindgebonden budget. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 2.192,- per maand.
3.48.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachttabel geldend in 2026 heeft de vrouw een draagkracht van € 116,- per maand. Door de man is aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met een lagere woonlast en lagere noodzakelijke lasten van de vrouw, omdat de vrouw bij haar moeder woont. De rechtbank gaat voorbij aan dit standpunt, omdat, zoals eerder overwogen, de rechtbank het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw zal toekennen en de rechtbank gaat er vanuit dat de vrouw samen met [minderjarige] daar gaat wonen.
De verdeling van de kosten
3.49.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
3.50.
Een vergelijking is hier niet nodig omdat de ouders samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [minderjarige] . Hun gezamenlijke draagkracht is € 141,- per maand, terwijl de kosten van [minderjarige] € 500,- per maand zijn. De ouders komen dus samen een bedrag van € 359,- per maand tekort. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken. Dat betekent dat de man met € 25,- per maand moet bijdragen in de kosten van [minderjarige] .
De zorgkorting
3.51.
De man maakt op de dagen dat [minderjarige] bij hem verblijft kosten voor eten en drinken, energielasten et cetera: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de man – deels – de kosten van [minderjarige] (de ‘behoefte’). De rechtbank houdt daar rekening mee door de bijdrage van de man te verlagen met een percentage van de behoefte van [minderjarige] of een deel daarvan: de ‘zorgkorting’.
3.52.
In dit geval past de rechtbank geen zorgkorting toe, omdat sprake is van een groot tekort aan draagkracht. Het is namelijk niet eerlijk als de rechtbank de kosten die de man al voor [minderjarige] maakt in mindering brengt op de alimentatie, want daardoor komt het hele tekort op de schouders van de vrouw te rusten. Daarom past de rechtbank bij een groot tekort aan draagkracht geen zorgkorting toe. Dit betekent dat de man een bedrag van € 25,- per maand aan kinderalimentatie moet betalen.
Alimentatie vooruitbetalen
3.53.
De rechtbank beslist dat de man de kinderalimentatie vanaf nu steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
Afwikkeling van het huwelijksvermogensregime
3.54.
De vrouw verzoekt de verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap vast te stellen. Ook de man verzoekt de verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap vast te stellen.
Huwelijksvermogensregime
3.55.
Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zij zijn na 1 januari 2018 getrouwd. Gelet op artikel 1:93 en Pro 1:94, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet worden aangenomen dat tussen partijen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen geldt.
3.56.
Tot de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen behoren op grond van artikel 1:94 lid 2 en Pro lid 7 van het BW alle goederen die al vóór het huwelijk samen van partijen waren en alle goederen die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de peildatum hebben verkregen. Daarvan zijn (onder meer) uitgezonderd erfenissen en giften, maar ook pensioenrechten die al op basis van de wet moeten worden verevend. Wat de schulden betreft, behoren tot de gemeenschap die schulden waarvan partijen al samen schuldenaar waren vóór het huwelijk en alle schulden die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de peildatum zijn aangegaan. Daarvan zijn uitgezonderd (onder meer) de schulden die betrekking hebben op goederen die niet tot de gemeenschap behoren.
3.57.
De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en hij behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. [3]
Peildatum voor de samenstelling
3.58.
Als peildatum voor de samenstelling van de huwelijksgemeenschap geldt de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank is ingediend. Het verzoekschrift is op 21 maart 2025 ingediend, zodat in beginsel alle goederen die partijen op die datum (de zogenaamde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd).
Samenstelling van de gemeenschap
3.59.
Gelet op de hiervoor genoemde datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap moet voor de verdeling gekeken worden naar de goederen en de schulden die op 21 maart 2025 aanwezig waren. Door partijen zijn de volgende vermogensbestanddelen en schulden genoemd:
de auto van het merk Mercedes E klasse met kenteken [kenteken 1] en de auto van het merk Hyundai I 20 met kenteken [kenteken 2] ;
banksaldi;
de inboedel van de echtelijke woning;
de schulden.
Ad a: de auto’s
3.60.
Partijen zijn het er over eens dat de auto van het merk Mercedes aan de man dient te worden toegedeeld.
3.61.
Tussen partijen is wel in geschil wat de waarde van Mercedes is. Volgens de vrouw heeft de Mercedes een dagwaarde ter hoogte van € 10.800,-. De man voert aan dat de door de vrouw genoemde waarde, gelet op het bouwjaar, de kilometerstand en schade aan het voertuig, niet realistisch kan worden geacht. Volgens de man heeft hij de auto aangeschaft, waarbij hij € 6.250,- uit eigen middelen voor het huwelijk heeft aangewend, en overstijgt de waarde van de auto dit bedrag niet, waardoor de man ook niet de helft van de waarde aan de vrouw hoeft te voldoen.
3.62.
De rechtbank schat de waarde van de Mercedes in redelijkheid op € 8.525,-. Daartoe overweegt de rechtbank dat beide partijen stellen dat zij de waarde van de auto hebben berekend via de ANWB koerslijst. Enige stukken hiervan hebben zij niet overgelegd. Ook hebben partijen niet de huidige kilometerstand overgelegd of aangegeven wat voor schade de auto heeft. Hierdoor kan de rechtbank enkel de waarde van de auto schatten. De rechtbank schat de waarde van de auto in op € 8.525,-, te weten het gemiddelde van de gestelde waardes door partijen.
3.63.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Mercedes deels is betaald met gelden van de man van voor het huwelijk, te weten € 6.250,-. Dit maakt dat de rechtbank de Mercedes aan de man zal toedelen, onder de verplichting de helft van de waarde na aftrek van € 6.250,-, te weten € 1.137,50, aan de vrouw te voldoen.
3.64.
Ten aanzien van de auto van het merk Hyundai zijn partijen het eens dat de auto aan de vrouw dient te worden toegedeeld onder de verplichting de helft van de waarde aan de man te voldoen.
3.65.
Tussen partijen is wederom in geschil de waarde van de auto. Volgens de man heeft de Hyundai een waarde van € 5.000,-, omdat de auto zeer recent is aangeschaft voor dit bedrag. De vrouw betwist de waarde van de Hyundai zoals door de man is aangevoerd. De auto is ruim een halfjaar geleden gekocht voor een bedrag van € 5.000. Het is dan niet juist om uit te gaan van de aankoopwaarde daar de vrouw dagelijks gebruik maakt van dit voertuig. Volgens de vrouw dient te worden uitgegaan van een waarde van € 4.500,-.
3.66.
De rechtbank schat de waarde van de Hyundai in op het gemiddelde van de gestelde waardes van partijen, te weten € 4.750,-, nu partijen de waarde van de Hyundai niet onderbouwd hebben met stukken. De rechtbank zal de Hyundai aan de vrouw toedelen onder de verplichting de helft van de waarde, te weten € 2.375,-, aan de man te voldoen.
Ad b: banksaldi
3.67.
Partijen hebben de navolgende bankrekeningen met als saldo op 21 maart 2025:
  • ING betaalrekening t.n.v. de man, met een saldo van € 241,97;
  • ING spaarrekening t.n.v. de man, met een saldo van € 500,-;
  • ABN AMRO betaalrekening t.n.v. de vrouw, met een saldo van € 150,50;
  • ABN AMRO spaarrekening t.n.v. de vrouw, met een saldo van € 23,86.
3.68.
Partijen zijn het erover eens dat de rekeningen bij helfte verdeeld dienen te worden. De rechtbank zal daarom bepalen dat de saldi van de rekeningen op naam van de man aan de man zullen worden toebedeeld onder verrekening van de helft van de waarde met de vrouw en dat de saldi van de rekeningen op naam van de vrouw aan de vrouw zullen worden toebedeeld onder verrekening van de helft van de waarde met de man. Dit betekent dat de man € 283,81 aan de vrouw dient te voldoen.
Ad c: de inboedel van de echtelijke woning
3.69.
Volgens de man huurde hij de echtelijke woning reeds ruim voorafgaande aan het huwelijk met de vrouw. De inboedel van de echtelijke woning komt derhalve naar het oordeel van de man voornamelijk aan hem toe. De man stelt derhalve dat, ook indien het huurrecht van de echtelijke woning onverhoopt aan de vrouw wordt toegewezen, het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de inboedel van de echtelijke woning ook aan haar toekomt, dient te worden afgewezen. Naar het oordeel van de man komt de inboedel gelet op vorenstaande aan hem toe. De vrouw kan reeds gebruiken maken van inboedel van haar moeder en heeft in de volledig ingerichte woning geen ruimte voor een eigen inboedel.
3.70.
Zover de inboedel (gedeeltelijk) aan de vrouw wordt toegewezen, verzoekt de man om te bepalen dat in ieder geval de voor hem waardevolle zaken aan hem toe te wijzen, waaronder (i) een bankstel à € 1.354,- (ii) een koelkast à € 824,- en (iii) een wasmachine à € 538,95,- en dat de vrouw een vergoeding van € 2.500,- aan de man verschuldigd is voor het deel van de inboedel dat aan haar wordt toegewezen, te verhogen met de voornoemde bedragen voor het bankstel, de koelkast en de wasmachine zover deze niet aan de man worden toegewezen.
3.71.
De vrouw betwist dat de inboedel van de echtelijke woning aan de man zou moeten toekomen. Na het huwelijk van partijen hebben zij het overgrote deel van de inboedel van de woning opnieuw aangeschaft. Door de mishandeling is de vrouw samen met [minderjarige] gevlucht uit de echtelijke woning. De man verbleef ruim twee maanden alleen in de woning. Nadat het verzoek van de vrouw om het uitsluitend gebruiksrecht van de woning was toegewezen, ging de vrouw samen met [minderjarige] terug naar de woning. Tot haar grote verbazing waren enkele inboedelgoederen meegenomen door de man. De man heeft de volgende goederen meegenomen:
  • Televisie;
  • Salontafel;
  • Eettafel;
  • Fauteuil;
  • Klok;
  • Lockmachine.
3.72.
Ook heeft de man de kinderwagen van het merk Joolz meegenomen. De vrouw heeft een kort geding geëntameerd om deze goederen terug te krijgen. De rechtbank heeft deze vordering uiteindelijk afgewezen, temeer om verdere escalatie tussen partijen te voorkomen. Daarnaast is volgens de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk geworden dat de man de goederen tot zijn beschikking heeft. De man heeft namelijk op de zitting aangegeven dat hij (een deel van de) bovengenoemde goederen zou hebben weggegooid. De vrouw is nog steeds van mening dat de man deze goederen tot zijn beschikking heeft. Het is niet juist dat de man deze goederen heeft weggegooid. De rechtbank heeft dat ook nog eens bevestigd.
3.73.
De vrouw is van mening dat de man zijn deel van de inboedel reeds onder zich heeft. De vrouw verzoekt de rechtbank dan ook om het bankstel, de koelkast, de wasmachine en de overige inboedel aan haar toe te wijzen. De man verzoekt uw rechtbank subsidiair dat de vrouw hem een vergoeding betaalt van € 2.500,-. Het is opmerkelijk dat de man de aankoopbedragen vordert, terwijl het gaat om tweedehands goederen waarvan de waarde aanzienlijk lager is geworden. De vrouw stelt zich op het standpunt dat deze goederen aan haar toebehoren omdat de man zijn helft van de inboedel reeds heeft meegenomen. De vrouw verzoekt uw rechtbank dan ook om het subsidiaire verzoek van de man af te wijzen.
3.74.
Partijen verschillen van mening over welke inboedelgoederen tot de gemeenschap behoren en welke inboedelgoederen verdeeld dienen te worden. Ter zitting is in ieder geval duidelijk geworden dat partijen het erover eens zijn dat de volgende zes inboedelgoederen tot de gemeenschap behoren en nog verdeeld dienen te worden:
 bankstel;
  • koelkast;
  • wasmachine;
  • keukenspullen;
  • magnetron;
  • tapijten.
3.75.
Gelet op de verzoeken van partijen zal de rechtbank als wijze van verdeling van de inboedel gelasten dat de bovengenoemde inboedelgoederen bij helfte worden verdeeld, waarbij partijen om en om een inboedelgoed mogen kiezen. Partijen zullen door middel van kop en munt bepalen wie als eerste een goed mag kiezen, waarbij de vrouw mag kiezen of zij kop of munt wenst. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat aan ieder een gelijke waarde aan inboedelgoederen wordt toegedeeld zodat ter zake daarvan geen verrekening meer hoeft plaats te vinden.
Ad d: de schulden
3.76.
De man verzoekt dat de tijdens het huwelijk ontstane schulden aan de vrouw worden toegedeeld, althans in gelijke helften tussen partijen worden verdeeld en dat de vrouw aan de man een vergoeding verschuldigd is voor de door de man betaalde energiekosten, te weten € 2.160,82 en € 1.042,- aan Essent, € 500,- voor een verkeersboete, € 459,02 als borg voor de verhuurder van de echtelijke woning, € 469,- aan gemeentelijke belastingen van de woning over de periode waarin de vrouw bij uitsluiting van de man het gebruiksrecht had van de woning en € 241,- aan kindgebonden budget dat de vrouw heeft ontvangen, maar door de man is terugbetaald aan de Belastingdienst.
3.77.
De rechtbank stelt het volgende voorop. De hoofdregel van artikel 1:100 lid 2 van Pro het BW houdt in dat in de onderlinge verhouding tussen partijen, voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, deze schulden door beide partijen voor een gelijk deel worden gedragen. Dit kan anders zijn als dat schriftelijk is overeengekomen of als uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Partijen zijn dus beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden en zijn ieder in beginsel voor de helft draagplichtig voor het aflossen van deze schulden. De rechtbank wijst erop dat, als één van de partijen wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 van Pro het BW een regresrecht heeft op de andere partij.
De schulden bij Essent
3.78.
De schulden bij Essent bedragen € 2.160,82 en € 1.042,-. De man stelt dat de vrouw gehouden is de helft van deze bedragen aan de man te betalen aangezien de man deze schulden reeds heeft betaald ten tijde van het geven van een af te geven beschikking van de rechtbank.
3.79.
De vrouw stelt dat de schuld van € 2.160,82 aan Essent ten tijde van het huwelijk is ontstaan waarvoor zij voor de helft draagplichtig is. De vrouw stelt zich verder op het standpunt dat met betrekking tot de eindafrekening van Essent van € 797,57 (niet € 1.042,-) enkel de man draagplichtig dient te zijn voor deze schuld. De vrouw is op 15 februari 2025 gevlucht uit de woning. De man verbleef in deze periode alleen in de woning. Op de eindafrekening is te zien dat deze betrekking heeft op de periode 20 december 2024 tot en met 14 april 2025. Het is duidelijk dat vooral de man in deze periode in de echtelijke woning verbleef en het is om die reden niet redelijk om een draagplicht bij helfte te bepalen.
3.80.
Ten aanzien van de schuld ter hoogte van € 2.160,82 overweegt de rechtbank als volgt. Uit de stukken van de man blijkt dat deze schuld wordt afbetaald aan de hand van een betalingsregeling en dat de eerste twee termijnen ter hoogte van ieder € 215,- zijn betaald voor de peildatum van 21 maart 2025. De schuld die op de peildatum aanwezig was is daarom € 1.730,82.
3.81.
Partijen zijn het er over eens dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn ten aanzien van de schuld bij Essent. Die bedraagt per de peildatum dus € 1.730,82. De rechtbank zal dit als zodanig vastleggen. Daarnaast heeft de vrouw niet betwist dat dit bedrag volledig is betaald door de man. De rechtbank wijst daarom toe het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw de helft van deze schuld dient te vergoeden aan de man.
3.82.
Ten aanzien van de schuld bij Essent van € 1.042,- overweegt de rechtbank dat uit de eindafrekening blijkt dat al een termijnbedrag ter hoogte van € 245,- in rekening is gebracht. De rechtbank gaat er vanuit dat dit voor de peildatum van 21 maart 2025 was. De schuld die op de peildatum aanwezig was is daarom € 797,57.
3.83.
Vervolgens overweegt de rechtbank dat deze schuld is ontstaan tijdens het huwelijk en dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn. Dat de vrouw niet aanwezig was in de echtelijke woning in die periode, maakt niet dat op grond van de redelijkheid en billijkheid wordt afgeweken van het uitgangspunt van draagplicht bij helfte. De vrouw heeft niet betwist dat de schuld door de man is betaald. De rechtbank zal daarom bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn en de vrouw de helft van de schuld dient te vergoeden aan de man.
De verkeersboete
3.84.
Volgens de man is het uitgangspunt dat schulden in gelijke helfte tussen partijen verdeeld dienen te worden. Naar het oordeel van de man is er geen reden waarom hier in het onderhavige geval van afgeweken dient te worden. De man voert aan dat de vrouw gehouden is de helft van de verkeersboete van € 500,- aan de man te betalen aangezien de man deze schulden reeds heeft betaald ten tijde van het geven van de beschikking.
3.85.
Met betrekking tot de verkeersboete is de vrouw van mening dat enkel de man hiervoor draagplichtig is. Deze schuld is ontstaan door zijn roekeloos rijgedrag. Het is niet redelijk om deze boete op de vrouw af te schuiven. Dit betreft een verknochte schuld aan de man.
3.86.
De rechtbank overweegt als volgt. Of een schuld verknocht is hangt af van de aard van de schuld naar maatschappelijke normen bezien. [4] De rechtbank is van oordeel dat de verkeersboete niet aangemerkt kan worden als een verknochte schuld naar maatschappelijke normen bezien. De rechtbank sluit hierbij aan bij de uitspraak van hof Den Haag van 6 september 2017. [5] De boete is van voor de peildatum van 21 maart 2025 en is daarmee een gemeenschapsschuld die door beide partijen moet worden gedragen. De vrouw heeft de stelling van de man dat hij de boete heeft betaald na de peildatum niet betwist. De rechtbank zal daarom bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn ten aanzien van de verkeersboete en dat de vrouw de helft van de verkeersboete dient te betalen aan de man.
De borg aan de verhuurder
3.87.
De man stelt dat hij de borg aan de verhuurder heeft betaald en dat mocht de vrouw de woning krijgen, de vrouw deze borg dient te betalen. De vrouw voert verweer en voert aan dat de borg geen gemeenschapsschuld is.
3.88.
De rechtbank wijst het verzoek van de man toe en overweegt daartoe als volgt. Als gevolg van het huwelijk van partijen is de vrouw medehuurder geworden van de echtelijke woning. Daardoor is de vordering die de man had op de verhuurder een gezamenlijke vordering van partijen geworden. Nu aan de vrouw het huurrecht van de echtelijke woning zal worden toegewezen, zal alleen zij nog een vordering houden op de verhuurder. Omdat de man de volledige borg van € 459,02 voor aanvang van het huwelijk heeft betaald, dient de vrouw dit bedrag aan de man te vergoeden uit hoofde van de verdeling.
De gemeentelijke belastingen
3.89.
De man stelt dat de gemeentelijke belastingen zien op de periode dat de vrouw het gebruiksrecht had van de echtelijke woning. De lasten dienen daarom voor rekening van de vrouw te komen. De vrouw voert aan dat de vrouw voor de helft draagplichtig is.
3.90.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de schuld bij de gemeente binnen de gemeenschap valt. De rechtbank begrijpt dat de man stelt dat de vrouw de volledige draagplicht heeft ten aanzien van deze schuld, gelet op dat de vrouw het gebruiksrecht had van de woning vanaf 9 april 2025. Net zoals bij de schuld bij Essent, ziet de rechtbank geen reden om af te wijken van het uitgangspunt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn ten aanzien van schulden. Dat de man niet aanwezig was in de woning, maakt niet dat op grond van de redelijkheid en billijkheid wordt afgeweken van het uitgangspunt van draagplicht bij helfte. De vrouw heeft niet betwist dat de schuld door de man is betaald. De rechtbank zal daarom bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn ten aanzien van de gemeentelijke belastingen en de vrouw de helft van deze schuld dient te betalen aan de man.
Het kindgebonden budget
3.91.
De man stelt dat hij een deel van het kindgebonden budget heeft moeten terugbetalen. De vrouw voert verweer en voert aan dat de man het kindgebonden budget ontving, terwijl [minderjarige] niet bij hem woonde en dat zij dat bij de Belastingdienst heeft aangegeven. Daarom moest de man het kindgebonden budget terugbetalen.
3.92.
De rechtbank wijst het verzoek van de man af, nu het verzoek onvoldoende is onderbouwd tegenover de betwisting van de vrouw.
De gouden sieraden
3.93.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man zal worden bevolen om de gouden sieraden aan de vrouw af te geven en voorts te bepalen dat de man op grond van artikel 194 jo Pro. artikel 195 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) de video-opname van de bruiloft dient over te leggen. De man voert verweer en verzoekt om de gouden sieraden aan de vrouw toe te delen, met verrekening van de helft van de waarde met de man.
3.94.
De vrouw stelt het volgende. De vrouw heeft ten tijde van het huwelijk en na de geboorte van [minderjarige] gouden sieraden ontvangen. Deze zijn aan haar geschonken. Deze gouden sieraden heeft de man in bezit. De man bewaart deze sieraden in de kluis van zijn vader. Een deel van de gouden sieraden werden bewaard in de echtelijke woning van partijen. De vrouw heeft de woning noodgedwongen moeten verlaten waardoor de man deze sieraden ook in bezit heeft. De sieraden behoren tot het privévermogen van de vrouw omdat deze aan haar zijn geschonken.
3.95.
De man betwist bekend te zijn met de door de vrouw genoemde sieraden en schenkingen daarvan. Zover bij de man bekend waren er nauwelijks sieraden en vertegenwoordigen eventuele sieraden geen noemenswaardige waarde. Naar het oordeel van de man is het verzoek bovendien te onbepaald om te kunnen worden toegewezen. De vrouw stelt verder zelf dat de door haar genoemde sieraden (deels) gerelateerd zijn aan de geboorte van [minderjarige] . Naar het oordeel van de man kunnen de door de vrouw genoemde sieraden daarom niet tot het persoonlijke eigendom van de vrouw worden gerekend en dienen sieraden, althans de waarde daarvan, tussen partijen in gelijke helften verdeeld te worden.
3.96.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de gouden sieraden niet binnen de huwelijksgemeenschap vallen. De vrouw zegt dat de gouden sieraden aan haar geschonken zijn en de man ontkent het bestaan van de sierraden.
3.97.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat de man de gouden sieraden in zijn bezit heeft, tegenover de betwisting van de man. De inzage in de video-opname van de bruiloft zal geen duidelijkheid brengen in de vraag of de man de gouden sieraden op dit moment in zijn bezit heeft. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man de gouden sieraden dient af te geven af en wijst ook het verzoek op grond van artikel 194 jo Pro. artikel 195 Rv Pro af bij een gebrek aan belang.
Proceskosten
3.98.
De vrouw verzoekt een beslissing te nemen over de proceskosten. De rechtbank bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt zoals dit gebruikelijk is in familiezaken.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.99.
Partijen verzoeken de rechtbank de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat deze blijft gelden, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat. De rechtbank wijst dit verzoek toe, behalve voor de echtscheiding en het huurrecht. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De beslissing over het huurrecht kan niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat als voorlopige voorziening een beslissing is genomen over het uitsluitend gebruik van de woning. Deze voorlopige voorziening blijft gelden tot de beslissing hierover in de echtscheidingsprocedure in kracht van gewijsde gaat. Dit is het geval als er geen hoger beroep meer tegen die beslissing kan worden ingesteld.

4.De beslissing

De rechtbank:
in de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/766718 / FA RK 25-2235:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 14 januari 2020 in Amsterdam;
4.2.
stelt vast dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft;
4.3.
stelt vast de volgende verdeling van zorg- en opvoedingstaken:
  • [minderjarige] verblijft de eerste drie weekenden van elke maand bij de man van zaterdagochtend 10:00 uur tot zondagavond 17:00 uur;
  • waarbij de overdracht plaatsvindt in [locatie 2] ;
4.4.
bepaalt dat de man vanaf 22 juli 2026 een bedrag van € 25,- per maand aan kinderalimentatie moet betalen aan de vrouw, vanaf nu steeds vóór de eerste van de maand;
4.5.
bepaalt dat de vrouw huurder is van de woning aan het adres [adres] vanaf de datum van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand;
4.6.
verklaart de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en de kinderalimentatie uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
bepaalt dat partijen de eigen kosten van deze procedure dragen;
4.8.
wijst af het meer of anders verzochte;
in de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/783415 / FA RK 26-1279:
4.9.
stelt de verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap als volgt vast:
  • deelt de auto van het merk Mercedes met kenteken [kenteken 1] toe aan de man onder de verplichting € 1.137,50 aan de vrouw te voldoen;
  • deelt de auto van het merk Hyundai met kenteken [kenteken 2] toe aan de vrouw onder de verplichting € 2.375,- aan de man te voldoen;
  • deelt de saldi van de bankrekeningen op naam van de man toe aan de man en deelt de saldi van de bankrekening op naam van de vrouw toe aan de vrouw, onder de verplichting dat de man € 283,81 aan de vrouw dient te voldoen;
  • bepaalt dat de man en de vrouw ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden bij Essent en dat de vrouw de helft van de schulden, te weten € 865,41 en € 398,79 dient te vergoeden aan de man;
  • bepaalt dat de man en de vrouw ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de verkeersboete en dat de vrouw de helft van de verkeersboete, te weten € 250,-, dient te vergoeden aan de man;
  • bepaalt dat de vrouw de borg van de echtelijke huurwoning, te weten € 459,02, aan de man moet betalen;
  • bepaalt dat de man en de vrouw ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden bij de gemeente en dat de vrouw de helft van de schuld, te weten € 234,50, dient te vergoeden aan de man;
4.10.
gelast als wijze van verdeling van de inboedel dat de inboedelgoederen zoals genoemd onder r.o. 3.74 bij helfte wordt verdeeld zonder nadere verrekening, waarbij partijen om en om een inboedelgoed mogen kiezen en waarbij partijen door middel van kop en munt zullen bepalen wie als eerste een goed mag kiezen, waarbij de vrouw mag kiezen of zij kop of munt wenst;
4.11.
bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;
4.12.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.G. Bertsch, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. R. Muller, griffier op 22 juli 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Behoefte
Tarieven
2025-1
Datum uitdraai
16-07-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
43
Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten
28.704
Bruto inkomsten
28.704
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
28.704
59
Inkomsten
28.704
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
28.704
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
28.704
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
10.281
95
Inkomensheffing box 1
10.281
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
28.704
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
10.281
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
3.05
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
7.231
Inkomen na aftrek inkomensheffing
21.473
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.05
jaar
Totale inkomsten
21.473
120
Besteedbaar inkomen
21.473
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
21.473
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
1.789
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Behoefte
Tarieven
2025-1
Datum uitdraai
16-07-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
43
Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten
24.78
44
Vakantietoeslag
1.982
Bruto inkomsten
26.762
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
26.762
59
Inkomsten
26.762
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
26.762
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
26.762
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
9.586
95
Inkomensheffing box 1
9.586
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
26.762
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
9.586
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
3.068
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
6.518
Inkomen na aftrek inkomensheffing
20.244
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.068
jaar
Totale inkomsten
20.244
120
Besteedbaar inkomen
20.244
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
20.244
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
1.687
NBGI voor scheiding
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
NBI voor scheiding Alimentatieplichtige
1.789
NBI voor scheiding Alimentatiegerechtigde
1.687
Bij: Kindgebonden budget voor scheiding
103
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
3.579
Eigen aandeel kosten kinderen
Eigen aandeel kosten kinderen
Ouders hebben in gezinsverband geleefd
ja
NBGI voor scheiding
3.579
Tabel aantal kinderen
1
Eigen aandeel ouders in de kosten kinderen volgens tabel
478
#
Indexeren
ja
Startjaar
2025
Eindjaar
2026
Eigen aandeel ouders geïndexeerd
500
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2026-2
Datum uitdraai
16-07-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
43
Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten
28.104
44
Vakantietoeslag
2.248
Bruto inkomsten
30.352
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
30.352
59
Inkomsten
30.352
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
30.352
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
30.352
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
10.85
95
Inkomensheffing box 1
10.85
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
30.352
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
10.85
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
3.076
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
7.774
Inkomen na aftrek inkomensheffing
22.578
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.076
jaar
120
Besteedbaar inkomen
22.578
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
22.578
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
1.882
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
1.882
Draagkracht wordt berekend op basis van
Tabel
Afwijken van de tabel?
nee
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
25
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2026-2
Datum uitdraai
16-07-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
43
Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten
24.78
44
Vakantietoeslag
1.982
Bruto inkomsten
26.762
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
26.762
59
Inkomsten
26.762
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
26.762
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
26.762
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
9.567
95
Inkomensheffing box 1
9.567
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
26.762
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
9.567
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
3.115
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
6.452
Inkomen na aftrek inkomensheffing
20.31
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.115
jaar
Bij: Kindgebonden budget
5.996
120
Besteedbaar inkomen
26.306
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
26.306
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
2.192
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
2.192
Draagkracht wordt berekend op basis van
Tabel
Afwijken van de tabel?
nee
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
116
Berekening en verdeling van de kosten van de kinderen
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Tarieven
2026-2
Datum uitdraai
16-07-2026
Alimentatieplichtige
Alimentatiegerechtigde
Kindgebonden budget na scheiding
215
Alleenstaande ouderkop
285
Totaal netto besteedbaar inkomen na scheiding (NBI incl. KGB/AOK)
1.882
2.192
Aantal kinderen
1
Kind 1
Leeftijd
5
Woont bij
AP
AG
1
Ex-partner
Zorgkorting Alimentatiegerechtigde
%
Zorgkorting Alimentatieplichtige
%
15
Zorgkorting tbv.
AP
Kind 1
Totaal
Bijdrage ouders in kosten kinderen
€ p/m
500
500
Netto kinderopvangkosten na scheiding
€ p/m
Overige kosten kinderen na scheiding
€ p/m
Totale kosten kinderen na scheiding
€ p/m
500
500
Zorgkorting
€ p/m
75
75
Draagkracht
Alimentatieplichtige
Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte
€ p/m
25
25
Draagkracht Alimentatieplichtige per kind
€ p/m
25
25
Draagkracht Alimentatieplichtige
€ p/m
25
25
Alimentatiegerechtigde
Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte
€ p/m
116
116
Draagkracht Alimentatiegerechtigde per kind
€ p/m
116
116
Draagkracht Alimentatiegerechtigde
€ p/m
116
116
Gezamenlijke draagkracht onderhoudsplichtige(n) per kind
€ p/m
141
141
Bijdrage kosten kinderen
Tekort aan gezamenlijke draagkracht
€ p/m
359
359
Gedeelde tekort aan draagkracht
€ p/m
180
180
Zorgkorting minus tekort aan draagkracht
€ p/m
-105
-105
Aandeel Alimentatieplichtige in de kosten van de kinderen
€ p/m
25
25
Ten laste van Alimentatieplichtige te bepalen bijdrage (draagkracht minus (zorgkorting minus gedeelde tekort aan draagkracht))
€ p/m
25
25
Aandeel Alimentatiegerechtigde in de kosten van de kinderen
€ p/m
116
116
Ten laste van Alimentatiegerechtigde te bepalen bijdrage (draagkracht minus (zorgkorting minus gedeelde tekort aan draagkracht))
€ p/m
116
116

Voetnoten

1.Artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
2.Artikel 1:397 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
3.HR 17 april 1998,
4.HR 30 maart 2012, ECLI:NL:2012:BV1749.
5.Hof Den Haag 6 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2795.