ECLI:NL:RBAMS:2026:7541

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
71/190970-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 77c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot jeugddetentie voor medeplegen bezit en overdracht vuurwapen categorie III

De rechtbank Amsterdam heeft op 22 juli 2026 een twintigjarige verdachte veroordeeld voor het medeplegen van het voorhanden hebben en overdragen van een pistool van het merk/type Blow TR 17, een vuurwapen van categorie III, op 13 juni 2025 te Apeldoorn. De bewezenverklaring is gebaseerd op een bekennende verklaring, diverse proces-verbalen van opsporingsambtenaren en een proces-verbaal van onderzoek van het vuurwapen.

De verdediging voerde onder meer aan dat alleen de datum 13 juni 2025 bewezen kon worden verklaard en dat chatberichten op de telefoon van verdachte uitgesloten moesten worden wegens het ontbreken van cautie bij het verzoek om de toegangscode. De rechtbank verwierp dit bewijsuitsluitingsverweer en oordeelde dat er geen sprake was van vormverzuim.

De rechtbank verwierp ook het verweer van psychische overmacht, omdat het dossier geen aanwijzingen bevatte dat verdachte onder zodanige druk stond dat hij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden. De verdachte was ten tijde van het feit meerderjarig maar jonger dan 23 jaar, waardoor toepassing van het jeugdstrafrecht passend werd geacht, mede op basis van psychologische rapportages en reclasseringsadviezen.

De opgelegde straf bestaat uit 42 dagen jeugddetentie, waarvan 27 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, verbonden aan bijzondere voorwaarden zoals begeleiding door de jeugdreclassering, ambulante behandeling en dagbesteding. De rechtbank achtte deze straf passend gelet op de ernst van het feit, de persoon van verdachte en het lage recidiverisico. De telefoon van verdachte is verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 42 dagen jeugddetentie, waarvan 27 dagen voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en toepassing van het jeugdstrafrecht.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 71/190970-25
Datum uitspraak: 22 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna: verdachte.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen op tegenspraak naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. Z. Trokic, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2025 tot en met 13 juni 2025 te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk/type Blow TR 17, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen.

3.Het oordeel van de rechtbank

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van de bewezenverklaring geen verweer gevoerd, met dien verstande dat de raadsman heeft bepleit dat alleen 13 juni 2025 bewezen kan worden verklaard en niet de daarvoor ten laste gelegde periode. De verdediging heeft verder aangevoerd dat de chatberichten die in de telefoon van verdachte zijn aangetroffen dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat aan verdachte niet de cautie is gegeven toen hem werd verzocht de toegangscode van zijn telefoon te geven.
3.3.
Vormverzuim
Het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting behoeft, gelet op de hiernavolgende samenstelling van bewijsmiddelen, in het kader van de bewezenverklaring geen bespreking. Omdat de vraag of er sprake is van een vormverzuim later in dit vonnis bij de beslissing omtrent het beslag relevant is, zal de rechtbank hier toch een beslissing over geven. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier volgt dat verdachte onverwijld na zijn aanhouding door de Dienst Speciale Interventies (DSI) de cautie heeft gekregen. Dat enige tijd later bij het verzoek om de toegangscode van de telefoon niet opnieuw de cautie is verleend maakt niet dat sprake zou zijn van een vormverzuim.
3.4.
Bewezenverklaring tenlastegelegde feit
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben en het overdragen van een wapen op 13 juni 2025. De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de hierna genoemde bewijsmiddelen. Omdat verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en de verdediging geen vrijspraak bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
1.
De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting van 8 juli 2026 heeft afgelegd.
2.
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer LORAC25001-38 van 3 juli 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] (doorgenummerde pagina’s 20 tot en met 23 van het voorgeleidingsdossier 26FORPUS).
3.
Een proces verbaal van bevindingen met nummer LORAC25001-008 van 16 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] (doorgenummerde pagina 30 van het voorgeleidingsdossier 26FORPUS).
4.
Een proces-verbaal van onderzoek vuurwapen, inclusief fotobijlagen, met nummer PL2600-2025014436-5 van 11 september 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3] (doorgenummerde pagina’s 31 tot en met 35 van het voorgeleidingsdossier 26FORPUS).
3.5.
Eendaadse samenloop
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het tenlastegelegde feit sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend, feitencomplex op dat verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende bepalingen slechts enigszins uiteenloopt.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 13 juni 2025 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk/type Blow TR 17, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen.

5.Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

6.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat sprake was van psychische overmacht, omdat verdachte onder zodanige psychische druk stond dat hij niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan. De raadsman voert hiertoe aan dat verdachte werd bedreigd en gedwongen door medeverdachte [medeverdachte] , waardoor hij niet uit vrije wil heeft gehandeld.
6.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de verdediging iedere feitelijke grondslag mist en terzijde dient te worden geschoven. Het dossier geeft blijk van een volledige, vrijwillige en gelijkwaardige samenwerking.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Van psychische overmacht kan worden gesproken indien verdachte heeft gehandeld onder invloed van een psychische druk door externe omstandigheden, die zodanig was dat hij daaraan redelijkerwijs geen weerstand had kunnen en hoeven bieden.
De rechtbank verwerpt het beroep op psychische overmacht en overweegt hiertoe als volgt. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht ter onderbouwing van het verweer op psychische overmacht op geen enkele wijze door het dossier wordt ondersteund.
Er is derhalve geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van tweeënveertig dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan zevenentwintig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen volgens de officier van justitie de bijzondere voorwaarden van begeleiding door de jeugdreclassering, ambulante behandeling en dagbesteding worden verbonden, met uitzondering van het volgen van onderwijs. De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging zodat niet wordt toegekomen aan de vraag welke straf moet worden opgelegd. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest en dat aan een eventuele voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals de Jeugdreclassering heeft geadviseerd, met uitzondering van het volgen van onderwijs.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 13 juni 2025 schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben en overdragen van een gaspistool dat zodanig was omgebouwd dat er een projectiel mee kon worden afgeschoten. Dit is een ernstig misdrijf. Dergelijke wapens zijn in handen van een daartoe niet bevoegd persoon een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van anderen. Verdachte heeft daarmee de veiligheid van mensen in gevaar gebracht. Bovendien maakt het ongecontroleerde bezit van vuurwapens een ernstige inbreuk op de rechtsorde, wat leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank is van oordeel dat daarom tegen het ongecontroleerde bezit van vuurwapens streng moet worden opgetreden.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 20 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar de adviezen van de reclassering en in het bijzonder het plan van aanpak van de Jeugdreclassering van 12 mei 2026, opgesteld door reclasseringsmedewerker [naam] . Hieruit volgt dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat en de reclassering bij een veroordeling adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, waaraan de volgende bijzondere voorwaarden worden verbonden: begeleiding door jeugdreclassering, ambulante behandeling, volgen van onderwijs en dagbesteding.
Adolescentenstrafrecht
Verdachte was ten tijde van het plegen van het feit 19 jaar oud en dus meerderjarig. Op een verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast, als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of als de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd daartoe aanleiding geven.
Uit de Pro Justitia-rapportage van 23 december 2025, opgesteld door psycholoog T. Stoel, blijkt – zakelijk weergegeven – dat er sprake is van ADHD, een andere gespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis (met ASS kenmerken), een persisterende depressieve stoornis en een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Door de ADHD en ASS-kenmerken kan verdachte vaak handelen zonder goed na te denken en moeite hebben de gevolgen van zijn gedrag goed te kunnen inschatten. Hij heeft veel baat bij structuur, regelmaat en duidelijkheid om zijn gedrag goed te kunnen organiseren. Een pedagogische aanpak lijkt van belang, waarbij een benadering met veel ondersteuning, acceptatie en tegelijkertijd veel duidelijkheid zeer helpend is. Al met al wordt toepassing van het jeugdstrafrecht geadviseerd.
Uit het reclasseringsadvies van 12 mei 2026 blijkt – zakelijk weergegeven – dat verdachte een kwetsbare jongen is die baat heeft bij structuur, regelmaat en duidelijkheid. Met de juiste hulp en begeleiding wordt verdachte in staat geacht om een delictvrij bestaan en een stabiele leefsituatie op te bouwen. Op grond van deze omstandigheden adviseert de reclassering ook om verdachte ter berechten via het jeugdstrafrecht.
Uit de hiervoor uiteengezette adviezen en hetgeen op de zitting is besproken over de persoonlijke omstandigheden van verdachte komt naar voren dat verdachte vatbaar is voor pedagogische beïnvloeding en gebaat is bij hulpverlening. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het toepassen van het jeugdstrafrecht van belang is voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte en daarmee ook in het belang is van de maatschappij, omdat het zal bijdragen aan het verminderen van het recidiverisico. De rechtbank zal dan ook het jeugdstrafrecht toepassen.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht geformuleerde oriëntatiepunten voor straftoemeting voor Jeugd (LOVS-richtlijnen), ofwel de afspraken die gerechten onderling hebben gemaakt over gelijke bestraffing van soortgelijke zaken. Deze oriëntatiepunten gaan voor het voorhanden hebben en overdragen van een (vuur)wapen uit van een jeugddetentie vanaf zes weken. Alles afwegende acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van tweeënveertig dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan zevenentwintig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. De rechtbank acht dit voorwaardelijke deel van belang als stok achter de deur voor verdachte en zal hieraan de bijzondere voorwaarden verbinden zodat hij passende hulp en begeleiding kan ontvangen om zo recidive te voorkomen.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Een bevel strekkende tot dadelijke uitvoerbaarheid kan krachtens het bepaalde in artikel 77za Sr alleen worden gegeven als er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank ziet, gelet op het reclasseringsrapport waarin is uiteengezet dat verdachte weliswaar begeleiding nodig heeft, maar dat sprake is van een laag recidiverisico, geen aanleiding om de dadelijke uitvoerbaarheid te bevelen.

8.Beslag

Onder verdachte is het volgende goed in beslag genomen:
- 1 STK Telefoontoestel (goednummer: PL2600- LORAC25001-868365).
De verdediging heeft verzocht om teruggave van de telefoon aan verdachte. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat, nu het bewijs dat op de telefoon is aangetroffen (de chats) onrechtmatig is verkregen, niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een voorwerp met behulp van welke het feit is begaan. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat de telefoon vol familiefoto’s en privégegevens staat die niet op de Cloud staan. De rechtbank stelt vast, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen over het gestelde vormverzuim, dat de telefoon vatbaar is voor verbeurdverklaring. De telefoon behoort toe aan verdachte en het feit is met behulp het voorwerp begaan.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 55, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 26, 31, 54, 55 van de Wet wapens en munitie.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van eendaadse samenloop van:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en;
handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
jeugddetentievoor de duur van
42 (tweeënveertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.
Bepaalt dat een gedeelte,
27 (zevenentwintig) dagen, van deze jeugddetentie
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvoor de duur van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde
bijzondere voorwaardenniet naleeft.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
-
Begeleiding door jeugdreclassering
dat veroordeelde meewerkt aan het toezicht door de jeugdreclassering en zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering zo vaak de jeugdreclassering dat nodig vindt.
-
Ambulante behandeling
dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door polikliniek [kliniek] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering, zolang de jeugdreclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en cognitieve vaardigheden.
-
Dagbesteding
dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk.
Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in art. 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Nu verdachte het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf reeds in voorarrest heeft doorgebracht, komt hij niet in aanmerking voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, en is de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, niet aan de orde.
Verklaart verbeurd:
- 1 STK Telefoontoestel (goednummer: PL2600- LORAC25001-868365).
Heft ophet - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M. Berkhout, voorzitter,
mrs. B. Vogel en J.O. Rutten, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. J. de Groot en J.L. Martens, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juli 2026.