ECLI:NL:RBAMS:2026:7626

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
C/13/782691
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 RvArt. 197 lid 2 RvArt. 197 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming deskundige voor onderzoek draagvermogen mezzaninevloer in bedrijfsgebouw

Shurgard Nederland B.V. heeft een geschil met [verweerders] over de maximale gemiddelde belastbaarheid van de mezzaninevloer in een bedrijfsgebouw dat onderdeel was van een aandelenoverdracht in Opslagman Nederland B.V. Shurgard stelt dat de vloer niet voldoet aan de gegarandeerde belastbaarheid van 343 kg/m2, terwijl [verweerders] dit betwisten. Na een incident waarbij een klant met een zwaarbeladen pompwagen door de vloer zakte, zijn onderzoeken uitgevoerd die uiteenlopende conclusies geven over het draagvermogen.

Shurgard verzoekt de rechtbank om een onafhankelijke deskundige te benoemen om het draagvermogen van de mezzaninevloer te onderzoeken en zo de impasse tussen partijen te doorbreken. [Verweerders] verzetten zich tegen dit verzoek, stellende dat een deskundigenbericht voorbarig is zolang de rapporteurs CFP en BTA niet met elkaar in gesprek zijn gegaan.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek voldoet aan de wettelijke vereisten en dat de bezwaren van [verweerders] niet aan toewijzing in de weg staan. De benoeming van ir. F.S. de Zwart als deskundige wordt bevolen, met een gedetailleerde opdracht om onderzoek te doen naar het draagvermogen, de oorzaak van eventuele tekortkomingen en de kosten van herstel. Partijen zijn verplicht mee te werken aan het onderzoek en het rapport zal binnen drie maanden worden ingediend.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van Shurgard toe en benoemt een onafhankelijke deskundige om het draagvermogen van de mezzaninevloer te onderzoeken.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/782691 / HA RK 26-29
Beschikking van11juni 2026
in de zaak van
SHURGARD NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Shurgard,
advocaat: mr. P. Blom,
tegen

1.[verweerder 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [verweerder 1]
2.
[verweerder 2],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verweerder 2]
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: [verweerders] ,
advocaat: mr. M.J. de Best.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 4 februari 2026, met producties,
- de tussenbeschikking van 16 april 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verweerschrift van 29 april 2026, met producties,
- de akte overlegging productie 29 van Shurgard,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 mei 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

De vastgoed- en aandelentransactie
2.1.
Op 9 juli 2024 hebben Shurgard en [verweerder 1] een overeenkomst gesloten, waarbij Shurgard 100% van de aandelen in Opslagman Nederland B.V. (hierna: Opslagman) kocht van [verweerder 1] (hierna: de koopovereenkomst).
2.2.
Voor het sluiten van de koopovereenkomst huurde Opslagman een bedrijfsgebouw gelegen aan de [adres 1] van [erfpachter] , destijds de erfpachter van het perceel waarop het bedrijfsgebouw staat. De gemeente Amsterdam is eigenaar van het perceel.
2.3.
De huurovereenkomst bevatte een optie ten behoeve van Opslagman om het voortdurende recht van erfpacht te kopen van [erfpachter] . Deze koopoptie heeft Opslagman uitgeoefend en op 28 augustus 2024 heeft zij het recht van erfpacht verkregen van het perceel met de bijbehorende rechten op het bedrijfsgebouw.
2.4.
Eveneens op 28 augustus 2024 vond de levering van de aandelen in Opslagman aan Shurgard plaats.
2.5.
In het bedrijfsgebouw staan zelfopslagboxen die Shurgard verhuurt aan particulieren en bedrijven. Een mezzaninevloer deelt de ruimte op in meerdere verdiepingen. Deze mezzaninevloer bestaat uit verschillende delen, de zogoemde brandcompartimenten 1 tot en met 6 (hierna: BC1, BC2, etc.).
De garanties en het due dilligence-onderzoek
2.6.
In de bijlagen bij de koopovereenkomst is een aantal garanties opgenomen. De artikelen 8.1 en 9.1 van de koopovereenkomst bepalen daarover het volgende:
8.1
De Verkoper[ [verweerder 1] , rechtbank]
verklaart aan de Koper[Shurgard, rechtbank]
dat iedere Garantie op de datum van deze Overeenkomst juist en niet misleidend is en dat iedere Garantie op de Closingdatum juist en niet misleidend is.
9.1
In geval van een Inbreuk op een of meer van de Garanties, zal de Verkoper de Koper schadeloos stellen voor Schade geleden als gevolg van de Inbreuk door de Koper en/of de Vennootschap.
2.7.
Bijlage 5 bij de koopovereenkomst bevat de zogenoemde Vennootschapsgaranties. Daarin is in artikel 6.6 het volgende opgenomen:
6.6
Verkoper garandeert en verklaart ten aanzien van het Registergoed aan Koper, behoudens voor zover uit de Overeenkomst anders voortvloeit, dat op de Closingdatum:
(…)
(B) de informatie zoals opgenomen in de Due Diligence Informatie juist en niet misleidend is.
2.8.
Shurgard heeft een due dilligence-onderzoek uitgevoerd voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst. Daartoe heeft [verweerder 1] verschillende documenten in de data room beschikbaar gesteld, waaronder een rapport van JVZ Raadgevend Ingenieursburo B.V. (hierna: JVZ) van 29 juni 2021 dat informatie bevat over de constructie en belastbaarheid van de mezzaninevloer. Daarin staat dat BC3, BC4 en BC5 een maximale gemiddelde belasting van 343 kg/m2 hebben.
Doorzakking van de vloer en aansprakelijkheidstelling
2.9.
Enige maanden na voltooiing van de transactie (op 28 augustus 2024) is een klant van Shurgard met een zwaarbeladen pompwagen gedeeltelijk door de mezzaninevloer heen gezakt, dit was in een ander deel dan de compartimenten BC3, BC4 en BC 5.
2.10.
Shurgard heeft de schade laten herstellen. Vervolgens heeft zij ingenieursbureau CFP Engineering B.V. (hierna: CFP) onderzoek laten uitvoeren naar de constructie van de mezzaninevloer. Op 22 en op 31 juli 2025 heeft CFP rapporten aangeleverd, waarin zij onder meer concludeert dat het draagvermogen van BC3, BC4 en BC5 van de mezzaninevloer maximaal 200 kg/m2 is. Het rapport van 31 juli 2024 sluit af met het advies de vloerdelen onmiddellijk te ontruimen indien niet kan worden gecontroleerd of zij tot dit maximum worden belast.
2.11.
Met ingang van 1 augustus 2025 heeft Shurgard de eerste en tweede verdieping van de mezzaninevloer wat betreft de compartimenten BC3, BC4 en BC5 ontruimd.
2.12.
Shurgard heeft op 8 augustus 2025 een brief gestuurd naar [verweerders] waarin zij de conclusies uit de rapporten van CFP deelt en hen aansprakelijk stelt voor door haar geleden en nog te lijden schade vanwege het herstel en de ontruiming van de mezzaninevloer.
2.13.
[verweerders] hebben de aansprakelijkheid van de hand gewezen en de conclusies uit de rapporten van CFP betwist, met verwijzing naar een rapport van B.T.A. Ingenieurs B.V. (hierna: BTA) van 9 september 2025.
2.14.
Shurgard heeft de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen verzocht om een spoedplaatsopneming. Partijen hebben de rechtbank bericht dat deze spoedplaatsopneming op 13 mei 2026 heeft plaatsgevonden, in aanwezigheid van ir. F.S. de Zwart.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Shurgard verzoekt – samengevat – om een onderzoek door een onafhankelijke deskundige naar het draagvermogen van de mezzaninevloer te gelasten.
3.2.
Aan het verzoek legt Shurgard ten grondslag dat zij, op basis van de door [verweerders] in het kader van het due dilligence-onderzoek beschikbaar gestelde documenten, erop mocht vertrouwen dat de mezzaninevloer een belastbaarheid had van 343 kg/m2. Volgens Shurgard voldoen de brandcompartimenten BC3, BC4 en BC5 niet aan dit draagvermogen, zodat de garantie uit artikel 6.6 onder B uit bijlage 5 van de koopovereenkomst (zie 2.7) is geschonden en [verweerders] op grond van artikel 9.1 van de koopovereenkomst Shurgard schadeloos moeten stellen. [verweerders] volharden in het standpunt dat de mezzaninevloer wel degelijk aan de gegarandeerde belastbaarheid voldoet. Om uit de impasse te raken en de (eventuele) aansprakelijkheid van [verweerders] te kunnen vaststellen is het volgens Shurgard noodzakelijk dat een deskundige een oordeel velt over het draagvermogen van de vloer.
3.3.
[verweerders] verzetten zich tegen het verzoek. Hun verweer zal, voor zover relevant, hierna onder de beoordeling worden besproken.

4.De beoordeling

Het verzoek voldoet aan de wettelijke vereisten voor toewijzing
4.1.
Het verzoekschrift voorlopige bewijsverrichtingen moet op grond van artikel 197 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inhouden:
een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek;
de aard en het beloop van de vordering;
de naam en woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.
Op grond van het derde lid van dit artikel moet het verzoekschrift ook vermelden over welke punten het oordeel van een deskundige wordt gevraagd en de namen en hoedanigheid van een of meer door de rechter te benoemen deskundigen.
4.2.
Het verzoekschrift van Shurgard voldoet aan deze formele eisen.
4.3.
Op grond van artikel 196 Rv Pro moet het verzoek worden toegewezen, tenzij:
de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald;
onvoldoende belang bij het voorlopig deskundigenbericht bestaat;
het verzoek in strijd is met de goede procesorde;
sprake is van misbruik van bevoegdheid; of
r andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen het voorlopig deskundigenbericht.
4.4.
[verweerders] verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en voeren daartoe in de kern twee punten aan. Allereerst stellen zij zich op het standpunt dat de vloer wel degelijk voldoet aan de gegarandeerde belastbaarheid van 343 kg/m2. De conclusies uit de rapporten van CFP, dat de vloer een draagvermogen heeft van nauwelijks 200 kg/m2 berusten volgens [verweerders] op een misverstand. CFP zou bij haar berekeningen namelijk ervan uit zijn gegaan dat de brandcompartimenten BC3, BC4 en BC5 zijn gebouwd met het zogenoemde Sadef-systeem, terwijl zij in werkelijkheid zijn gebouwd met het MRP-systeem (een bouwsysteem van een andere fabrikant). Ook zou CFP bij haar berekeningen zijn uitgegaan van onjuiste afmetingen van bepaalde draagbalken. Om deze misverstanden weg te nemen hebben [verweerders] voorgesteld om BTA en CFP met elkaar in gesprek te laten gaan, maar Shurgard is hier niet op ingegaan. [verweerders] brengen als tweede bezwaar tegen toewijzing van het verzoek naar voren dat een deskundigenbericht voorbarig is zolang BTA en CFP niet met elkaar om tafel hebben gezeten om het eens te worden over de uitgangspunten voor de berekening van het draagvermogen van de vloer.
4.5.
De bezwaren van [verweerders] staan niet aan toewijzing van het verzoek in de weg. Dat [verweerders] volharden in hun standpunt dat de mezzaninevloer wel het gegarandeerde draagvermogen heeft, illustreert juist de verdeeldheid die nu heerst en onderstreept de noodzaak van een onafhankelijk deskundigenoordeel. Het tweede bezwaar is evenmin een reden voor afwijzing van het verzoek. Weliswaar zou een gesprek tussen BTA en CFP mogelijk zinvol kunnen zijn geweest, maar dat deze ontmoeting niet heeft plaatsgevonden maakt nog niet dat een deskundigenoordeel voorbarig is of dat het belang daarbij ontbreekt. Het is geenszins zeker dat een gesprek tussen BTA en CFP de impasse waarin partijen momenteel verkeren zou kunnen hebben doorbreken. Daarentegen zal een onafhankelijk deskundigenoordeel wel het nodige uitsluitsel kunnen geven.
De deskundige en de onderzoeksvragen
4.6.
Het voorgaande brengt mee dat het verzoek om een deskundige te benoemen zal worden toegewezen. De advocaat van Shurgard heeft de rechtbank per e-mail (met de advocaat van [verweerders] in cc) bericht dat, indien een deskundige wordt benoemd, de gezamenlijke voorkeur van partijen uitgaat naar de heer ir. F.S. de Zwart, arbiter bij de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen. De heer De Zwart heeft desgevraagd tegenover de rechtbank verklaard dat hij geen persoonlijke of zakelijke banden heeft met één van partijen en bereid is de benoeming te aanvaarden. De rechtbank zal de heer ir. F.S. de Zwart dus benoemen als deskundige.
4.7.
Partijen zijn het erover eens dat in de “Due Dilligence Informatie” (zie 2.7) is opgenomen dat voor BC3, BC4 en BC5 van de mezzaninevloer een maximale gemiddelde belasting van 343 kg/m2 geldt. Zij zijn het er ook over eens dat 28 augustus 2024 de “Closingdatum” is (zie wederom 2.7). Het gaat er dus om of BC3, BC4 en BC5 van de mezzaninevloer op deze datum voldeden aan de gegarandeerde maximale belastbaarheid van 343 kg/m2. Partijen hebben tot slot beide aangegeven dat BC3, BC4 en BC5 zijn gebouwd met het MRP-systeem, anders dan de overige brandcompartimenten die met het Sadef-systeem zijn gebouwd.
4.8.
Shurgard heeft in het verzoekschrift vijf onderzoeksvragen geformuleerd. [verweerders] hebben bezwaar gemaakt tegen de door Shurgard aangedragen vraagstelling en twee eigen onderzoeksvragen voorgesteld. Tijdens de mondelinge behandeling is de vraagstelling vervolgens opnieuw besproken. Op basis van de gedachtewisseling op de zitting komt de rechtbank tot de onder de beslissing (zie 5.1) opgenomen onderzoeksvragen.
4.9.
Partijen zijn wettelijk verplicht om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. Deze verplichting is onder de beslissing nader omschreven. Indien aan deze verplichting niet wordt voldaan, kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht.
4.10.
Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.
4.11.
Het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden betaald door Shurgard, op de wijze zoals vermeld onder de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
beveelt een voorlopig onderzoek door een deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:
1. Voldeed de mezzaninevloer, zoals deze feitelijk op 28 augustus 2024 is geleverd, wat betreft de compartimenten BC3, BC4 en BC5 aan een maximale gemiddelde belastbaarheid van 343 kg/m2?
Indien het antwoord op de eerste vraag ‘nee’ is:
2a. Wat was dan de maximale gemiddelde belastbaarheid van de compartimenten BC3, BC4 en BC5 van de mezzaninevloer?
2b. Was de belastbaarheid/constructieve veiligheid zodanig dat het bij een normaal gebruik voor
selfstoragegeboden was om deze vloerdelen te ontruimen?
3. Wat is de oorzaak van de lagere belastbaarheid van de compartimenten BC3, BC4 en BC5?
4a. Op welk bedrag begroot u de kosten van werkzaamheden om de maximale gemiddelde belastbaarheid van de compartimenten BC3, BC4 en BC5 naar 343 kg/m2 te brengen?
4b. Indien Shurgard deze werkzaamheden reeds heeft laten uitvoeren, zijn de kosten die zij daarvoor heeft gemaakt redelijke en voor dergelijke werkzaamheden gebruikelijke kosten?
5.2.
benoemt tot deskundige:
De heer ir. F.S. de Zwart
arbiter bij de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen,
adres: [adres 2] ,
telefoon: [telefoonnummer] ,
e-mail: [e-mailadres] ,
5.3.
bepaalt dat de griffier een kopie van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden,
5.4.
bepaalt dat Shurgard binnen twee weken na deze beschikking het procesdossier in afschrift aan de deskundige moet toesturen,
5.5.
bepaalt dat Shurgard zo spoedig mogelijk het proces-verbaal van de spoedopneming van 13 mei 2026 aan de deskundige moet toesturen,
het voorschot
5.5.
bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige het volgende:
  • de deskundige moet binnen twee weken na ontvangst van het procesdossier een begroting van de kosten opgeven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten,
  • de griffie zal de opgave van de deskundige vervolgens toezenden aan partijen,
  • partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief/het bericht van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting,
  • als niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige worden vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag,
  • als wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot door de rechtbank worden vastgesteld,
5.6.
bepaalt dat Shurgard het voorschot moet overmaken binnen twee weken na de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
het onderzoek
5.7.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats, waarbij het de deskundige vrij staat gebruik te maken van het proces-verbaal van de spoedplaatsopneming van 13 mei 2026,
5.8.
wijst de deskundige erop dat:
  • de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op https://www.rechtspraak.nl/naar-de-rechter/rol-in-rechtszaak/deskundige),
  • de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,
  • de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
  • de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,
5.9.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als de deskundige daarom vraagt, de deskundige toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,
het schriftelijk rapport
5.10.
draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud op de griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,
5.11.
wijst de deskundige erop dat:
  • uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
  • de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toesturen, waarna partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
5.12.
bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.M. James-Pater, bijgestaan door mr. R.D. Lok, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.