ECLI:NL:RBAMS:2026:7556

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
13/157133-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 OLWArt. 8 Kaderbesluit 2002/584/JBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming voor tenuitvoerlegging straf na overlevering vanuit Polen

De rechtbank Amsterdam heeft op 9 juli 2026 een verzoek van Polen behandeld om aanvullende toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf opgelegd aan een overgeleverde persoon. Deze straf betreft feiten die vóór de overlevering zijn begaan en niet waren inbegrepen in het oorspronkelijke overleveringsverzoek.

De rechtbank heeft onderzocht of de overgeleverde persoon de mogelijkheid heeft gehad om zijn opmerkingen en bezwaren kenbaar te maken. Uit de transcriptie van een zitting in Polen op 23 maart 2026 blijkt dat de persoon het specialiteitsbeginsel heeft gehandhaafd en geen verdere bezwaren heeft geuit. Hiermee is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming.

De rechtbank concludeert dat het verzoek voldoet aan de wettelijke eisen, waaronder die van artikel 8 van Pro het Kaderbesluit 2002/584/JBZ, en verleent op grond van artikel 14 OLW Pro toestemming voor de tenuitvoerlegging van de straf. De beslissing is genomen door drie rechters onder voorzitterschap van D.L.S. Ceulen.

Uitkomst: De rechtbank verleent toestemming voor de tenuitvoerlegging van de straf opgelegd in Polen voor feiten die niet bij de overlevering waren inbegrepen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer 13/157133-25
Datum beslissing: 9 juli 2026
BESLISSING
op de vordering op grond van artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 30 april 2026 strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door
the Circuit Court of Zielona Góra,Polen, op
20 april 2026 en betreft:
[de overgeleverde persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1996,
nu gedetineerd in Polen,
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.

1.Beoordeling

Hoorrecht
Om vast te stellen of de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek om aanvullende toestemming kenbaar te maken [1] , zijn nadere vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Bij brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 8 juni 2026 zijn deze vragen, voor zover hier relevant, als volgt beantwoord:
“The transcript of the hearing on March 23, 2026, in the District Court of Żagań confirms that [de overgeleverde persoon] said that he upheld his right to speciality, i.e. he did not consent to the execution in his respect of custodial sentences for offences not covered by the E.A.W. ref. II Kop 9/24.
Apart from that, he did not provide any testimony, opinion, or complaint.”
Uit deze informatie volgt dat de overgeleverde persoon op de zitting van 23 maart 2026 ten overstaan van een rechter in de gelegenheid is gesteld om eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken. Op grond van de schriftelijke verslaglegging daarvan kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon geen afstand heeft gedaan van het specialiteitsbeginsel en dat hij verder geen bezwaren heeft geuit. Het hoorrecht is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geëerbiedigd, zodat is voldaan aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming.
Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De voorhanden zijnde stukken zijn toereikend om - met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen.
Het verzoek betreft een feit waarvoor krachtens de OLW overlevering had kunnen worden toegestaan.
De rechtbank zal daarom het verzoek toewijzen.

2.Beslissing

De rechtbank:
VERLEENTop grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, en derde lid, OLW toestemming voor tenuitvoerlegging van de straf van
[de overgeleverde persoon]voor het feit zoals vermeld in het verzoek.
Deze beslissing is genomen op 9 juli 2026 door
mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,
mrs. L. Sanders en C.M.S. Leuven, rechters,
in tegenwoordigheid van V.C. Vermeulen, griffier.

Voetnoten

1.HvJ EU 26 oktober 2021, C-428/21 PPU en C-429/21 PPU, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63.