ECLI:NL:RBAMS:2026:7691

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
C/13/739736 / HA ZA 23-859
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101 VWEUArt. 11 lid 4 Richtlijn 2014/104/EUArt. 17 lid 2 Richtlijn 2014/104/EUArt. 6:162 BWArt. 6:193l BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevordering wegens onvoldoende bewijs van kartelschade ethyleenmarkt

Shell Chemicals Europe (SCE) vordert schadevergoeding van ruim €1 miljard van Celanese, Clariant, Vestolit en Westlake wegens deelname aan het ethyleenkartel dat volgens SCE de Monthly Contract Price (MCP) voor ethyleen kunstmatig heeft verlaagd. De rechtbank oordeelt dat SCE onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het kartel daadwerkelijk de referentieprijs heeft beïnvloed en wijst de vordering af.

De rechtbank analyseert uitgebreid de door SCE ingebrachte deskundigenrapporten die de schade berekenen met de difference-in-differences methode, waarbij de MCP in Noordwest-Europa wordt vergeleken met spotprijzen in Azië. De rechtbank concludeert dat de markten onvoldoende vergelijkbaar zijn vanwege verschillen in marktdynamiek, prijsmechanismen, trends, supply conditions en macro-economische invloeden. Ook is de gebruikte methode onbetrouwbaar en leidt deze tot incoherente resultaten.

Verder acht de rechtbank het niet aannemelijk dat gedaagden de MCP cumulatief en onopgemerkt hebben kunnen beïnvloeden, mede gelet op de transparantie van de markt, de positie van SCE, de stijgende marges van ethyleenleveranciers en de rol van de naftaprijs. Het immuniteitsverweer van Westlake wordt bevestigd, waarbij zij beperkt hoofdelijk aansprakelijk is. Proceskosten worden toegewezen aan SCE.

Uitkomst: De rechtbank wijst de schadevordering van Shell Chemicals Europe af wegens onvoldoende bewijs dat het ethyleenkartel de referentieprijs heeft beïnvloed.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/739736 / HA ZA 23-859
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SHELL CHEMICALS EUROPE B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in de incidenten,
advocaat: mr. Chr.F. Kroes te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
1.
CELANESE EUROPE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in de hoofdzaak 1,
eiseres in incident,
advocaat: mr. J.K. de Pree te Amsterdam,
de vennootschappen naar buitenlands recht
2.
CELANESE CORPORATION,
gevestigd te Irving (Verenigde Staten van Amerika),
3.
CELANESE SERVICES GERMANY GMBH,
gevestigd te Sulzbach (Duitsland),
gedaagden in de hoofdzaak 2 en 3,
eiseressen in incident,
advocaat: mr. M.G. Bredenoord-Spoek te Amsterdam,
de vennootschappen naar buitenlands recht
4.
CLARIANT AG,
gevestigd te Muttenz (Zwitserland),
5.
CLARIANT INTERNATIONAL AG,
gevestigd te Muttenz (Zwitserland),
gedaagden in de hoofdzaak 4 en 5,
eiseressen in incident,
advocaat: mr. M.H.C. Sinninghe Damsté te Amsterdam,
de vennootschappen naar buitenlands recht
6.
ORBIA ADVANCE CORPORATION, S.A.B. DE C.V.,
gevestigd te Mexico-Stad (Mexico),
7.
VESTOLIT GMBH,
gevestigd te Marl (Duitsland),
gedaagden in de hoofdzaak 6 en 7,
eiseressen in het incident,
advocaat: mr. H.M. Cornelissen te Amsterdam,
de vennootschappen naar buitenlands recht
8.
WESTLAKE CORPORATION, (of Westlake Chemical Corporation, zoals de Europese Commissie haar noemt)
gevestigd te Houston (Verenigde Staten van Amerika),
9.
WESTLAKE GERMANY GMBH & CO. KG,
gevestigd te Ismaning (Duitsland),
10.
WESTLAKE VINNOLIT GMBH & CO. KG,
gevestigd te Ismaning (Duitsland),
11.
WESTLAKE VINNOLIT HOLDINGS GMBH,
gevestigd te Ismaning (Duitsland),
gedaagden in de hoofdzaak 8 tot en met 11,
advocaat: mr. W. Heemskerk te Den Haag.
Eiseres in de hoofdzaak wordt hierna SCE genoemd. Gedaagden in de hoofdzaak 1 tot en met 3 worden hierna gezamenlijk Celanese genoemd. Gedaagden in de hoofdzaak 4 en 5 worden hierna gezamenlijk Clariant genoemd. Gedaagden in de hoofdzaak 6 en 7 worden hierna gezamenlijk Vestolit genoemd. Gedaagden in de hoofdzaak 8 tot en met 11 worden hierna gezamenlijk Westlake genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de regiezitting van 12 februari 2024 en de daarin genoemde stukken,
- het vonnis in incident voeging van 24 april 2024 en de daarin genoemde stukken,
- het proces-verbaal van de digitale descente van 28 mei 2024,
- het vonnis van 14 augustus 2024 en de daarin genoemde stukken,
- het vonnis in de bevoegdheids- en vrijwaringsincidenten van 22 januari 2025 en de daarin genoemde stukken, waarin de rechtbank zich internationaal bevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van SCE,
- het vonnis in incident 843a Rv van 7 mei 2025 en de daarin genoemde stukken,
- de conclusie van antwoord van Celanese tevens houdende een voorwaardelijk 843a-incident, met producties 1 – 16,
- de conclusie van antwoord van Clariant tevens houdende een voorwaardelijk 843a-incident, met producties 1 – 14,
- de conclusie van antwoord van Vestolit tevens houdende een voorwaardelijk 843a-incident, met producties 1 – 16,
- de aanvullende conclusie van antwoord van Vestolit inzake counterfactual ethyleen MCP’s en de ineffectiviteit van de inbreuk tevens houdende een voorwaardelijk 843a-incident, met producties 17 – 24,
- de conclusie van antwoord van Westlake, met producties 1 – 16,
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025 waarin abusievelijk de mondelinge behandeling op 19 maart 2026 is bepaald,
- het herstelvonnis van 2 oktober 2025 waarin de mondelinge behandeling op 18 maart 2026 is bepaald.
1.2.
Na het laatste tussenvonnis hebben alle partijen meerdere stukken overgelegd. Per partij gaat het om de volgende stukken.
SCE:
- de akte overlegging producties tevens houdende bewijsaanbod, tevens houdende wijziging van eis, met producties 61 – 71,
- de akte overlegging producties tevens houdende wijziging van eis, met producties 72 – 73,
- de conclusie van antwoord in het 843a-incident van Vestolit, met productie 74,
Celanese:
- de akte overlegging aanvullende producties, met producties 17 – 28,
- de akte overlegging aanvullende producties, met productie 29,
- de akte overlegging aanvullende producties, met producties 30 – 34,
- de incidentele conclusie tot tussenkomst,
Clariant:
- de akte houdende overlegging producties, met producties 15 – 21,
- de akte houdende overlegging producties, met producties 22 – 25,
- de incidentele conclusie 843a Rv (oud) tevens houdende vordering tot tussenkomst,
Vestolit:
- de akte overlegging producties, aanbod tot overlegging aanvullende producties, tevens wijziging van eis in incident 843a (oud) Rv, met producties 25 – 40,
- de akte houdende overlegging producties, aanbod tot overlegging aanvullende producties, met producties 41 – 47,
- de akte houdende overlegging productie, met productie 48,
Westlake:
- de akte houdende overlegging aanvullende producties, met producties 16 – 23,
- de akte houdende overlegging producties, met productie 24.
1.3.
Op 18 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verkort proces-verbaal opgemaakt. De in het proces-verbaal genoemde stukken behoren tot het dossier. Een notulist heeft aan de hand van een geluidsopname een woordelijk verslag van de mondelinge behandeling opgemaakt. Partijen hebben de gelegenheid gehad dit aan te vullen. De rechtbank heeft het woordelijk verslag vastgesteld en aan het proces-verbaal gehecht.
1.4.
Op 1 juni 2026 heeft een voortzetting van de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verkort proces-verbaal opgemaakt. De in het proces-verbaal genoemde stukken behoren tot het dossier. Een notulist heeft aan de hand van een geluidsopname een woordelijk verslag van de mondelinge behandeling opgemaakt. Partijen hebben de gelegenheid gehad dit aan te vullen. De rechtbank heeft het woordelijk verslag vastgesteld en aan het proces-verbaal gehecht.
1.5.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.
2. Het geschil, het procesverloop en de beslissingen van de rechtbank in het kort
Het geschil in het kort
2.1.
Het geschil betreft een follow-on procedure ter zake de schade die SCE stelt hebben geleden als gevolg van een door de Europese Commissie in haar besluit van 14 juli 2020 (het EC-besluit) vastgestelde inbreuk op artikel 101 lid 1 VWEU Pro [1] (ook wel het ‘ethyleenkartel’ genoemd).
2.2.
SCE verkoopt en levert onder meer ethyleen en ethyleenderivaten. Ethyleen is een kleurloos en zeer brandbaar gas dat wordt gebruikt als grondstof in de petrochemische industrie. Celanese, Clariant, Vestolit en Westlake kopen ethyleen in voor de productie van verschillende chemische producten.
2.3.
SCE heeft vorderingen ingesteld in vervolg op het EC-besluit, waarin is vastgesteld dat door Celanese, Clariant, Vestolit en Westlake het kartelverbod is overtreden en aan Celanese, Clariant en Vestolit geldboetes zijn opgelegd. Aan Westlake is volledige boete-immuniteit verleend. De inbreuk bestond uit bilaterale informatie-uitwisselingen tussen gedaagden die tot doel hadden het neerwaarts beïnvloeden van de Monthly Contract Price (de MCP) voor ethyleen, een referentieprijs die in bepaalde ethyleenleveringscontracten een van de variabelen vormt voor het vaststellen van de prijs van ethyleen en ethyleenderivaten.
2.4.
Het kernverwijt dat SCE aan gedaagden maakt is dat zij als gevolg van de inbreuk haar ethyleen en ethyleenderivaten voor te lage prijzen heeft verkocht in zowel de periode dat de inbreuk plaatsvond (in de jaren 2011-2017) als in de twee jaar daarna, omdat het effect van de inbreuk in deze periode na-ijlde. Volgens SCE heeft zij zodoende ruim € 1 miljard aan inkomsten misgelopen. In de hoofdzaak vordert SCE daarom onder meer dat Celanese, Clariant, Vestolit en Westlake hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van ruim € 1 miljard.
Het procesverloop
2.5.
Op 12 februari 2024 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Daarbij is aan de orde gekomen dat aan de door SCE gemaakte schadeberekening bedrijfsvertrouwelijke gegevens ten grondslag liggen en dat die in deze procedure aan een vertrouwelijkheidsregime moeten worden onderworpen. De rechtbank heeft tijdens de regiezitting beslist dat die bedrijfsvertrouwelijke gegevens moeten worden ondergebracht in een door SCE in te richten dataroom (te weten de Dataroom Damages Calculation), waartoe een beperkte aan partijen gelieerde groep personen (de
confidentiality ring) toegang zou krijgen. Over de Dataroom Damages Calculation zijn tijdens de regiezitting afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in het proces-verbaal. SCE heeft aan de aan gedaagden verbonden personen die tot de
confidentiality ringbehoren toegang gegeven tot een groot aantal bestanden.
2.6.
Clariant, Vestolit en Westlake hebben afzonderlijke bevoegdheidsincidenten opgeworpen. Daarnaast hebben alle gedaagden afzonderlijke (voorwaardelijke) onderlinge vrijwaringsincidenten opgeworpen. Verder heeft Vestolit een 843a-incident opgeworpen.
2.7.
Daarna heeft de rechtbank op 14 augustus 2024 een vonnis gewezen omtrent verzoeken van partijen in verband met de
confidentiality ringen de (toegang tot de) Dataroom Damages Calculation.
2.8.
Gedaagden hebben – na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld – op 13 november 2024 geen 843a-incident opgeworpen over in de Dataroom Damages Calculation ter beschikking gestelde documenten.
2.9.
De rechtbank heeft bij vonnis van 22 januari 2025 de bevoegdheidsincidenten van Clariant, Vestolit en Westlake afgewezen en de door alle gedaagden opgeworpen onderlinge vrijwaringsincidenten (grotendeels) toegewezen. In dit vonnis heeft de rechtbank ook nadere regiebeslissingen genomen omtrent de
confidentiality ringen de (toegang tot de) Dataroom Damages Calculation.
2.10.
Bij vonnis van 7 mei 2025 is het 843a-incident van Vestolit afgewezen en is de verdere procesvoering in de hoofdzaak nader gespecificeerd.
2.11.
Op 27 augustus 2025 hebben gedaagden hun conclusies van antwoord in de hoofdzaak ingediend. Celanese, Clariant en Vestolit hebben ieder in hun conclusies van antwoord tevens (voorwaardelijke) 843a-incidenten opgeworpen.
2.12.
Daarna hebben alle gedaagden ieder eigen datarooms aan SCE opengesteld, onder toepassing van tussen partijen overeengekomen vertrouwelijkheidsregimes.
2.13.
Vervolgens hebben Celanese en Clariant ieder een incident tot tussenkomst opgeworpen en hebben Clariant en Vestolit hun (voorwaardelijke) 843a-incidenten gewijzigd.
2.14.
Op 18 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden met name over de eerste twee vooraf aan partijen toegezonden agendapunten.
2.15.
Op 1 juni 2026 heeft een voortzetting van de mondelinge behandeling plaatsgevonden over de volgende en laatste agendapunten.
De beslissingen van de rechtbank
2.16.
In dit vonnis wordt inhoudelijk geoordeeld over i) de incidentele vorderingen tot tussenkomst van Celanese en Clariant, ii) de vorderingen in de hoofdzaak van SCE en iii) het door Westlake gevoerde immuniteitsverweer.
2.17.
Celanese en Clariant worden niet-ontvankelijk verklaard in hun incidentele vorderingen tot tussenkomst, omdat zij die te laat hebben ingesteld.
2.18.
De vorderingen in de hoofdzaak van SCE worden afgewezen.
2.19.
SCE heeft haar schadevergoedingsvordering met name gebaseerd op vijf deskundigenrapporten. In die rapporten is berekend hoe groot het effect van de inbreuk op de MCP is geweest aan de hand van de zogenoemde “difference-in-differences” methode (de diff-in-diff methode). Daarbij is een vergelijking in de tijd gemaakt tussen
de MCP op de Noordwest-Europese markt en de spotprijzen voor ethyleen op de Noordoost- en Zuidoost-Aziatische markten. SCE stelt op basis van deze rapporten dat gedaagden tijdens de inbreukperiode de MCP cumulatief neerwaarts hebben beïnvloed en dat dit effect gedurende twee jaar na de inbreukperiode voortduurde, maar wel geleidelijk afnam. SCE heeft haar schade berekend aan de hand van de in deze rapporten berekende
underchargeten opzichte van de Noordoost-Aziatische markt.
2.20.
De rechtbank oordeelt dat de door SCE overgelegde deskundigenrapporten de schadeberekening van SCE niet kunnen dragen, omdat – kort gezegd – i) de betrokken markten onvoldoende vergelijkbaar zijn en ii) (de resultaten van) de daarin gebruikte methode niet betrouwbaar is. De rechtbank oordeelt verder dat ook niet aannemelijk is dat SCE de door haar gestelde schade heeft geleden als gevolg van de inbreuk. Dit alles leidt ertoe dat de vorderingen van SCE in de hoofdzaak worden afgewezen.
2.21.
Westlake heeft in de hoofdzaak een beroep gedaan op artikel 11 lid 4 Schaderichtlijn Pro. Volgens Westlake volgt daaruit dat zij als ontvanger van immuniteit beperkt hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de door SCE gestelde schade. De rechtbank ziet aanleiding om in dit vonnis – ten overvloede – op dit verweer van Westlake in te gaan. De rechtbank komt tot het oordeel dat Westlake zich als ontvanger van immuniteit op de beperking van de hoofdelijkheid kan beroepen.
2.22.
Gezien de uitkomst van de hoofdzaak komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de door Celanese, Clariant en Vestolit opgeworpen (voorwaardelijke) 843a-incidenten, zodat die worden afgewezen.

3.De opbouw van dit vonnis

3.1.
Dit vonnis is verder als volgt opgebouwd:
4.
De feiten
5.
Het geschil in de hoofdzaak
6.
Het geschil in de incidenten tot tussenkomst
7.
De beoordeling in de incidenten tot tussenkomst
8. – 16.
De beoordeling in de hoofdzaak
9.
Toepasselijk recht
10.
Inleidende opmerkingen
11.
Bewijslast
12.
De schadevergoedingsvordering van SCE
13.
Conclusie
14.
Ten overvloede: het immuniteitsverweer van Westlake
15.
De proceskosten en de daarover gevorderde rente
16.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
17.
Het geschil en de beoordeling in de (voorwaardelijke) 843a-incidenten
18.
De beslissing

4.De feiten

In de eerdere vonnissen is een aantal feiten vastgesteld. Deze feiten worden hierna, voor zover thans van belang, herhaald en aangevuld.
Ethyleen en ethyleenderivaten
4.1.
Ethyleen is een kleurloos en zeer brandbaar gas dat wordt gebruikt als grondstof in de petrochemische industrie.
4.2.
Ethyleen wordt onder meer geproduceerd door het stoomkraken van koolwaterstoffen zoals ethaan, propaan, butaan en nafta. Bij dit stoomkraken worden de koolwaterstoffen verdund met stoom, kortstondig sterk verhit – boven 800 graden Celsius – en gekoeld. De koolwaterstoffen breken daardoor op in kleinere moleculen, waarvan (de onverzadigde koolwaterstof) ethyleen een van de belangrijkste is.
4.3.
Ethyleen is geen eindproduct, maar wordt gebruikt voor de productie van andere (daarvan afgeleide) chemicaliën. Van ethyleen afgeleide chemicaliën worden ook wel ethyleenderivaten genoemd.
De betrokken partijen
SCE
4.4.
SCE is onderdeel van de Shell Groep. SCE treedt in deze procedure op als lasthebber van Shell Deutschland GmbH, Shell Company of Türkiye Limited, Shell Chemical LP en Shell Downstream South Africa (Proprietary) Limited. Verder in dit vonnis zal met SCE steeds SCE en haar lastgevers worden bedoeld (tenzij uitdrukkelijk anders vermeld).
4.5.
De Shell Groep produceert ethyleen. In Europa vindt de ethyleenproductie van de Shell Groep plaats op drie verschillende locaties, te weten in i) Moerdijk in Nederland, ii) Wesseling in Duitsland en iii) Mossmorran in het Verenigd Koninkrijk.
4.6.
De Shell Groep gebruikt een deel van de door haar geproduceerde ethyleen weer in de productie van ethyleenderivaten (zogenoemde
captive use).
4.7.
SCE verkoopt en levert – de niet voor
captive usegebruikte – ethyleen en ethyleenderivaten van de Shell Groep aan afnemers in Europa. SCE koopt ook ethyleen in.
Gedaagden
4.8.
Geen van gedaagden produceert ethyleen. Zij kopen ethyleen in voor de productie van verschillende chemische producten.
Celanese
4.9.
Celanese is een wereldwijde producent van chemicaliën en is actief in verschillende segmenten van de chemische industrie. Met de ethyleen die zij inkoopt, produceert Celanese in Europa met name ethyleenderivaten zoals vinylacetaat-ethyleen, polyethyleen en thermoplastische elastomeren.
4.10.
Celanese heeft productiefaciliteiten op verschillende locaties in Duitsland, te weten onder meer in Frankfurt-Höchst, Kaiserslautern, Oberhausen, Utzenfeld en Wehr.
Clariant
4.11.
Clariant is onderdeel van de Clariant Groep. Clariant houdt zich onder meer bezig met de productie en distributie van chemicaliën bestemd voor verschillende sectoren, waaronder persoonlijke verzorging, oliewinning en mijnbouw en industriële toepassingen. Met de ethyleen die zij inkoopt, produceert Clariant onder meer additieven en wassen, olie- en raffinaderijadditieven en vlamvertragers.
4.12.
Clariant heeft productiefaciliteiten op verschillende locaties in Duitsland, te weten Gendorf, Frankfurt, Oberhausen en Knapsack.
Vestolit
4.13.
Vestolit is onderdeel van de Orbia Groep. Vestolit is een wereldwijde producent van PVC en andere derivaten (producten van monomeer). Met de ethyleen die zij inkoopt, produceert Vestolit met name zogenoemde specialty PVC.
4.14.
Vestolit heeft productiefaciliteiten in Marl in Duitsland.
Westlake
4.15.
Westlake is onderdeel van de Westlake Groep. Westlake is een wereldwijde producent van polyethyleen- en vinylchemicaliën.
4.16.
Westlake heeft twee productiefaciliteiten in Duitsland, te weten in Gendorf en Knapsack.
Transport van ethyleen in Noordwest-Europa
4.17.
In Noordwest-Europa – waaronder hier wordt begrepen Nederland, België, Frankrijk en Duitsland (hierna: NWE) – vervoeren leveranciers ethyleen vrijwel uitsluitend via pijpleidingen vanaf de stoomkrakers naar de productiefaciliteiten van de afnemers (de afnamelocaties).
4.18.
In NWE verbindt het zogenoemde ARG-pijpleidingnetwerk de productiefaciliteiten en afnamelocaties met elkaar. Het ARG-pijpleidingnetwerk is ongeveer 495 kilometer lang en loopt door Nederland, België en Duitsland. Deze hoofdpijpleiding wordt
geëxploiteerd door de Duitse vennootschap ARG GmbH & Co KG.
4.19.
Het ARG-pijpleidingnetwerk is verbonden met een breder netwerk van lokale en nationale (toevoer)leidingen in Nederland, België en Duitsland (het geheel hierna tezamen: het ARG+ Netwerk). Deze andere (toevoer)leidingen zijn eigendom van en worden geëxploiteerd door verschillende partijen, waaronder ethyleenleveranciers. In onderstaande afbeelding is het ARG+Netwerk weergegeven:
De ethyleenhandelsmarkt in Noordwest-Europa in de periode van 2011 tot en met 2017
De leverancierszijde
4.20.
In de periode van 2011 tot en met 2017 waren op de NWE-ethyleenhandelsmarkt 10 verschillende ethyleenleveranciers actief, waaronder SCE.
De afnemerszijde
4.21.
In de periode van 2011 tot en met 2017 waren op de NWE-ethyleenhandelsmarkt 25 verschillende ethyleenafnemers actief, waaronder alle gedaagden.
De Monthly Contract Price (de MCP)
4.22.
Omdat de prijs van ethyleen door marktomstandigheden – waaronder grondstofprijzen en vraag- en aanbodfactoren – volatiel is, hebben marktpartijen op de NWE-ethyleenhandelsmarkt gepoogd de marktprijs te stabiliseren met behulp van een benchmarkprijs: de Ethylene Monthly Contract Price (hierna: de MCP).
4.23.
De MCP is een nominale referentieprijs voor ethyleen. De MCP wordt vastgesteld door de Independent Commodity Intelligence Service (hierna: ICIS). ICIS is een zogenoemde
reporting agencydie marktinformatie over onder andere de chemische sector verzamelt en publiceert. ICIS stelt de MCP vast op grond van de nominale marktprijs die bepaalde marktdeelnemers (afnemers en leveranciers) vrijwillig aan haar rapporteren. ICIS neemt uitsluitend informatie in aanmerking die afkomstig is van grote leveranciers en afnemers van ethyleen.
4.24.
De MCP werd in de in dit geding relevante periode maandelijks op – samengevat – de volgende wijze vastgesteld. Zodra een leverancier en afnemer overeenstemming bereiken over de nominale prijs van ethyleen voor de volgende maand, geven zij de overeengekomen prijs door aan ICIS. Tot april 2018 maakte ICIS die prijs bekend als een zogenoemd
initial settlement. Zodra (minimaal) een tweede paar, bestaande uit een andere leverancier en een andere afnemer dezelfde nominale prijs overeenkomen – een zogenoemd
final settlement– en aan ICIS rapporteren (de zogenoemde 2+2-regel), wordt deze prijs (exclusief een korting) de MCP voor de volgende maand die ICIS als zodanig bekend maakt. Het is ook mogelijk dat meerdere leveranciers en/of meerdere afnemers de
initialof
final settlementaangaan. Deelname aan dit zogenoemde
MCP settlement processis vrijwillig; niet alle leveranciers en afnemers van ethyleen nemen daaraan (steeds) deel.
Typen leveringscontracten en de verkoop van ethyleen(derivaten) door SCE
4.25.
Op de NWE-ethyleenhandelsmarkt wordt gebruik gemaakt van verschillende typen leveringscontracten – met ieder een eigen prijsbepalingsmechanisme – te weten:
i.
Langetermijncontracten
Deze contracten hebben een looptijd van doorgaans 1 tot 10 jaar. Bij het aangaan van deze leveringscontracten komen partijen een prijsformule overeen, waarin doorgaans verschillende variabelen worden opgenomen die in onderling verband de te betalen nettoprijs voor ethyleen bepalen. Een van de variabelen die vaak in langetermijncontracten in NWE wordt opgenomen is de MCP.
Spot-transacties
Dit zijn eenmalige transacties tussen leveranciers en afnemers, waarbij een
ad hocafgesproken hoeveelheid ethyleen wordt verhandeld tegen een
ad hocafgesproken prijs. Bij spot-transacties speelt de MCP in beginsel geen rol.
Swap-transacties
Dit zijn transacties waarbij leveranciers afspreken de ‘geswapte’ hoeveelheid ethyleen te leveren aan een afnemer van de ander, om geografische leveringsbeperkingen – en daarmee gepaard gaande hoge leveringskosten – op te lossen. Door swap-transacties kan een leverancier met een verafgelegen productiefaciliteit tegen betaling ethyleen laten leveren door een andere leverancier die dichter bij de afnemer gevestigd is. In ruil daarvoor kan de eerste leverancier op zijn beurt ethyleen leveren aan afnemers van de tweede leverancier die dichter bij zijn eigen faciliteit zijn gevestigd. Zo ruilen (‘swappen’) zij elkaars transportdiensten en ethyleenvolumes.
4.26.
Ook SCE maakt gebruik van verschillende typen leveringscontracten. Zij verhandelt het grootste deel van haar volume ethyleen en ethyleenderivaten echter op basis van langetermijncontracten. In die contracten wordt doorgaans een prijsformule overeengekomen waarvan de MCP een van de variabelen vormt.
Informatie-uitwisselingen tussen gedaagden
4.27.
Celanese, Clariant en Vinnolit Gmbh & Co KG (hierna: Vinnolit, per 31 juli 2014 overgenomen door Westlake (gedaagde 10)) maakten in het verleden onderdeel uit van het Hoechst concern. Hoechst AG (hierna: Hoechst) was een van de grootste ethyleenafnemers in Europa. In 1997 verkocht Hoechst haar petrochemische derivatenbedrijven – waaronder Celanese, Clariant en Vinnolit – aan derden.
4.28.
Verschillende door Hoechst onderhandelde langetermijncontracten konden ten tijde van die verkoop niet (eenvoudig) worden beëindigd. Omdat de ethyleenleveranciers met één inkoopconsortium wensten te (blijven) handelen, richtte Hoechst in 1998 Hoechst Procurement Olefins (hierna: HPO) op. Het doel van HPO was het voortzetten van het beheren en coördineren van de inkoop van ethyleen voor bedrijven met een jarenlange handelsrelatie met Hoechst, waaronder Celanese, Clariant en Vinnolit. In 2000 is de ethyleeninkoop-rol van HPO overgeheveld naar Celanese Procurement Olefins (hierna: CPO).
4.29.
De bedrijven die onderdeel uitmaakten van deze inkoopconsortia deelden individueel hun verwachte vraag naar ethyleen met de inkoopconsortia. De inkoopconsortia kochten vervolgens namens de deelnemers de benodigde ethyleen in bij de leveranciers.
4.30.
HPO en CPO namen (openlijk) als één enkele partij deel aan het
MCP settlement process.
4.31.
Elke maand (en daarvoor elk kwartaal) wisselden de werknemers
van de ethyleenafnemers die onderdeel uitmaakten van de inkoopconsortia van gedachten over de ethyleenmarkt en wat een passende MCP zou zijn. De ethyleenleveranciers wisten dat de bedrijven die onderdeel uitmaakten van HPO en later CPO de inkoop van ethyleen coördineerden en in dat kader met elkaar correspondeerden.
4.32.
Na verloop van tijd liepen de langetermijncontracten met leveranciers af en wilden de meeste leden van het inkoopconsortium verantwoordelijk zijn voor hun eigen inkoop. Dit leidde tot de afbouw van de gezamenlijke ethyleeninkoop. Na ontbinding van het inkoopconsortium en de toetreding van Clariant vanaf 2012 tot de NWE-ethyleenhandelsmarkt als afnemer, namen Celanese, Clariant en Vinnolit als drie afzonderlijke partijen deel aan het
MCP settlement process.
4.33.
De inkoopmanagers van Celanese, Clariant en Vinnolit (vanaf 2014 Westlake) bleven daarna – samengevat – de ethyleenmarkt, de MCP en lopende MCP settlement-onderhandelingen met elkaar bespreken. Vanaf 17 november 2015 nam ook een door Vestolit ingehuurde externe consultant deel aan die besprekingen.
Het immuniteitsverzoek van Westlake en het onderzoek door de Europese Commissie
4.34.
Op 29 juni 2016 heeft Westlake de Europese Commissie geïnformeerd over de hiervoor in 4.33 geschetste informatie-uitwisselingen tussen gedaagden. Daarbij heeft Westlake de Europese Commissie – op grond van de clementieregeling [2] – verzocht aan haar volledige immuniteit te verlenen voor een eventueel op te leggen boete. In ruil daarvoor diende zij volledige medewerking aan het onderzoek te verlenen.
4.35.
Daarna is de Europese Commissie een onderzoek gestart naar alle gedaagden. In het kader van dat onderzoek heeft de Europese Commissie in mei 2017 onaangekondigde inspecties uitgevoerd bij Celanese, Clariant en Vestolit.
Het EC-besluit
4.36.
Bij besluit van 14 juli 2020 (
Case AT.40410-Ethylene) heeft de Europese Commissie één enkele en voortdurende inbreuk op artikel 101 lid 1 VWEU Pro [3] vastgesteld door in totaal elf partijen, te weten alle gedaagden (hierna: het EC-besluit). De inbreuk bestond – samengevat – uit bilaterale informatie-uitwisselingen die tot doel hadden het neerwaarts beïnvloeden van de MCP (hierna: de inbreuk). In het EC-besluit is vastgesteld dat de inbreuk heeft plaatsgevonden tussen 26 december 2011 en 29 maart 2017 (hierna: de inbreukperiode). Geografisch gezien omvatte de inbreuk de grondgebieden van België, Frankrijk, Duitsland en Nederland. Alle gedaagden zijn geadresseerden van het EC-besluit. Alle gedaagden hebben uiteindelijk deelname aan de inbreuk erkend.
4.37.
In het EC-Besluit is de inbreuk als volgt omschreven:

4. DESCRIPTION OF THE EVENTS
4.1
Nature, objective and scope of the conduct
(38) The present case concerns a single and continuous infringement which consisted in exchanging of sensitive commercial and pricing-related information and
the fixing of a price element, namely the MCP, related to the purchases of ethylenein the Member States of the Union in Belgium, France, Germany and the Netherlands” [onderstreping rechtbank]
(…)
HAS ADOPTED THIS DECISION:
Article 1
The following undertakings infringed Article 101 of the Treaty on the Functioning of the European Union by participating, during the periods indicated, in a single and continuous infringement consisting of exchanging sensitive commercial and pricing-related information and of fixing a price element related to the purchases of ethylene, within the territories of Belgium, France, Germany and the Netherlands:
(a) Vinnolit GmbH & Co. KG, Vinnolit Holdings GmbH, from 26 December 2011 to 29 June 2016; Westlake Chemical Corporation and Westlake Germany GmbH & Co. KG from 31 July 2014 to 29 June 2016;
(b) Orbia Advance Corporation, S.A.B. de C.V. and VESTOLIT GmbH from 17 November 2015 to 28 March 2017;
(c) Clariant International AG and Clariant AG from 26 December 2011 to 29 March 2017;
(d) Celanese Services Germany GmbH from 18 January 2012 to 20 January 2016; Celanese Europe B.V. and Celanese Corporation from 18 January 2012 to 28 March 2017.
4.38.
In het EC-besluit staat verder – voor zover relevant – het volgende:
“5. LEGAL ASSESSMENT
(…)
5.1
Application of Article 101(1) of the TFEU
(…)
5.1.1.2. Application in this case
(54) As it emerges from the facts described in recitals (38) to (47), the parties reached agreements on MCP targets which they intended to use for the start of the MCP settlement negotiations with ethylene sellers, the negotiation strategy and on the final MCP they ultimately wanted to achieve. On other occasions, directions on the desired MCP level and/or settlement timing were signalled or requested by the parties.
(55) The parties also exchanged information and updates on the status of the MCP settlement negotiations, as well as on the impact that market trends were supposed to have on the ethylene MCP, and thereby knowingly substituted practical cooperation between them for the risks of competition.
(56) Based on the submissions of the parties and the other evidence obtained during the course of the Commission’s investigation, it is therefore concluded that the conduct described in recitals (38) to (47) presents all the characteristics of an agreement or a concerted practice, or both within the meaning of Article 101(1) of the TFEU.
5.1.3.
Restriction of competition
(…)
5.1.3.2 Application in this case
(68) The conduct amounted to concerted horizontal practices, which included exchange of sensitive commercial and pricing-related information and fixing of a price element. The MCP forms part of the pricing formula in certain supply agreements (see recital (7)). It directly influences the actual ethylene purchase price under such contracts and in certain transactions on the spot market. The conduct adopted by the parties ultimately aimed at reducing or eliminating uncertainty and information asymmetry as to the future pricing behaviour of parties on the ethylene purchasing market, thereby enabling the parties to make decisions based on more specific and reliable data in comparison, for instance, with information received from ethylene sellers. The parties knowingly substituted the risks of competition through practical co-ordination between them.
(…)
(71) Based on the submissions of the parties and the other evidence obtained during the course of the Commission's investigation, it is concluded that the conduct should be regarded as having as its object the restriction of competition on the ethylene purchasing market within the meaning of Article 101(1) of the TFEU (…). There is no need to take into account the effects of the conduct and to consider whether or not the parties ultimately succeeded in reaching the desired level of MCP (…)
(…)

8.REMEDIES

(…)
8.2.
Article 23(2) and (3) of Regulation (EC) No 1/2003
(…)
(108) In the present case, the Commission considers that, based on the facts described (…) the infringement was committed intentionally.
(…)
8.6
Applicatoin of the Leniency Notice
(152) WESTLAKE submitted an application under the Leniency Notice on 29 June 2016 and was granted conditional immunity from fines for the infringement on 28 March 2017. WESTLAKE´s cooperation fulfilled the requirements of the Leniency Notice throughout the procedure. WESTLAKE is therefore granted immunity from fines for the infringement.”
4.39.
Bij het EC-besluit zijn boetes opgelegd aan Celanese, Clariant en Vestolit van respectievelijk (ruim) € 82 miljoen, € 155 miljoen en € 22 miljoen. Aan Westlake is volledige boete-immuniteit verleend op grond van de clementieregeling.

5.Het geschil in de hoofdzaak

5.1.
SCE vordert na eiswijziging – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Celanese, Clariant, Vestolit en Westlake:
I. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 1.025.020.053,12, te vermeerderen met de wettelijke rente,
II. veroordeelt tot betaling van de kosten voor bijstand van deskundigen in de onderhavige procedure, voorlopig begroot op € 375.313,84, te vermeerderen met de kosten die daarna nog zijn gemaakt en dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente,
III. hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de schade die bestaat uit SCE’s interne bedrijfskosten in verband met de onderhavige procedure, nader op te maken bij staat,
IV. hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
5.2.
Celanese, Clariant, Vestolit en Westlake voeren verweer. Celanese, Clariant en Vestolit concluderen tot afwijzing althans (behalve Clariant) tot substantiële matiging van de vorderingen van SCE, met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van SCE in de proceskosten (inclusief de nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.
5.3.
Westlake concludeert op andere gronden tot afwijzing van de vorderingen van SCE, met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van SCE in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

6.Het geschil in de incidenten tot tussenkomst

6.1.
Celanese vordert – samengevat – dat de rechtbank haar bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis toestaat tussen te komen in ieder van de (subjectief gecumuleerde) procedures tussen SCE enerzijds en respectievelijk Clariant, Vestolit en Westlake anderzijds, met veroordeling van SCE in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
6.2.
Clariant vordert – samengevat – dat de rechtbank haar bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis toestaat tussen te komen in ieder van de (subjectief gecumuleerde) procedures tussen SCE enerzijds en respectievelijk Celanese, Verstolit en Westlake anderzijds, met veroordeling van SCE in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
6.3.
SCE is ter zitting van 18 maart 2026 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de incidenten tot tussenkomst van Celanese en Clariant.

7.De beoordeling in de incidenten tot tussenkomst

7.1.
Op 10 en 11 maart 2026 hebben respectievelijk Clariant en Celanese incidentele conclusies ingediend (tevens) houdende incidentele vorderingen tot tussenkomst.
7.2.
De rechtbank heeft Celanese en Clariant daarop voorgehouden dat zij voorshands van oordeel is dat de incidentele vorderingen tot tussenkomst te laat zijn ingediend. De rechtbank heeft hen in dit verband gewezen op artikel 218 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) waarin is bepaald dat de vorderingen tot tussenkomst dienen te worden ingesteld bij incidentele conclusie vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie in het aanhangige geding wordt genomen. De rechtbank heeft Celanese en Clariant daarbij gewezen op de conclusies van antwoord in de hoofdzaak die reeds eerder waren genomen.
7.3.
Tijdens de zitting van 18 maart 2026 heeft Clariant toegelicht dat op dit moment ongewis is of de laatste conclusie in het aanhangige geding reeds is genomen, zodat nog een nieuwe mogelijkheid tot tussenkomst zou kunnen ontstaan. De rechtbank heeft Clariant voorgehouden dat daarop niet kan worden vooruitgelopen en dat op dit moment de incidentele vorderingen tot tussenkomst te laat zijn ingediend. Daarop heeft Clariant haar hiervoor geschetste toelichting niet verder aangevuld. De rechtbank ziet daarin dan ook geen reden om terug te komen van het door haar voorshands gegeven oordeel dat de incidentele vorderingen van Celanese en Clariant te laat zijn ingediend.
7.4.
Al het voorgaande brengt mee dat Celanese en Clariant niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.
7.5.
Celanese en Clariant worden als de in het ongelijk gestelde partijen veroordeeld in de proceskosten van SCE. De rechtbank begroot de proceskosten van SCE op nihil, omdat niet is gebleken dat SCE in dit verband enige proceskosten heeft gemaakt.

8.De beoordeling in de hoofdzaak

9.Toepasselijk recht

9.1.
Dit is een internationale kwestie, omdat SCE elf partijen heeft gedagvaard die gevestigd zijn in verschillende landen. De rechtbank moet daarom eerst (ook ambtshalve) het toepasselijk recht vaststellen (artikel 10:2 BW Pro). De vorderingen van SCE zijn gegrond op een niet-contractuele verbintenis, te weten een inbreuk op het mededingingsrecht. Het toepasselijk recht moet daarom worden vastgesteld aan de hand van de Rome II-Verordening (hierna: Rome II). [4]
9.2.
SCE stelt dat op grond van artikel 6 lid 3 onder Pro b Rome II Nederlands recht van toepassing is op haar vorderingen, omdat SCE in dit geval kan kiezen – en heeft gekozen – voor Nederlands recht.
9.3.
Celanese en Vestolit hebben erop gewezen dat de schadevergoedingsvordering van SCE ook ziet op transacties die buiten de reikwijdte van het EC-besluit vallen, te weten transacties die zien op andere geografische en/of productmarkten dan de NWE-ethyleenhandelsmarkt. Volgens Celanese en Vestolit komt SCE ten aanzien van die transacties geen rechtskeuze toe op grond van artikel 6 lid 3 onder Pro b Rome II.
9.4.
Wat betreft de overige transacties waarop de schadevergoedingsvordering van SCE ziet, refereren Celanese en Vestolit zich voorlopig aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het toepasselijk recht, met dien verstande dat op dit moment prejudiciële vragen voorliggen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ-EU) over de uitleg van artikel 6 lid 3 onder Pro b Rome II. [5] Celanese en Vestolit willen in de gelegenheid worden gesteld om zich na het wijzen van arrest door het HvJ-EU hierover uit te laten, mocht de beantwoording van de prejudiciële vragen daartoe aanleiding geven.
9.5.
Clariant refereert zich ten aanzien van het toepasselijk recht aan het oordeel van de rechtbank.
9.6.
Westlake gaat voorlopig uit van de toepasselijkheid van Nederlands recht, maar wil de mogelijkheid krijgen om op een later moment nog verweren te kunnen voeren ten aanzien van het toepasselijk recht.
9.7.
De rechtbank oordeelt dat Nederlands recht van toepassing is op de vorderingen van SCE en legt hierna uit waarom.
9.8.
Artikel 6 (Oneerlijke concurrentie en daden die de vrije concurrentie beperken) lid 3 Rome II luidt als volgt:
a. De niet-contractuele verbintenis die uit een beperking van de mededinging voortvloeit, wordt beheerst door het recht van het land waarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt.
Wanneer de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt in meer dan één land, mag de persoon die schadevergoeding vordert bij het gerecht van de woonplaats van de verweerder, echter verkiezen zijn vordering te gronden op het recht van het gerecht waarbij hij het geschil aanhangig heeft gemaakt, mits de markt in die lidstaat een van de markten is die rechtstreeks en aanzienlijk beïnvloed worden door de beperking van de mededinging waaruit de niet-contractuele verbintenis voortvloeit waarop de vordering is gebaseerd. Wanneer de eiser, overeenkomstig de toepasselijke regels betreffende de rechterlijke bevoegdheid, meer dan één verweerder voor het gerecht daagt, kan hij uitsluitend kiezen om zijn vordering op het recht van dat gerecht te gronden indien de beperking van de mededinging, waarop de vordering tegen elk van deze verweerders berust, ook de markt van de lidstaat van dat gerecht rechtsreeks en aanzienlijk beïnvloedt.
9.9.
Voor zover de schadevergoedingsvordering van SCE betrekking heeft op transacties die zien op andere geografische en/of productmarkten dan de NWE-ethyleenhandelsmarkt, geldt dat Celanese en Vestolit hebben aangevoerd dat die transacties buiten het toepassingsbereik van artikel 6 lid 3 onder Pro b Rome II vallen. Celanese en Vestolit bestrijden niet dat de markt in Nederland een van de markten is die rechtstreeks en aanzienlijk beïnvloed worden door de beperking van de mededinging waaruit de niet-contractuele verbintenis voortvloeit waarop de vordering is gebaseerd. Dat sluit niet uit dat de vordering mede is gebaseerd op transacties die zien op andere geografische en/of productmarkten dan de NWE-ethyleenhandelsmarkt, maar waarvan de prijsbepaling wel (mede) was gebaseerd op de MCP. De Hoge Raad heeft bij arrest van 20 juni 2025 – in vervolg op de prejudiciële vragen van deze rechtbank in Truckkartel – op haar beurt prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ-EU [6] . Of de rechtskeuze van SCE geldt voor de gehele “niet-contractuele verbintenis die uit een beperking van de mededinging voortvloeit”, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 onder Pro a, ook geldt voor de transacties die zien op andere geografische en/of productmarkten dan de NWE-ethyleenhandelsmarkt, maar waarvan de prijsbepaling wel (mede) was gebaseerd op de MCP is door het HvJ-EU [7] nog niet beantwoord. In lijn met de conclusie van AG Vlas [8] voorafgaand aan genoemd arrest van de Hoge Raad (overweging 3.5) en het bepaalde in artikel 20 Rv Pro houdt de rechtbank het er op dit moment voor dat de rechtskeuze voor het geheel van de niet-contractuele verbintenis geldt en dus Nederlands recht van toepassing is.
9.10.
Voor het temporeel toepasselijk recht, zie hierna onder 11.1 en verder.

10.Inleidende opmerkingen

10.1.
SCE vordert in deze procedure dat de rechtbank gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van ruim € 1 miljard. SCE grondt deze vordering op artikel 101 VWEU Pro in samenhang met artikel 6:162 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW). Deze artikelen brengen mee dat degene die een inbreuk maakt op het mededingingsrecht, de schade moet vergoeden die de ander daardoor lijdt. Daarbij dient de rechter de criteria van artikel 6:162 BW Pro toe te passen in zoverre het communautaire recht daarvoor geen regels geeft. De te vergoeden schade omvat het reële verlies, de gederfde winst, en de rente vanaf het tijdstip dat de schade zich voordeed. [9]
10.2.
De schadevergoedingsvordering van SCE is gebaseerd op de inbreuk die de Europese Commissie in het EC-besluit als bevoegde Europese mededingingsautoriteit heeft vastgesteld. Het EC-besluit levert, voor zover niet ongeldig verklaard, bindend bewijs op van de vastgestelde inbreuk in civiele schadeprocedures die worden gevoerd voor een rechter van een EU-lidstaat. [10] Het EC-besluit is niet ongeldig verklaard, zodat de onrechtmatigheid van het handelen van gedaagden – door deelname aan de in het EC-besluit omschreven inbreuk op artikel 101 lid 1 VWEU Pro – hier gegeven is.
10.3.
In het EC-besluit is uitdrukkelijk niet de effectiviteit van de inbreuk beoordeeld (zie paragraaf 71 van het EC-besluit in 4.38). De Europese Commissie heeft dus niet beoordeeld of – zoals SCE stelt – de inbreuk tot gevolg heeft gehad dat de prijs van ethyleen lager was dan die zou zijn geweest als inbreuk niet had plaatsgevonden.

11.Bewijslast

11.1.
Door partijen is uitvoerig gedebatteerd over de vraag of het in artikel 6:193l BW opgenomen bewijsvermoeden (materieel en temporeel) van toepassing is op (alle onderdelen van) de schadevergoedingsvordering van SCE. Het bewijsvermoeden van artikel 6:193l BW zou volgens gedaagden temporeel niet van toepassing zijn op de schadevergoedingsvordering van SCE voor zover die ziet op transacties die hebben plaatsgevonden voor afloop van de omzettingstermijn van de Schaderichtlijn (27 december 2016) althans voor de daadwerkelijke omzetting van de Schaderichtlijn in Nederland (10 februari 2017). Verder zou het bewijsvermoeden materieel alleen gelden voor zover een inbreuk op artikel 101 lid 1 VWEU Pro is vastgesteld.
11.2.
Of en in hoeverre het bewijsvermoeden van artikel 6:193l BW hier op (alle onderdelen van) de schadevergoedingsvordering van SCE (materieel en temporeel) van toepassing is, kan in het midden blijven. Ook als van het bewijsvermoeden wordt uitgegaan, geldt dat gedaagden dat kunnen weerleggen. Het bewijsvermoeden van artikel 6:193l BW neemt bovendien niet weg dat naar Nederlands recht ten aanzien van de omvang van de schade in beginsel de gewone bewijsregels gelden [11] en dus SCE de omvang van haar schade moet stellen en bewijzen. Aangezien de rechtbank tot het oordeel komt dat SCE er niet is in geslaagd te bewijzen dat zij schade heeft geleden als gevolg van de inbreuk, laat staan in de omvang die zij vordert, brengt dit met zich dat het bewijsvermoeden geen rol meer speelt.

12.De schadevergoedingsvordering van SCE

12.1.
SCE vordert in deze procedure hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van een schadevergoeding van ruim € 1 miljard. Het kernverwijt dat SCE (en haar lastgevers) aan gedaagden maakt/maken is dat zij als gevolg van de inbreuk haar ethyleen en ethyleenderivaten voor te lage prijzen heeft/hebben verkocht – in zowel de inbreukperiode als in de twee jaar daarna – en zodoende dit bedrag aan inkomsten heeft/hebben misgelopen.
12.2.
SCE heeft haar schadevergoedingsvordering met name onderbouwd aan de hand van vijf rapporten van de door haar ingeschakelde deskundige AlixPartners (hierna afzonderlijk: AP1, AP2, AP3, AP4 en AP5 en samen: de AP-rapporten). [12] In de AP-rapporten is – kort gezegd – berekend hoe groot het effect van de inbreuk is geweest op de MCP. AP heeft daarvoor de zogenoemde “difference-in-differences” methode (hierna: de diff-in-diff methode) gebruikt. Daarbij is een vergelijking in de tijd gemaakt tussen de MCP op de NWE-ethyleenhandelsmarkt en de spotprijzen in Noordoost- en Zuidoost-Aziatische ethyleenhandelsmarkten (hierna afzonderlijk: NOA en ZOA en samen: de Aziatische ethyleenhandelsmarkten). SCE heeft haar schade berekend aan de hand van de
underchargeten opzichte van de NOA- ethyleenhandelsmarkt.
12.3.
SCE stelt dat gedaagden met de inbreuk een significant effect hebben gehad op de MCP. Volgens SCE hebben gedaagden tijdens de inbreukperiode de MCP cumulatief neerwaarts beïnvloed en is het effect daarvan gedurende twee jaar na de inbreukperiode (door haar ‘de run-off periode’ genoemd) geleidelijk afgenomen. SCE heeft aan de hand van de AP-rapporten toegelicht dat de MCP zich – zonder de inbreuk – tijdens de inbreukperiode en de run-off periode anders zou hebben ontwikkeld (de
but-for price/MCPof de
counterfactual MCP) dan zij daadwerkelijk heeft gedaan. Volgens SCE zou de MCP zonder de inbreuk in beide perioden op een (veel) hoger niveau hebben gelegen. SCE heeft daartoe gewezen op het hieronder opgenomen gedeelte van figuur 5 van AP1:
12.4.
Gedaagden zijn het daar niet mee eens. Zij hebben op hun beurt in totaal zeventien rapporten ingebracht van door hen (samen) ingeschakelde deskundigen Compass Lexecon, Analysis Group, Oxera, Case Associates en BRG. Gedaagden hebben mede aan de hand daarvan – samengevat – aangevoerd dat de AP-rapporten om verschillende redenen niet kunnen worden gevolgd en niet aantonen dat SCE de door haar gestelde schade heeft geleden.
Rechtbank: de schadevergoedingsvordering van SCE moet worden afgewezen
12.5.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de schadevergoedingsvordering van SCE moet worden afgewezen. De AP-rapporten kunnen niet worden gevolgd, kort gezegd, omdat i) de betrokken markten onvoldoende vergelijkbaar zijn en ii) (de resultaten van) het daarin gebruikte model niet betrouwbaar is. Ook heeft SCE niet aannemelijk gemaakt dat zij (de door haar gestelde) schade heeft geleden. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
De AP-rapporten
12.6.
Bij de beoordeling van de AP-rapporten staat voorop dat de diff-in-diff methode kan worden toegepast voor de berekening van kartelschade, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan. Bij toepassing van de diff-in-diff methode wordt een vergelijking in de tijd gemaakt tussen verschillende geografische markten.
12.7.
In de Praktische Gids [13] wordt onder meer de volgende uitleg gegeven over de vergelijking met gegevens van andere geografische markten:

(2) Vergelijking met gegevens van andere geografische markten
(…)
50. Hoe meer gelijkenis een geografische markt (afgezien van de gevolgen van de inbreuk) vertoont met de markt die door de inbreuk is getroffen, des te waarschijnlijker is het dat die markt geschikt is om als vergelijkingsmarkt te worden gebruikt. Dit houdt in dat de producten die op de twee met elkaar vergeleken geografische markten worden verhandeld, ten minste voldoende vergelijkbaar moeten zijn. Verder dienen de mededingingskenmerken van de geografische vergelijkingsmarkt sterke gelijkenis te vertonen met de kenmerken van de getroffen markt afgezien van de inbreuk. Dit kan ook een markt zijn waar geen volkomen concurrentie heerst.
51. De methode waarbij gebruik wordt gemaakt van geografische vergelijkingsmarkten om een niet-inbreukscenario op te stellen wordt in de praktijk voornamelijk toegepast wanneer de inbreuk geografische markten betreft met een lokaal, een regionaal of een nationaal karakter (…). Wanneer de markt waarop de inbreuk plaatsvindt en de geografische vergelijkingsmarkt aan elkaar grenzen, eventueel binnen één land, dan is het des te waarschijnlijker dat zij voldoende gelijkenis vertonen om te kunnen worden vergeleken (…).”
12.8.
Verder staat in de Praktische Gids onder meer de volgende uitleg over specifiek de diff-in-diff methode:

(4) Combinatie van vergelijkingen in de tijd en tussen markten
56. Wanneer er voldoende gegevens beschikbaar zijn is het mogelijk vergelijkingen in de tijd en tussen markten te combineren. Deze benadering wordt wel eens de "difference in differences"-methode genoemd, omdat gekeken wordt naar de ontwikkeling van de relevante economische variabele (bijvoorbeeld de prijs van meel) op de getroffen markt gedurende een bepaalde periode (verschil in de tijd op de inbreukmarkt) en deze wordt vergeleken met dezelfde variabele gedurende dezelfde periode op een niet-getroffen vergelijkingsmarkt (verschil in de tijd in de niet-inbreukmarkt) (…). De vergelijking toont het verschil tussen deze twee verschillen in de tijd. Aldus kan de verandering van de variabele als gevolg van de inbreuk worden geschat onder uitsluiting van alle factoren die zowel de inbreuk- als de vergelijkingsmarkt op dezelfde wijze hebben beïnvloed. Met deze methode kan het effect van de inbreuk worden gescheiden van andere invloeden op de desbetreffende gemeenschappelijke variabele voor beide markten.
(…)
58. Het voordeel van de "difference in differences"-methode is derhalve dat zij van de inbreuk onafhankelijke veranderingen, die gedurende dezelfde periode als de inbreuk hebben plaatsgevonden, kan uitfilteren (…). De methode berust echter in sterke mate op de aanname dat deze andere veranderingen beide markten op gelijke wijze hebben beïnvloed (…). De overwegingen inzake de toepassing van de methoden van de vergelijking in de tijd en tussen markten, en met name de noodzaak van voldoende vergelijkbaarheid van de betrokken markten, zijn ook van belang voor de "difference in differences"-methode. Vanuit praktisch oogpunt is voor deze methode in de regel een reeks gegevens van verschillende markten en perioden nodig die niet altijd gemakkelijk te verkrijgen zijn; ook met kleinere hoeveelheden gegevens kunnen echter ondergrenzen of benaderende ramingen worden opgesteld (…).”
12.9.
Uit de hiervoor geschetste uitleg kan worden afgeleid dat voor de toepassing van de diff-in-diff methode van belang is dat de betrokken markten voldoende vergelijkbaar zijn.
12.10.
AP heeft in haar rapporten een vergelijking in de tijd gemaakt tussen enerzijds de MCP op de NWE-ethyleenhandelsmarkt en anderzijds de spotprijzen op de Aziatische ethyleenhandelsmarkten.
Rechtbank: de vergeleken ethyleenhandelsmarkten zijn onvoldoende vergelijkbaar
12.11.
De rechtbank oordeelt dat de NWE-ethyleenhandelsmarkt en de Aziatische ethyleenhandelsmarkten onvoldoende vergelijkbaar zijn voor de toepassing van de diff-in-diff methode en legt hierna uit waarom.
De AP-rapporten: vergelijkbaarheid van de betrokken markten
12.12.
SCE heeft aan de hand van de AP-rapporten toegelicht dat de Aziatische ethyleenhandelsmarkten geschikt zijn om te vergelijken met de NWE-ethyleenhandelsmarkt bij de onderhavige toepassing van de diff-in-diff methode en wel als volgt. De spotprijzen op de Aziatische markten zijn niet beïnvloed door de inbreuk, omdat die gescheiden opereren van de NWE-ethyleenhandelsmarkt. Dit komt met name doordat de ethyleenhandel tussen NWE enerzijds en Azië anderzijds beperkt is vanwege het kostbare transport van ethyleen. Daarnaast zijn de betrokken markten volgens SCE om de volgende redenen vergelijkbaar:
het gaat om hetzelfde homogene product (ethyleen),
in Azië wordt – net als in NWE – dezelfde op nafta gebaseerde productietechnologie gebruikt,
er bestaan geen substituten voor ethyleen, zodat marktpartijen niet kunnen uitwijken naar alternatieve grondstoffen bij economische marktschommelingen,
de NWE- en Aziatische ethyleenhandelsmarkten zijn stabiel en volwassen, in de zin dat er geen grote technologische veranderingen plaatsvinden.
12.13.
De rechtbank volgt SCE daarin niet. Gedaagden hebben – mede aan de hand van de Rebuttal Rapporten van respectievelijk Compass Lexecon [14] en BRG [15] – voldoende toegelicht dat de NWE ethyleenhandelsmarkt en de Aziatische ethyleenhandelsmarkten onvoldoende vergelijkbaar zijn voor de onderhavige toepassing van de diff-in-diff methode, omdat sprake is van verschillende:
ontwikkelingen in marktdynamiek,
prijsstellingsmechanismen,
trends,
supply conditions,
impact van macro-economische ontwikkelingen.
12.14.
Deze vijf onderwerpen worden hierna afzonderlijk behandeld.
12.15.
i) Verschillende ontwikkelingen in marktdynamiek
12.15.1.
Gedaagden hebben erop gewezen dat zowel de vraag naar ethyleen als het aanbod van ethyleen zich in de betrokken markten verschillend ontwikkelde. Volgens hen groeide de vraag naar ethyleen tussen 2009 en 2022 snel in Azië, terwijl de vraag naar ethyleen in NWE in die periode stabiel bleef. In figuur 9 van het Rebuttal Rapport van Compass Lexecon is dit als volgt weergegeven:
12.15.2.
Verder volgde het aanbod van ethyleen volgens gedaagden de sterke stijging van de vraag in Azië. Zij hebben erop gewezen dat in beide Aziatische regio’s nieuwe stoomkrakers werden geïnstalleerd, waardoor de productiecapaciteit in deze regio’s meer dan verdubbelde. Volgens gedaagden nam de stoomkraker-capaciteit in NWE juist licht af. In figuur 10 van het Rebuttal Rapport van Compass Lexecon is dit als volgt weergegeven:
12.15.3.
Op basis van het voorgaande concluderen gedaagden dat de Aziatische ethyleenhandelsmarkten – anders dan de NWE ethyleenhandelsmarkt – niet stabiel en volwassen waren en geen vergelijkbare vraag en geen vergelijkbaar aanbod kenden.
12.15.4.
AP heeft tijdens haar presentatie ter zitting van 18 maart 2026 toegelicht dat vraag en aanbod op alle betrokken markten in evenwicht was. Zij heeft daartoe aangevoerd dat i) de toename in de vraag naar ethyleen in NOA werd opgevangen door een vergelijkbare trend in het aanbod van ethyleen in NOA, ii) het verschil in NOA tussen de consumptie en productie werd gedekt door de import van ethyleen. AP heeft daartoe verwezen naar figuur 15 van AP4, waarin het volgende is weergegeven:
12.15.5.
Dit overtuigt niet. De omstandigheden dat op de NOA ethyleenhandelsmarkt de productie en consumptie ongeveer gelijk waren en het verschil werd gedekt door de import van ethyleen, sluiten niet uit dat op die markt de vraag boven het aanbod uitgaat en zodoende een prijsopdrijvend effect heeft. Aan de kostenzijde van het aanbod om te voldoen aan de groeiende vraag kan, zoals (de deskundigen van) gedaagden hebben toegelicht, immers een andere samenstelling bestaan, waardoor winstmarges in Azië niet direct met de winstmarges in NWE te vergelijken zijn. AP heeft hieraan in haar rapporten onvoldoende aandacht besteed.
12.15.6.
AP heeft in haar presentatie ter zitting van 18 maart 2026 in dit verband ook verwezen naar paragraaf 48 van de door SCE overgelegde verklaring van [naam 1] , een
industry expert(hierna: de [naam 1] -verklaring). [16] Wat AP met deze verwijzing beoogt, is de rechtbank niet duidelijk, omdat de inhoud van die paragraaf juist tegen het standpunt van SCE pleit dat alle betrokken markten stabiel en volwassen zijn. Daarin verklaart [naam 1] namelijk dat de Aziatische ethyleenhandelsmarkten opkomend zijn en met een veelvoud van het bruto binnenlands product (bbp) kunnen groeien, terwijl de Europese – waaronder naar de rechtbank begrijpt de NWE – ethyleenhandelsmarkt (“
Evolving markets such as Asia”en “
Mature markets such as Europe”) volwassen is en kan groeien op of onder het bbp. Dit lijkt juist te bevestigen dat de markten qua vraag en aanbod niet vergelijkbaar zijn en hoewel vraag en aanbod wel op elkaar worden afgestemd, kan er niet vanuit worden gegaan dat de winstgevendheid in beide regio’s ook vergelijkbaar is. Immers, de schade van SCE heeft als belangrijkste element de winstgevendheid van haar productie.
12.16.
ii) Verschillende prijsstellingsmechanismen
12.16.1.
In de AP-rapporten is een vergelijking gemaakt tussen de ontwikkeling van de MCP op de NWE-ethyleenhandelsmarkt en de spotprijzen op de Aziatische ethyleenhandelsmarkten. Gedaagden hebben als volgt en daarmee voldoende toegelicht dat die prijzen voor ethyleen op basis van verschillende mechanismen tot stand komen.
12.16.2.
Voorop staat dat de MCP niet de nettoprijs voor ethyleen is. Op de NWE- ethyleenhandelsmarkt wordt de MCP – op basis van marktontwikkelingen en onderhandelingen tussen een geselecteerde groep leveranciers en afnemers – maandelijks vastgesteld door ICIS. De MCP wordt doorgaans gebruikt als referentieprijs in langetermijncontracten. De daadwerkelijk betaalde nettoprijs wordt echter mede bepaald door andere prijsfactoren in de prijsformules in langlopende contracten, zoals kortingen. Alleen al daarom gaat een vergelijking van de MCP (die geen nettoprijs is) met de spotprijzen in NOA en ZOA (die nettoprijzen zijn) mank, zodat de rechtbank de vergelijking op deze basis niet kan volgen.
12.16.3.
De Aziatische ethyleenhandelsmarkten kennen geen vergelijkbare benchmarkprijs. De spotprijzen op die markten worden
ad hocovereengekomen voor specifieke transacties. Spotprijzen worden dagelijks vastgesteld en maken deel uit van de voorwaarden waaronder ethyleen voor onmiddellijke levering wordt verhandeld. Spotprijzen worden voornamelijk beïnvloed door acute omstandigheden, zoals een plotseling overschot aan aanbod of een onverwachte vraag naar ethyleen, waardoor spotprijzen volatieler zijn dan de mede op de MCP gebaseerde prijzen. Ook om die reden acht de rechtbank de prijzen niet vergelijkbaar.
12.17.
iii) Verschillende trends
12.17.1.
SCE stelt dat de prijstrend in NWE voorafgaand aan en na de inbreukperiode zeer vergelijkbaar is met die in NOA en ZOA en dat daaruit moet volgen dat de diff-in-diff-methode kan worden toegepast. SCE wordt daarin niet gevolgd. Gedaagden hebben als volgt en daarmee voldoende toegelicht dat de MCP in NWE in de inbreukperiode (en daarna) geen parallelle trend vertoont met de spotprijzen in NOA en ZOA.
12.17.2.
Westlake heeft – aan de hand van de hieronder opgenomen figuur 2 van het Rebuttal Rapport van BRG – toegelicht dat de MCP in NWE in (zeer) belangrijke mate wordt bepaald door de naftaprijs, terwijl de spotprijs in NOA zich anders ontwikkelt dan de naftaprijs. Westlake heeft er in dit verband op gewezen dat de vraag naar ethyleen in NOA regelmatig hoger was dan het aanbod, zodat de spotprijs met name werd bepaald door vraag- en aanbodfactoren, in plaats van de naftaprijs.
12.17.3.
Celanese, Clariant en Vestolit hebben – aan de hand van de hieronder opgenomen figuur 20 van het Rebuttal Rapport van Compass Lexecon – toegelicht dat de betrokken markten geen parallelle trends vertonen, omdat in de periode voorafgaand aan de inbreuk de verschillen tussen de MCP in NWE enerzijds en de spotprijzen in NOA anderzijds sterk toenamen – en dat dit ook geldt voor de periode na de inbreuk – terwijl die verschillen tussen 2020 en 2021 juist weer afnamen. De rode en donkerblauwe lijnen in de bovenste grafieken van deze figuur staan voor de ontwikkeling van respectievelijk de MCP in NWE en de spotprijs in NOA. De blauwe lijnen in de onderste grafieken van deze figuur staan voor het verschil tussen de MCP in NWE en de spotprijs in NOA.
12.17.4.
Celanese, Clariant en Vestolit hebben in dit verband verder toegelicht dat, ook als wordt gecorrigeerd voor de invloed van de kosten van nafta op de MCP in NWE en de spotprijzen in Aziatische ethyleenhandelsmarkten, de MCP en de spotprijzen zich niet op dezelfde manier ontwikkelden. Daarnaast hebben Celanese, Clariant en Vestolit erop gewezen dat buiten de inbreukperiode:
het gemiddelde jaarlijkse verschil tussen de MCP en de spotprijzen in de Aziatische ethyleenhandelsmarkten significant is, wat betekent dat de ontwikkeling van deze prijzen uiteenliep, en
zich zowel een significante stijging (vóór en na de inbreuk) als een daling (na de run-off periode) hebben voorgedaan in de verhouding tussen de MCP en de spotprijzen in Aziatische ethyleenhandelsmarkten, wat er ook op wijst dat de prijzen zich niet parallel hebben ontwikkeld.
12.17.5.
Compass Lexecon heeft daar tijdens haar presentatie ter zitting van 18 maart 2026 aan toegevoegd dat de eigen analyses van AP de aanwezigheid van parallelle trends op de betrokken markten weerspreken. Zij heeft daartoe gewezen op figuren 5 en 6 in AP4. Daarin heeft AP trends van de MCP in de NWE-ethyleenhandelsmarkt vergeleken met die van de spotprijzen in Aziatische ethyleenhandelsmarkten in de perioden voor en na de inbreuk. Compass Lexecon heeft toegelicht dat de daarin opgenomen trendlijnen elkaar op meerdere punten snijden, terwijl dat niet mogelijk was geweest als de trends van de MCP in NWE en de spotprijzen in NOA en ZOA daadwerkelijk parallel hadden gelopen. Compass Lexecon heeft dat in haar presentatie als volgt weergegeven:
12.17.6.
Tegenover dit alles acht de rechtbank de verwijzingen van AP tijdens haar presentatie ter zitting van 18 maart 2026 naar paragrafen 106, 110 en 111 de [naam 1] -verklaring van onvoldoende gewicht. Paragraaf 106 van de [naam 1] -verklaring bevat niet meer dan een feitelijke beschrijving van de ethyleenhandel in Aziatische ethyleenhandelsmarkten. Verder wordt in paragraaf 110 van de [naam 1] -verklaring niet meer dan de verwachting (
“it’s fair to expect”) uitgesproken dat de MCP in NWE en de spotprijzen in NOA en ZOA vergelijkbare trends zullen vertonen, omdat de naftaprijs op alle betrokken markten een belangrijke kostenfactor is en de vraag naar ethyleenderivaten vergelijkbaar is. Paragraaf 111 van de [naam 1] -verklaring bevat niet meer dan de algemene conclusie van [naam 1] dat het terecht is om de NWE-ethyleenhandelsmarkt te vergelijken met de Aziatische ethyleenhandelsmarkten. Tegenover de gedetailleerde gegevens uit de grafieken van de Rebuttal rapporten van BRG en Compass Lexecon overtuigt dit de rechtbank niet.
12.18.
iv) Verschillende supply conditions
12.18.1.
Gedaagden hebben verder overtuigend toegelicht dat de factoren die de prijskeuzes van producenten beïnvloeden (de zogenoemde
supply conditions) sterk verschilden in NWE enerzijds en in NOA en ZOA anderzijds.
a)
Benuttingsgraden van stoomkrakers
12.18.2.
Celanese, Clariant en Vestolit hebben erop gewezen dat de benuttingsgraden van de stoomkrakers – de daadwerkelijke productie van ethyleen vergeleken met de maximale productiecapaciteit van de stoomkrakers – in Azië over het algemeen hoger lag dan in NWE en zich verschillend ontwikkelden in de betrokken markten. Zij hebben daartoe gewezen op de hieronder opgenomen figuur 12 van Rebuttal Rapport van Compass Lexecon:
12.18.3.
Ook Westlake heeft toegelicht dat de benuttingsgraden van de stoomkrakers in NWE en NOA zich verschillend ontwikkelden. De capaciteitsbenuttingsgraad (
operating rate) lag in de NWE-ethyleenhandelsmarkt tot 2015 laag, waarna deze zich herstelde, maar ethyleenproducenten desondanks aanhoudend moeite hadden om gezonde benuttingsgraden aan te houden. De NOA-ethyleenhandelsmarkt kende een volledige capaciteitsbenutting in vrijwel de hele periode tussen 2009 en 2021. Tot 2014 had de NOA-ethyleenhandelsmarkt periodes van ernstige capaciteitsbeperkingen. Daarna werd de capaciteit uitgebreid om te voldoen aan de verwachte groei van de vraag. Ondanks een verdubbeling van de capaciteit bleef een capaciteitstekort bestaan. Vanaf 2016 werd dat tekort gedekt door aanzienlijke importen. Aldus steeds Westlake onder verwijzing naar figuur 5 van het Rebuttal Rapport van BRG:
12.18.4.
SCE heeft deze door gedaagden – mede aan de hand van de Rebuttal Rapporten van Compass Lexecon en BRG – geschetste gang van zaken onvoldoende weersproken. [naam 1] heeft ter zitting van 18 maart 2026 verklaard dat de deskundigen van gedaagden – naar de rechtbank begrijpt Compass Lexecon en BRG – in hun gegevens over de benuttingsgraden van de stoomkrakers sluitingen van stoomkrakers buiten beschouwing hebben gelaten en dat alle beschikbare data laten zien dat de stoomkrakers in NWE in de periode van 2014 tot 2018 – net als die in Azië – op maximale capaciteit draaiden. Deze stellingname is door SCE echter niet nader onderbouwd, terwijl dit tegenover de hiervoor weergegeven gemotiveerde standpunten van gedaagden wel op haar weg had gelegen.
b)
Gebruikte grondstoffen en productietechnologieën
12.18.5.
Alle partijen en hun deskundigen zijn het erover eens dat nafta in alle betrokken markten de meest gebruikte grondstof is (en in de relevante periode was) voor de productie van ethyleen.
12.18.6.
Celanese, Clariant en Vestolit hebben evenwel onweersproken toegelicht dat in NWE enerzijds en in NOA en ZOA anderzijds verschillende grondstoffen – en daarom ook verschillende technologieën – voor de productie van ethyleen werden gebruikt. Volgens hen werden in Azië bepaalde grondstoffen toegepast die in NWE niet werden gebruikt en verschilde ook de grondstoffenmix in de loop van de tijd op deze markten. Zij hebben in dit verband gewezen op figuur 11 van het Rebuttal Rapport van Compass Lexecon:
12.18.7.
Verder heeft Westlake – mede aan de hand van het Rebuttal Rapport van BRG – overtuigend toegelicht dat de marginale productietechnologieën in NWE en NOA verschillend waren. Vooral wanneer de vraag groot is, accepteren kopers de hogere prijzen van de duurste productietechnologie (de zogenoemde ‘marginale technologie’), ook al wordt een aanzienlijk deel van het aanbod tegen lagere kosten geproduceerd op basis van andere technologieën. In NWE werd ethyleen geproduceerd uit het stoomkraken van nafta en was nafta de belangrijkste kostenfactor. In NOA was naast het stoomkraken van nafta ook een andere technologie van belang, namelijk
methanol-to-olefins(hierna: MTO). Deze technologie was duurder, maar omdat de vraag groter was dan het aanbod, waren afnemers niet alleen bereid hogere prijzen te betalen voor ethyleen dat werd geproduceerd met MTO, maar ook voor ethyleen dat tegen lagere kosten – uit nafta – werd geproduceerd. Daarbij komt dat China de politieke keuze maakte haar afhankelijkheid van olie-import te willen verminderen en ten behoeve daarvan MTO-technologie – gebaseerd op (lokale) steenkool – ging promoten. In 2012 werd MTO in NOA de marginale productietechnologie. Sindsdien volgden de prijzen van ethyleen de MTO-kosten en werden deze dus losgekoppeld van de daadwerkelijke kosten, waaronder de kosten van nafta. Aldus steeds Westlake en onder verwijzing naar figuur 3 van het Rebuttal Rapport van BRG:
12.18.8.
Daartegenover heeft SCE/AP deze gegevens onvoldoende weersproken.
12.18.9.
De toelichting van AP dat het stoomkraken van nafta in zowel NWE als NOA en ZOA de dominante productietechnologie is en de naftaprijzen hetzelfde zijn, alsmede dat de productietechnologieën MTO en
coal-to-olefins(hierna: CTO), die opkwamen tijdens de inbreukperiode, alleen in China en niet in andere landen in NOA en helemaal niet in ZOA worden toegepast en een zeer klein aandeel van de totale ethyleenproductie vertegenwoordigen, maakt niet dat er geen enkel prijseffect van de marginale productietechnologie uitgaat. Met name verklaart het niets over het bij-effect van ontkoppeling van de daadwerkelijke kosten voor de ethyleen-spotprijzen.
12.18.10.
SCE/AP heeft nog toegelicht dat op basis van MTO en CTO geproduceerd ethyleen niet consequent duurder is dan op basis van nafta geproduceerd ethyleen en daartoe gewezen op figuur 8 van AP4:
12.18.11.
Ook deze toelichting overtuigt ook niet, omdat de ontwikkeling van de methanolprijzen en de MTO-productiekosten in respectievelijk rapport AP4 (figuur 8) en het Rebuttal Rapport van BRG (figuur 3) een vergelijkbare trend laten zien. Bij deze stand van zaken valt – anders dan SCE/AP doet voorkomen – niet zonder meer in te zien dat de daling van de Chinese methanolprijzen in de inbreukperiode afdoet aan wat Westlake in dit verband heeft aangevoerd.
12.18.12.
Bij deze stand van zaken kunnen de AP-rapporten ook op dit punt niet worden gevolgd.
c)
Import van ethyleen
12.18.13.
Celanese, Clariant en Vestolit hebben toegelicht dat de ethyleenvolumes die werden geïmporteerd in enerzijds NWE en anderzijds NOA en ZOA verschilden. Volgens hen bleef de ethyleenimport in NWE over het algemeen stabiel, terwijl deze in ZOA afnam en in NOA toenam. Zij hebben in dit verband gewezen op de hieronder opgenomen figuur 13 van het Rebuttal Rapport van Compass Lexecon:
12.18.14.
Regio’s met een groter importvolume ervaren doorgaans een grotere prijsdruk van geïmporteerd ethyleen dan regio’s waarin minder vaak wordt geïmporteerd. Naast de hoeveelheid varieerde ook de herkomst van de geïmporteerde ethyleen aanzienlijk tussen de regio’s en in de tijd. Dit alles leidt tot verschillen in de mate van concurrentiedruk (en dus de ethyleenprijs) tussen de NWE-ethyleenhandelsmarkt en de Aziatische ethyleenhandelsmarkten. Aldus steeds Celanese, Clariant en Vestolit.
12.18.15.
AP heeft tijdens haar presentatie ter zitting van 18 maart 2026 naar voren gebracht dat de import van ethyleen in de periode van 2012 tot en met 2019 (slechts) 1% vertegenwoordigde van de totale vraag daarnaar in NOA. AP meent kennelijk dat Compass Lexecon van een verkeerd percentage is uitgegaan. De rechtbank volgt AP hierin niet, omdat zij niet nader heeft toegelicht waarin het verschil tussen haar berekening en die van Compass Lexecon zit.
12.18.16.
Bij deze stand van zaken kunnen de AP-rapporten op dit punt evenmin worden gevolgd.
12.19.
v) Verschillende impact van macro-economische ontwikkelingen
12.19.1.
Celanese, Clariant en Vestolit hebben verder overtuigend toegelicht dat macro-economische ontwikkelingen uit het recente verleden een verschillende impact hadden op de betrokken markten. Zij hebben in dit verband – samengevat – het volgende naar voren gebracht:
In de nasleep van de financiële crisis bleven de MCP-nafta spreads (het verschil tussen de MCP en de naftaprijs) in NWE relatief stabiel of stegen zelfs, terwijl de spot-nafta spreads in NOA en ZOA (het verschil tussen de spotprijzen van ethyleen en de naftaprijs) zeer laag lagen en zich anders ontwikkelden. Ook waren de marges van de stoomkrakers in NOA en ZOA in de periode tussen 2008 en 2009 laag. De reden hiervoor was dat de stoomkrakers in NOA en ZOA verouderde technologie gebruikten met hogere productiekosten – en ethyleenprijzen – tot gevolg. Pas tegen 2015 bereikten de spot-nafta spreads in NOA en ZOA het niveau van de MCP-nafta spreads in NWE.
Nafta is een raffinageproduct van ruwe olie. De wereldwijde daling van de olieprijzen – en daarmee de naftaprijzen – en de waardevermindering van de euro in de periode tussen 2014 en 2018 hadden een verschillend effect in enerzijds NWE en anderzijds NOA en ZOA. NOA was in grotere mate afhankelijk van andere grondstoffen zoals steenkool of methanol dan NWE. De ethyleenprijzen in NOA werden dan ook anders beïnvloed door de daling van de olieprijzen. De waardevermindering van de euro ten opzichte van andere valuta’s veranderde ook de voordelen van de dalende olieprijzen voor stoomkrakers in NWE, maar had geen effect in NOA en ZOA.
De handelsoorlog tussen China en de Verenigde Staten van Amerika (in 2018 e.v.) en de coronacrisis hadden een grotere impact op de Aziatische ethyleenhandelsmarkten dan op de NWE-ethyleenhandelsmarkt.
12.19.2.
Aannemelijk is inderdaad dat deze macro-economische ontwikkelingen een verschillend effect hebben gehad op de markten in NWE enerzijds en in NOA en ZOA anderzijds. SCE heeft hiertegen onvoldoende steekhoudende argumenten ingebracht, zie verder de bespreking van het BRG rapport van 9 maart 2026 hierna (zie hierna vanaf 12.23).
De AP-rapporten: tussenconclusie: de betrokken markten zijn onvoldoende vergelijkbaar
12.20.
De rechtbank oordeelt op grond van al het voorgaande dat de in de analyse van AP betrokken markten onvoldoende vergelijkbaar zijn voor de toepassing van de diff-in-diff methode.
De AP-rapporten: de daarin gebruikte methode is onbetrouwbaar en kan niet worden gevolgd
12.21.
De rechtbank oordeelt verder dat de in de AP-rapporten gebruikte methode onbetrouwbaar is en niet kan worden gevolgd. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
12.22.
Voor de beoordeling van de in de AP-rapporten (AP1, AP3, AP4 en AP5) gemaakte analyse, zijn de discussies van partijen (en hun deskundigen) daarover van belang. AP1 bevat de door AP gemaakte effectenanalyse, op basis waarvan SCE concludeert dat de inbreuk het door haar gestelde effect op de MCP heeft gehad. AP3 ziet met name op de gebruikte schadetheorie (
theory of harm), die erop neerkomt dat de inbreuk tijdens de inbreukperiode een cumulatief neerwaarts effect op de MCP heeft gehad en dat dit effect gedurende twee jaar na de inbreukperiode geleidelijk afnam. AP4 bevat een nadere toelichting over de toepassing van de diff-in-diff methode. AP5 bevat een commentaar (een
econometrics rebuttal) op alle door de gedaagden ingebrachte deskundigenrapporten, afgezien van het laatste rapport van BRG (productie 24 van Westlake).
12.23.
Na overlegging door SCE van AP3 op 26 februari 2026 en AP4 en AP5 op 27 februari 2026, heeft Westlake op 9 maart 2026 een rapport van BRG [17] in het geding gebracht met een voorlopige (preliminaire) reactie op AP3 tot en met AP5. In dit rapport van BRG staat onder meer het volgende:

II AP’s theory of harm remains implausible
3. According to AP’s theory of harm, the MCP was increasingly distorted over time during the infringement period. Thereafter the distortion was (allegedly) slowly reduced until a “normal level” was reached. This pattern is simply
assumedin AP’s regression specifications. Their choice of regression specifications is not based on facts about the actual functioning of the market and leads to results that are very counterintuitive:
i. AP’s regression specification yields an infringement effect, because their
estimated
but
forMCP does not follow the naphtha price. This contradicts AP’s own statement that the main driver of MCP changes in an undistorted market is the naphtha price.[toevoeging rechtbank, in de hierachter gevoegde voetnoot 3, verwijst BRG naar: paragrafen 9, 17 en 66 van AP3] The actual variation in the MCP is primarily explained by the naphtha price both during and outside the infringement period.
ii. The AP estimates of the
but-forMCP imply a systematic month-by-month lowering of the MCP below the expected MCP. There is no independent evidence that this occurred. Even though there was always some range of proposals for the MCP, this is not an indication that a systematic manipulation of the MCP could not have been detected. To have a systematic effect in every month, settlements would have had to lie systematically around the lowest values of the range of proposals. It is impossible for such systematic behaviour not to have been detected, because it would have implied that MCP forecasts would have been systematically incorrect and consistently have been above the actual MCP.
(…)
II. A AP claim that the MCP follows the naphta price in normal competition but estimates abut-forMCP that is entirely decoupled from changes in the naphta price
5. AP accept that the MCP should move in parallel with the naphtha price outside the infringement period, i.e. in the absence of market manipulation (…). This implies that the
but-forMCP should be following the naphtha price in the same way during the infringement period as outside the infringement period. The data shows that this is the case for the actual MCP. (…) The naphtha price explains 93% of the variation in the MCP both during and outside the infringement period (…). Had the infringement led to an effectively manipulated MCP as AP claim (
quod non), we would expect to see a significant break in the relationship between the naphtha price and the MCP during the infringement period. The BRG analysis shows that this is not the case. (…)
6. However, the AP Diff-in-Diff estimation finds the opposite result. Despite AP’s admission that the MCP follows the naphtha price, the AP estimation leads to the conclusion that the
but-forMCP would have been decoupled from the naphtha price. (…) [18] It would be an extraordinary coincidence if the relationship between the naphtha price and the undistorted MCP observed outside the infringement period would completely disappear precisely during the infringement period.
(…)
9. The only justification AP offered for the plausibility of their estimates for the
but‑forMCP is the evolution of ethylene spot prices in Asia. (…) Ethylene spot prices in Asia did indeed decouple from the development of the naphtha price during some part of the infringement and post-infringement period. AP do not explain why the Asian ethylene spot price changes were decoupled from the evolution of the naphtha price, nor why the same should apply in NWE. They simply claim that the MCP should have moved in parallel with the ethylene spot prices in Asia and therefore should have decoupled from the falling naphtha prices in NWE. (…) However, it appears much more plausible that the Asian spot markets worked differently from the process of setting a price index for use in long term contracts as is the case in NWE.
(…)
III The Diff-in-Diff Approach of AP leads to incoherent results
III.A AP call the difference in the evolution between the NEA ethylene spot prices and the naphta prices an infringement effect
18. A comparison of the NEA ethylene spot price, the MCP and the naphtha price in Europe directly illustrates how AP artificially generate their estimate of an infringement effect. In Figure 1 below, the dashed blue line shows the evolution of the naphtha price in NWE. It is immediately obvious that the black line representing the MCP follows the evolution of the naphtha price during the infringement and the (alleged) “run-off” period. In the time before the infringement period the MCP rises faster than the naphtha price, which reflects rising demand for ethylene in NWE.
19. From Figure 1 it becomes obvious how AP “estimates” an increasing infringement effect. They simply proxy the evolution of the difference between the NEA ethylene spot price and the MCP by a linear trend. But this estimated trend reflects primarily the falling naphtha price in NWE, which AP then relabel as the “increasing infringement effect”. The increasing naphtha prices in the (alleged) “run-off” period is similarly proxied by a trend, which is then called “run-off effect”. The AP regression contains no other information than the fact that the trends proxy the evolution of the naphtha price, as the BRG Rebuttal Report has shown. Figure 1 shows very clearly that the MCP simply follows the naphtha price as all industry experts agree. This is precisely the behaviour of the MCP in times of normal MCP price setting. There is no justification to label the estimated trend as an “infringement effect”. Just naming something “infringement effect” without evidence that the
but-forMCP-setting process would have fundamentally changed from the one we observe before and after the infringement period, does not turn the estimated trends into actual infringement effects.”
12.24.
De hiervoor geschetste commentaren van BRG komen erop neer dat:
de naftaprijs voor 93% de MCP bepaalt, zowel tijdens als buiten de inbreukperiode,
als de inbreuk daadwerkelijk een effect had gehad op de MCP, te verwachten is dat tijdens de inbreukperiode de ontwikkelingen van de MCP en de naftaprijs uiteen zijn gaan lopen, maar dat dit niet het geval is,
AP niet uitlegt hoe de ontwikkeling van de MCP in NWE zich – zoals is gebeurd met de spotprijs in NOA – heeft kunnen loskoppelen van de ontwikkeling van de naftaprijs,
AP met haar analyse niet een effect van de inbreuk op de MCP heeft gemeten, maar de ontwikkeling van het verschil tussen de MCP in NWE en de spotprijs in NOA heeft benaderd met een lineaire trend, wat voornamelijk de dalende naftaprijs in NWE weerspiegelt.
12.25.
Oxera heeft tijdens haar presentatie ter zitting van 18 maart 2026 commentaar gegeven op de in de AP-rapporten gebruikte methode. In dat verband heeft Oxera – voor zover relevant – het volgende toegelicht:
“AlixPartners presenteert een model waarin niet één, maar vijf (!) time trends zijn toegevoegd. (…) De toevoeging van deze
time trendsis compleet ongerechtvaardigd en het is de enige veroorzaker van het karteleffect dat AlixPartners vindt. Ik zal toelichten waarom. Om dit inzichtelijk te maken en te begrijpen wat er onder de tabellen van AlixPartners (…) ligt, loop ik met u door een aantal grafieken heen - in wezen een kijkje onder de motorkap.
De MCP vertoont een negatieve trend over tijd en correleert sterk met nafta
(…) Deze slide toont de MCP (in zwart) en de nafta-prijs (in groen). De feitelijke MCP (in zwart) vertoont gedurende de gehele onderzochte periode een
dalendetrend. De dalende trend van de MCP volgt de dalende trend van nafta.
AlixPartners fabriceert eenunderchargedoor een onjuiste positieve trend op te nemen in decounterfactualMCP
Ik laat nu de
counterfactualMCP zien zoals geschat door het model van AlixPartners. De MCP is wederom de zwarte lijn. De
counterfactualMCP is de gestippelde rode lijn. De eerste
time trenddie AlixPartners introduceert, is de paarse lijn. (…)
De eerste
time trend(de paarse lijn) loopt omhoog. Dit komt omdat de MCP tussen 2010 en 2012 steeg. Door deze
time trendte introduceren, doet AlixPartners de aanname dat deze trend zich in de jaren daarna zou hebben voortgezet. Oftewel, de stijgende trend
'vertelt'het model dat de MCP door de jaren heen zal stijgen. Het model produceert daardoor
"counterfactual"MCP's die in de loop der tijd stijgen. In werkelijkheid zien we echter dat de MCP juist
daalt,in lijn met de dalende naftaprijzen. De daling van de werkelijke MCP is daarom in lijn met wat je zou verwachten (want in lijn met nafta). In het model van AlixPartners ontstaat echter een kloof tussen de door het model voorspelde prijzen – welke omhoog lopen – en de daadwerkelijke MCP – die juist daalt.
Hiermee creëert het model de
undercharge.Zonder het invoegen van deze
time trendkomt AlixPartners niet tot een statistisch significante
undercharge.
Maar met slechts één time trend komt het model van AlixPartners in de problemen. Zoals u kunt zien, overschat de paarse lijn de MCP in de periode na de inbreuk.
Zoals we eerder al bespraken, komt de opwaartse (paarse)
trendechter niet overeen met de werkelijkheid. Daarom had AlixPartners iets anders nodig in het model om de "overvoorspelling" van de paarse lijn te corrigeren en de feitelijke (waargenomen) MCP te benaderen.
Om dit te bereiken, voegt AlixPartners nog méér trends toe aan het model. Zoals u ziet, heeft AlixPartners de gehele periode handmatig opgedeeld in afzonderlijke periodes en drie nieuwe time trends (in roze, geel en oranje) toegevoegd. Overigens: de begin- en einddatum van veel van deze trends lijken volstrekt willekeurig.
AlixPartners heeft deze drie extra trends toegevoegd omdat deze drie andere trends noodzakelijk zijn om de overvoorspelling of het "doorschieten" van de paarse lijn te corrigeren. Zonder deze drie extra trends, zou de paarse lijn fors minder stijgen om zo dichter bij de MCP in de na-periode te komen.
Als we tot slot inzoomen op het laatste deel van de inbreukperiode, zien we ook hier dat de paarse trend de MCP overschat. Deze overschatting is opnieuw een probleem voor het model van AlixPartners. Dit probleem wordt "opgelost" door nog een laatste –
vijfde– trend toe te voegen. Dat is de blauwe lijn die over de inbreukperiode getrokken is.
Aangezien de kloof tussen de paars stijgende trend en de MCP groter is aan het einde van de inbreukperiode, is deze laatste trend dalend. Aangezien het verschil tussen de algehele positieve trend en de MCP groter is aan het einde van de inbreukperiode, is deze vijfde trend negatief, wederom om de ontwikkeling van de feitelijke (waargenomen) MCP te verklaren.
En daar zit hem nou net de crux. Volgens AlixPartners is de negatieve trend die zij vinden het effect van de inbreuk. In wezen is de
underchargedie AlixPartners "vindt", de wig tussen de algehele paarse positieve trend en de negatieve blauwe trend gedurende de inbreuk. Deze trends verhullen echter het marktbewijs dat de feitelijke MCP in de inbreukperiode niet opwaarts verliep, maar juist neerwaarts - in lijn met de inputkosten nafta.
Kortom, de bevinding van AlixPartners hangt daarom aan de opname van vijf time trends. Dit dient om de illusie van een algehele positieve paarse trend in stand te houden. Een trend die in feite niet bestaat. Een positieve trend is
uitsluitendaanwezig in de vóórperiode. Extrapolatie voorbij die vóórperiode is alleen mogelijk als men corrigeert voor het "doorschieten" in de na-periode. Dit heeft AlixPartners gedaan door simpelweg steeds meer trends toe te voegen (ook wel genoemd: een
slice and dice).
We hebben zojuist gehoord hoe de opname van een enkele
time trendkan worden misbruikt om karteleffecten te fabriceren. Op basis van deze grafieken kunnen we niet anders concluderen dan dat het vijf trend-model van AlixPartners hier een pijnlijk voorbeeld van is.
Het model van AlixPartners is niet robuust tegen het weglaten van een van de vijf trends
Zoals kan worden verwacht, is het AlixPartners model niet robuust. Voor vier van de vijf trends is het duidelijk dat zodra je er één weglaat – niet allemaal, maar slechts één – het model geen statistisch significante
underchargemeer produceert, en het resultaat van AlixPartners in wezen verdampt. In plaats van een
underchargeschat het model in sommige gevallen dan zelfs een
overcharge. Dit feit alleen toont al aan dat de resultaten
van AlixPartners onbetrouwbaar zijn.
Er is geen economische reden om de trends op te nemen, en de trends meten niet wat ze zouden moeten meten
(…) De VIF-statistiek of “VIF” is een standaardmaatstaf die aangeeft hoe goed een statistisch model het effect van een variabele kan isoleren wat niet reeds door andere variabelen wordt verklaard.
Ik zal hier niet ingaan op technische details, maar elke econoom in deze zaal weet dat er een drempelwaarde van tien geldt. (…) Als de VIF-waarde boven de tien ligt, meet de variabel niet wat het zou moeten meten. Zoals u kunt zien, liggen de VIF voor alle vijfde trends van AlixPartners ruim boven 10. Sommigen zelfs boven de 100; eentje boven de 600. Dit betekent, kort gezegd, dat deze trends en hun coëfficiënten zinloos zijn.
(…)
Conclusie
(…)
De enige wijze waarop AlixPartners tot haar vermeende undercharge kan komen, is door het model volledig te overladen met in totaal vijf trendlijnen.”
12.26.
Gedaagden hebben in dit verband verder – samengevat – aangevoerd dat:
- AP niet consequent rekening houdt met de invloed van factoren buiten de inbreuk op de prijsontwikkeling, omdat zij:
o de invloed van productiekosten alleen beoordeelt voor de MCP, maar niet voor de spotprijzen van NOA en ZOA,
o alleen rekening houdt met het effect van veranderingen in de naftaprijs op de MCP, maar geen rekening houdt met het effect van veranderingen in de naftaprijzen op de spotprijzen van NOA en ZOA,
o wel rekening houdt met de invloed van veranderingen in (de Duitse) elektriciteitsprijzen op de MCP, maar geen acht slaat op het mogelijke effect van veranderingen in elektriciteitsprijzen op de spotprijzen in NOA en ZOA,
- AP zich baseert op het bbp van de OESO [19] : dat het bbp van de OESO correleert met het bbp van NOA is een aanname die kant noch wal raakt,
  • AP aanneemt dat het geschatte effect van de inbreuk tijdens de inbreukperiode lineair is, terwijl zij niet heeft getest of sprake was van een dergelijke trend, maar deze in haar model heeft ingebouwd,
  • deze omstandigheden leiden tot economisch onlogische resultaten en verbanden, zoals de suggestie van AP dat stijgingen in de naftaprijzen in NWE zouden leiden tot een verlaging van de MCP ten opzichte van de spotprijzen in NOA en ZOA (terwijl hogere kosten doorgaans tot hogere prijzen leiden).
12.27.
Tijdens haar presentatie ter zitting van 18 maart 2026 heeft AP – bij sheet 17 – weliswaar gereageerd op het laatste rapport van BRG, maar in die reactie is zij onvoldoende concreet ingegaan op de hiervoor geschetste specifieke punten van kritiek van BRG (zie 12.23 en 12.24) en voorts zijn de stellingen van AP over de toepassing van de diff-in-diff methode in dit geval door de rechtbank onvoldoende betrouwbaar geacht (zie 12.20 en de daaraan voorafgaande overwegingen).
12.28.
AP heeft ter zitting van 18 maart 2026 nog aangevoerd dat zij – anders dan BRG in paragraaf 5 van haar laatste rapport doet voorkomen (zie 12.23) – niet heeft gezegd dat de MCP parallel zou moeten bewegen met de naftaprijs buiten de inbreukperiode. Zij heeft daartoe gewezen op paragrafen 9, 17 en 66 van AP3 – die BRG in dit verband ook heeft aangehaald – en toegelicht dat zij daarin heeft geschreven dat:
i. de belangrijkste parameters voor de onderhandelingen over de MCP waren:
a) de MCP van de lopende maand,
b) de delta van de naftaprijzen,
c) vraag- en aanbodfactoren,
de omvang van het effect van de inbreuk pas aan het licht komt door een vergelijking met de Aziatische ethyleenprijzen, welke vergelijking laat zien dat als de inbreuk er niet was geweest, de MCP de naftaprijs niet zou hebben gevolgd, maar een piek zouden hebben bereikt in de inbreukperiode.
12.29.
Op zich is juist dat AP het standpunt inneemt dat gedurende de inbreukperiode en de run off periode het verschil tussen de MCP en de naftaprijs groter had moeten zijn daarvoor en daarna. De rechtbank volgt AP hierin echter niet, omdat zij die stelling baseert op de prijsontwikkeling op de Aziatische ethyleenhandelsmarkten en de NWE-ethyleenhandelsmarkt en de Aziatische ethyleenhandelsmarkten niet vergelijkbaar zijn.
12.30.
AP is daarnaast ingegaan op de door Oxera genoemde VIF-waarden. De VIF-waarden betekenen dat het statistische effect van bepaalde variabelen niet precies kan worden vastgesteld. De VIF-waarden zijn evenwel nog steeds vatbaar voor misbruik van statistieken voor individuele coëfficiënten. Verder is het vaststellen van een grenswaarde voor de VIF-waarden willekeurig en niet zo nuttig. Een VIF-waarde van ongeveer 10 betekent niet dat standaardisatie van de betreffende variabele te groot is om nuttig te zijn. Aldus steeds AP.
12.31.
De rechtbank begrijpt de hiervoor geschetste toelichtingen van AP als nuancering op wat Oxera onder de kop “Er is geen economische reden om de trends op te nemen, en de trends meten niet wat ze zouden moeten meten” van haar spreekaantekeningen naar voren heeft gebracht (zie 12.25). Voor zover al zou moeten worden uitgegaan van de juistheid van de door AP gegeven toelichtingen, acht de rechtbank die van onvoldoende gewicht. AP heeft namelijk geen verklaring gegeven voor de correlatie met de trend of de variabele zelf als de VIF-waarde boven de 10 uitkomt. Zonder die verklaring over het correlatie-effect van de verschillende variabelen en trends, kan de rechtbank niet uitgaan van de stelling van AP dat de door hen aangenomen trends verklarend zijn voor de onder-/overschatting van de MCP. AP heeft er ter zitting op gewezen dat het invoegen van time-trends in een regressie-model in z’n algemeenheid verantwoord is. Daarbij is zij echter niet ingegaan op de onterechte wijze van hanteren van die time-trends zoals door Oxera toegelicht. De rechtbank acht het door Oxera hiervoor verwoorde onterecht toevoegen van extra time trends overtuigend en AP heeft daar onvoldoende tegen in gebracht.
12.32.
AP heeft ter zitting van 18 maart 2026 nog naar voren gebracht dat de veranderingen in het bbp zowel in NWE als NOA en ZOA parallel lopen, zodat dit geen extra factor is die divergentie in trends zou kunnen aantonen. AP heeft evenwel niet concreet weersproken dat het bbp van OESO – dat zij in haar analyse betrekt – niet correleert met het bbp van NOA, zoals Westlake heeft aangevoerd. Er wordt dan ook van uitgegaan dat het bbp van OESO niet correleert met het bbp van NOA en dus wel een probleem vormt voor de vergelijking waarop AP haar berekeningen baseert.
12.33.
AP heeft verder bij haar repliek ter zitting van 18 maart 2026 – naar de rechtbank begrijpt – steeds slechts in algemene termen de juistheid van haar eigen analyse bepleit en de juistheid van de commentaren van (de deskundigen van) gedaagden daarop betwist. Daarbij leunt AP sterk op haar stelling dat de MCP in NWE en spotprijs in NOA en ZOA gelijke tred hielden voorafgaand en na de inbreukperiode. De rechtbank acht de door AP in dat verband gegeven toelichtingen tegenover de specifieke commentaren van gedaagden en hun deskundigen over de onvergelijkbaarheid van de beide regio’s onvoldoende concreet.
12.34.
Bij deze stand van zaken moet de conclusie zijn dat de in de AP-rapporten gebruikte methode onbetrouwbaar is en dat de rapporten ook wat dat betreft niet kunnen worden gevolgd.
De AP-rapporten: conclusie
12.35.
De rechtbank concludeert op grond van al het voorgaande dat de AP-rapporten niet kunnen worden gevolgd. Hiermee ontvalt het belangrijkste fundament aan de schadevergoedingsvordering van SCE.
De door SCE gestelde schade is ook niet aannemelijk
12.36.
De rechtbank acht het bovendien niet aannemelijk dat SCE de door haar gestelde schade heeft geleden en legt hierna uit waarom.
12.37.
De schadetheorie (de
theory of harm) van SCE komt erop neer dat de inbreuk tijdens de inbreukperiode een cumulatief neerwaarts effect op de MCP heeft gehad en dat dit effect gedurende twee jaar na de inbreukperiode geleidelijk afnam. Dit effect op de MCP kon gedurende de inbreukperiode onopgemerkt blijven voor zowel SCE als onafhankelijke marktanalisten, omdat gedaagden de MCP maand op maand slechts met kleine stapjes van gemiddeld € 8,27 per ton ethyleen neerwaarts beïnvloedden, wat neerkomt op een gemiddeld maandelijks effect op de MCP van -0,6%. Omdat de MCP van de lopende maand het uitgangspunt vormde voor de onderhandelingen over de MCP van de volgende maand en gedaagden elke maand de MCP bleven beïnvloeden, stapelde dit effect zich op. Aldus steeds SCE.
12.38.
SCE heeft mede in het licht van hetgeen gedaagden naar voren hebben gebracht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat gedaagden – in de door SCE gestelde mate én ongemerkt – de MCP cumulatief neerwaarts hebben beïnvloed en als gevolg daarvan de door haar gestelde schade heeft geleden. Dit wordt aan de hand van de volgende onderwerpen toegelicht.
a) Het MCP settlement process
12.39.
Partijen hebben in dit verband gewezen op verklaringen van verschillende
industry expertsdie zij hebben overgelegd. SCE heeft gewezen op de [naam 1] -verklaring. [20] Gedaagden hebben gewezen op een verklaring van [naam 2] . [21] [naam 2] was tijdens de inbreukperiode verbonden aan ICIS en verantwoordelijk voor de maandelijkse vaststelling van de MCP. [naam 1] heeft verklaard dat hij aannemelijk acht dat gedaagden, doordat ze als groep optraden in plaats van als vier afzonderlijke onderhandelende bedrijven, erin geslaagd zijn om de schikkingen in gezamenlijk voordeel te beïnvloeden. [naam 2] heeft verklaard dat zij tijdens de inbreukperiode niets vreemds heeft gemerkt op basis van de aan haar bekende marktomstandigheden. De rechtbank acht het evenwel niet nodig om beide verklaringen nader te onderzoeken omdat het in beide gevallen gaat om persoonlijke inschattingen ‘van buitenaf’, aangezien zij niet bij de onderhandelingen over de totstandkoming van settlements betrokken zijn geweest en dus niet uit eigen wetenschap kunnen verklaren over het al dan niet effectief zijn van de inbreuk.
12.40.
Daarnaast hebben gedaagden het volgende aangevoerd.
b) De structuur van de NWE-ethyleenhandelsmarkt
12.40.1.
Voor de leverancierszijde van de NWE-ethyleenhandelsmarkt geldt dat i) het aantal ethyleenleveranciers beperkt is, ii) de transportkosten voor ethyleen hoog zijn, iii) de hoeveelheid voor afname beschikbare ethyleen beperkt is en iv) sprake is van hoge drempels voor toetreding tot het ARG+Netwerk. Daartegenover zijn er (beduidend) meer ethyleenafnemers. Daarnaast is de groep bedrijven behorend tot de ethyleenleveranciers gemiddeld genomen (veel) groter dan die van de ethyleenafnemers.
c) De positie van SCE
12.40.2.
SCE is – net als de meeste ethyleenleveranciers op de NWE-ethyleenhandelsmarkt – verticaal geïntegreerd. De Shell Groep gebruikt het grootste deel van de door haar geproduceerde ethyleen binnen het eigen concern (
captive use) en verkoopt – via SCE – alleen het restant daarvan op de NWE ethyleenhandelsmarkt.
12.40.3.
Door die verticale integratie beschikt SCE ook over vergaande marktkennis. Zij beschikt namelijk over informatie over de naftaprijs, de kosten van ethyleenproductie, de marges die zij behaalt bij de verkoop van co-producten die zijn vervaardigd met de stoomkrakers (de zogenoemde stoomkrakermarges of
cracker margins), tarieven voor de transport van ethyleen via het ARG+Netwerk, prijsprognoses, spotprijzen en informatie over marktoutput.
12.40.4.
Verder beschikt SCE over een financiële afdeling met gespecialiseerde (markt)analisten die zowel de ontwikkelingen van de wereldindustrie-brede marges als de eigen marges van SCE over langere perioden zeer nauwlettend monitort, de marge-ontwikkelingen afzet tegen de ontwikkeling van productiekosten, margeprognoses stelt en over dit alles publiekelijk rapporteert in de jaarverslagen van SCE.
d) De positie van gedaagden en hun betrokkenheid bij het MCP settlement process
12.40.5.
Tijdens de inbreukperiode was het gezamenlijke marktaandeel van gedaagden aan de afnemerszijde van de NWE-ethyleenhandelsmarkt 14,6%, zodat de ethyleenleveranciers (waaronder SCE) vele alternatieven hadden voor een onderhandeling met (één van de) gedaagden.
e) De marges van de ethyleenleveranciers tijdens de inbreukperiode
12.40.6.
Celanese en Vestolit hebben – samengevat – toegelicht dat de ontwikkeling van de marges van de ethyleenleveranciers in de inbreukperiode erop wijst dat gedaagden de MCP niet in hun voordeel hebben beïnvloed.
12.40.7.
Celanese en Vestolit hebben deze margeontwikkelingen in kaart gebracht door te kijken naar de ontwikkelingen van de MCP ten opzichte van de prijs van nafta en van ruwe olie, omdat de correlatie tussen beide elementen doorgaans hoog is. Er is evenwel geen één-op-één correlatie: als de prijs van nafta en ruwe olie in de inbreukperiode daalde, daalde deze soms (veel) harder dan de MCP. Dit betekent dat de marge van de leveranciers op de productie en verkoop van ethyleen naar alle waarschijnlijkheid significant is gestegen gedurende de inbreukperiode.
12.40.8.
Sterker nog, specifiek in 2014 en 2015 is er een blijvend verschil ontstaan tussen de MCP en de naftaprijs in het voordeel van de ethyleenleveranciers. Terwijl de gemiddelde prijs van nafta met 39% daalde in 2015, daalde de MCP slechts met (ongeveer) 22%. De MCP is dus tijdens de inbreukperiode
gestegenten opzichte van de naftaprijs (de voornaamste kostenfactor). Dit verschil tussen de MCP en de naftaprijs in het voordeel van de ethyleenleveranciers is vervolgens blijven voortbestaan. Eenzelfde trend is zichtbaar wanneer de ontwikkeling van de MCP wordt vergeleken met de prijs van ruwe olie. De MCP daalt aanzienlijk minder dan deze kostenfactor. Dat wijst er ook op dat de marge van de ethyleenleveranciers in de inbreukperiode blijvend is gestegen.
12.40.9.
De stoomkrakermarges waren gedurende de inbreukperiode (en daarna) gemiddeld significant hoger dan in de periode voor de inbreuk. De stoomkrakermarges zijn informatief voor de door de leveranciers behaalde marges op de verkoop van ethyleen, omdat de stoomkrakers hoofdzakelijk ethyleen produceren. Celanese en Vestolit hebben in dit verband gewezen op onderstaande figuur:
12.40.10.
De significante stijging van de stoomkrakermarges wijst er ook op dat de (winst)marges van de ethyleenleveranciers gedurende de inbreukperiode significant en blijvend zijn gestegen. Dit wijst er ook op dat de inbreuk geen effect heeft gehad. Als de inbreuk wel een effect zou hebben gehad, dan zou dat effect zichtbaar moeten zijn in de ontwikkelingen van de winstmarge van de leveranciers, inclusief die van SCE. Aldus steeds Celanese en Vestolit.
12.40.11.
Westlake heeft toegelicht dat als de inbreuk de MCP – en de ethyleenprijs – had verlaagd, men zou verwachten dat de stoomkrakermarges van ethyleenleveranciers zouden zijn gedaald, maar dat dit in de praktijk niet is gebeurd. Integendeel, de stoomkrakermarges stegen zelfs in de inbreukperiode en daalden vervolgens na de beëindiging van de inbreuk. Dit valt niet te rijmen met het betoog van SCE dat de inbreuk leidde tot lagere ethyleenprijzen en zodoende schade zou hebben berokkend. Aldus steeds Westlake en onder verwijzing naar onderstaande figuur:
f) Transparantie van de NWE-ethyleenhandelsmarkt
12.40.12.
De NWE-ethyleenhandelsmarkt is een zeer transparante markt. De NWE-ethyleenhandelsmarkt wordt doorlopend en nauwlettend gemonitord door onafhankelijke marktanalisten (van
reporting agencies). Zij publiceren maandelijks marktanalyses waarin wordt gerapporteerd over de belangrijkste marktontwikkelingen. Deze rapportages omvatten ook prijsprognoses, waarin de verwachte bewegingen van de MCP worden voorspeld. De onderhandelingen over de MCP vinden doorgaans plaats na publicatie van de prijsprognoses door de marktanalisten in de laatste dagen van de voorafgaande maand.
12.40.13.
Tijdens die onderhandelingen is – in ieder geval tussen de ethyleenleveranciers – ook transparant in hoeverre de MCP afwijkt van de naftaprijs.
12.40.14.
Op hun beurt vergeleken ethyleenafnemers de biedingen die zij ontvingen van een leverancier ook met die van andere leveranciers. Ethyleenleveranciers waren daarvan ook op de hoogte.
g) De voorspellingen van IHS Markit
12.40.15.
Gedaagden hebben verder toegelicht dat de MCP tijdens en na de inbreukperiode niet lager was dan door professionele en onafhankelijke marktanalisten werd voorspeld op grond van de marktanalyses. Zij hebben aangevoerd dat de door IHS Markit (een
reporting agency) voorspelde MCP’s tijdens en na de inbreukperiode grotendeels samenvielen met de daadwerkelijk overeengekomen MCP’s. Gedaagden hebben daartoe gewezen op de hieronder opgenomen figuur 7 van het Effecten Rapport van Compass Lexecon: [22]
h) De factoren die de MCP bepalen en de doorwerking van de MCP
12.40.16.
Verder zijn alle partijen en hun deskundigen het erover eens dat de MCP voor een belangrijk deel werd bepaald door de naftaprijs. De MCP en de naftaprijs ontwikkelden zich voor, tijdens en na de inbreukperiode vrijwel parallel aan elkaar. In figuur 2 van het Effecten Rapport van Compass Lexecon is dit als volgt weergegeven (waarbij de groene en de blauwe lijnen met elkaar dienen te worden vergeleken):
Rechtbank: Tegenover de onder 12.40 weergegeven stellingen van gedaagden heeft SCE onvoldoende ingebracht
12.41.
De rechtbank oordeelt als volgt. SCE acht aannemelijk dat het effect van de inbreuk onder de radar van (zowel de onafhankelijke als haar eigen) marktanalisten kon blijven, omdat de inbreuk de MCP steeds met kleine stapjes van maandelijks gemiddeld € 8,27 per ton ethyleen naar beneden duwde. Zij stelt dat de marktpercepties ook onbewust door de inbreuk werden beïnvloed. Hierin kan SCE niet worden gevolgd. Deze aanname kan niet onderbouwen dat gedaagden de MCP daadwerkelijk hebben beïnvloed, dat is nu juist een aanname van SCE op basis van de AP rapporten. SCE gaat van die beïnvloeding uit op grond van de marktvergelijking, waarvan hiervoor is overwogen dat deze onbruikbaar is.
Deze aanname is ook in strijd met wat over de NWE-ethyleenmarkt bekend is. Niet in geschil is dat de naftaprijs en vraag en aanbodfactoren de meest bepalende factoren waren voor de ethyleenprijs. Die waren elk van de marktdeelnemers – maar zeker ook de ethyleenleveranciers – bekend. Dan is niet aannemelijk dat toch door de samenwerking van enkele afnemers, die samen bovendien slechts 14,6% van de afname vertegenwoordigden, een invloed op de MCP zou zijn uitgegaan die ertoe zou hebben geleid dat de MCP steeds meer afweek van wat een marktconforme prijs had moeten zijn op grond van de meest bepalende factoren – de naftaprijs en vraag en aanbod – en dat dit bovendien onopgemerkt zou zijn gebleven. Verder is het settlement-proces gebaseerd op consensus over de prijs, wat er voor zorgt dat steeds een MCP tot stand kwam die voor ten minste twee aanbieders acceptabel was. Dat leveranciers die over voldoende informatie beschikten om te kunnen beoordelen wat een marktconforme prijs zou zijn structureel zouden hebben ingestemd met een lagere prijs dan marktconform zou zijn, acht de rechtbank – anders dan SCE – onaannemelijk.
12.42.
SCE heeft er ten aanzien van het
MCP settlement process(zie 4.22 tot en met 4.24) op gewezen dat gedaagden in de inbreukperiode zeer regelmatig betrokken waren bij de totstandkoming van de MCP, omdat zij i) in 95% van de maanden bij één
settling pairbetrokken waren, ii) in 67% van de maanden bij meer dan één
settling pairbetrokken waren en iii) gezien over alle
settlementszij bij 62% daarvan betrokken waren. Voor zover SCE bedoelt te betogen dat deze mate van betrokkenheid van gedaagden bij het
MCP settlement processin de inbreukperiode erop wijst dat zij de MCP neerwaarts hebben beïnvloed, wordt zij daarin niet gevolgd. Gedaagden hebben namelijk terecht toegelicht dat het enkele feit dat zij in de inbreukperiode regelmatig betrokken waren bij het
MCP settlement processop zichzelf nog niets zegt over de vraag of zij daadwerkelijk de MCP neerwaarts hebben beïnvloed.
12.43.
SCE heeft tijdens de zitting van 18 maart 2026 met betrekking tot de stellingen van gedaagden over de winstmarges en stoomkrakermarges aangevoerd dat de marges van de ethyleenleveranciers in de inbreukperiode onder de gemiddelden van de kapitaalintensieve maakindustrie lagen. Verder is de ethyleenhandelsmarkt cyclisch: periodes van hogere marges worden gevolgd door periodes van lagere marges. De afgelopen jaren zijn de marktomstandigheden voor ethyleenproducenten verslechterd, is sprake van structureel lagere marges en proberen inmiddels verschillende partijen hun stoomkrakers van de hand te doen. Verder zeggen de stoomkrakermarges op zichzelf niet alles over de met de productie en verkoop van ethyleen behaalde marges. Aldus steeds SCE.
12.44.
Dit overtuigt niet.
12.45.
De enkele omstandigheden dat i) de marges van de ethyleenleveranciers in de inbreukperiode onder de gemiddelden van de kapitaalintensieve maakindustrie lagen, ii) de afgelopen jaren sprake is van structureel lagere marges en iii) verschillende partijen hun stoomkrakers van de hand proberen te doen, werpen op zichzelf – en in hun onderlinge samenhang bezien – geen ander licht op de hiervoor in 12.40.6 tot en met 12.40.11 geschetste toelichtingen van Celanese, Vestolit en Westlake.
12.46.
Aan SCE kan weliswaar worden toegegeven dat de stoomkrakermarges op zichzelf niet alles zeggen over de specifiek met de verkoop van ethyleen behaalde marges, omdat met de stoomkrakers ook andere producten worden vervaardigd, maar SCE heeft daarmee niet weersproken dat:
de door ethyleenleveranciers – naar de rechtbank begrijpt: waaronder SCE althans de Shell Groep – behaalde stoomkrakermarges tijdens de inbreukperiode significant zijn gestegen, en
de stoomkrakermarges informatief zijn voor de door de leveranciers behaalde marges op de verkoop van ethyleen, omdat de stoomkrakers hoofdzakelijk ethyleen produceren, zodat – naar alle waarschijnlijkheid – ook de met de verkoop van ethyleen behaalde marges significant zijn gestegen.
In het licht van deze standpunten van Celanese en Vestolit had het op de weg van SCE gelegen om haar standpunt in dit verband nader te onderbouwen door bijvoorbeeld met de verkoop van ethyleen behaalde marges inzichtelijk te maken – waarom Celanese en Vestolit in het kader van hun (voorwaardelijke) 843a-incidenten ook hebben verzocht – maar dat heeft zij niet gedaan.
12.47.
Bij deze stand van zaken houdt de rechtbank het er dan ook voor dat de door ethyleenleveranciers (waaronder SCE) behaalde marges op de verkoop van ethyleen tijdens de inbreukperiode naar alle waarschijnlijkheid juist zijn gestegen. Dit levert dus geen bewijs dat de MCP succesvol naar beneden is gemanipuleerd.
12.48.
Daartegenover zijn de enkele door SCE genoemde omstandigheden dat aannemelijk is dat het effect van de inbreuk onder de radar van (zowel de onafhankelijke als haar eigen) marktanalisten kon blijven, omdat de inbreuk de MCP steeds met kleine stapjes van maandelijks gemiddeld € 8,27 per ton ethyleen naar beneden duwde en hun marktpercepties ook onbewust door de inbreuk werden beïnvloed, van onvoldoende gewicht.
12.49.
Verder geldt het volgende. Het enkele feit dat gedaagden vaak betrokken waren bij de settlements die tot de MCP leidden, toont niet aan dat zij die ook succesvol hebben kunnen beïnvloeden op deze transparante markt. SCE had een financiële afdeling met gespecialiseerde (markt)analisten, waardoor een ‘te lage’ MCP en zeker een stelselmatig steeds naar beneden bijgestuurde MCP – en daardoor prijs van ethyleen – haar hebben moeten opvallen. De prijs van ethyleen wordt in belangrijke mate bepaald door de prijs van de grondstof nafta, die alle marktpartijen bekend is. Van een opvallende afwijking van de MCP ten opzichte van de naftaprijs tijdens de inbreukperiode is geen sprake geweest.
12.50.
Mede tegen deze achtergrond heeft SCE onvoldoende toegelicht dat de MCP van de lopende maand de belangrijkste parameter was voor de onderhandelingen over de MCP van de volgende maand. Uit de door Celanese overgelegde verticale correspondentie – dat wil zeggen correspondentie tussen haar en ethyleenleveranciers – blijkt dat de betrokken partijen onderhandelden
aan de hand vande MCP van de lopende maand. Partijen deden over een weer voorstellen aan elkaar voor de MCP van de volgende maand waarbij zij bedragen voorstelden – van vaak enkele tientallen euro’s – die volgens hen moesten worden opgeteld of afgetrokken van de MCP van de lopende maand. Uit de door Celanese overgelegde verticale correspondentie blijkt ook dat zij die voorstellen baseerden op de marktomstandigheden, zoals de ontwikkeling van de naftaprijs en vraag- en aanbodfactoren, en dat de MCP van de voorafgaande maand niet als een element dat op zichzelf een intrinsieke waarde vertegenwoordigt, werd beschouwd. Bij deze stand van zaken valt – anders dan SCE doet voorkomen – niet in te zien dat de MCP van de lopende maand een zelfstandige factor is die bepalend is voor de uitkomst van de onderhandelingen over de MCP van de volgende maand.
Slotsom
12.51.
Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat SCE onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij als gevolg van de inbreuk de door haar gestelde schade heeft geleden.

13.Conclusie

13.1.
Alles wat hiervoor in hoofdstuk 12 is overwogen leidt tot de conclusie dat onvoldoende aannemelijk is dat SCE als gevolg van de inbreuk schade heeft geleden en dat zij de door haar gestelde schade in ieder geval onvoldoende heeft onderbouwd. Dit betekent dat haar vordering tot hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van een schadevergoeding wordt afgewezen.
13.2.
De afwijzing van de hoofdvordering van SCE brengt mee dat ook haar overige (neven)vorderingen worden afgewezen.

14.Ten overvloede: het immuniteitsverweer van Westlake

14.1.
Nu alle vorderingen van SCE reeds op grond van het in hoofdstuk 12 overwogene worden afgewezen, hoeft de rechtbank niet meer in te gaan op wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om – ten overvloede – nog in te gaan op het door Westlake gevoerde immuniteitsverweer. Tegen alle gedaagden lopen momenteel namelijk parallelle procedures. Westlake heeft dit immuniteitsverweer reeds in een parallelle procedure bij deze rechtbank [23] gevoerd en voorzienbaar is dat zij dit verweer ook in andere parallelle procedures voert of zal voeren.
14.2.
In het EC-besluit heeft de Europese Commissie op grond van de clementieregeling volledige boete-immuniteit aan Westlake verleend, omdat zij de inbreuk heeft onthuld en gedurende het gehele onderzoek door de Europese Commissie daaraan heeft meegewerkt (zie paragraaf 152 van het EC-besluit in 4.38).
14.3.
Westlake beroept zich op artikel 11 lid 4 Schaderichtlijn Pro (geïmplementeerd in artikel 6:193m BW). [24] Artikel 11 Schaderichtlijn Pro luidt, voor zover van belang, als volgt:
“1. De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die door een gemeenschappelijk optreden inbreuk hebben gemaakt op het mededingingsrecht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade: elk van deze ondernemingen is verplicht de schade volledig te vergoeden, en de benadeelde partij heeft het recht van elk van hen volledige vergoeding eisen totdat zij volledig is vergoed.
(…)
4. In afwijking van lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat een ontvanger van immuniteit, hoofdelijk aansprakelijk is jegens:
a) zijn directe of indirecte afnemers of leveranciers, en
b) de andere benadeelde partijen, doch slechts indien geen volledige schadevergoeding kan worden verkregen van de andere bij dezelfde inbreuk op het mededingingsrecht betrokken ondernemingen.
(…)”
14.4.
Volgens Westlake brengt artikel 11 lid 4 Schaderichtlijn Pro mee dat zij als ontvanger van immuniteit beperkt hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de door SCE gestelde schade. Artikel 11 lid 4 Schaderichtlijn Pro is in de tijd van toepassing. Als artikel 11 lid 4 Schaderichtlijn Pro kwalificeert als een procedurele bepaling, geldt dat die toepasselijkheid volgt uit artikel 22 lid 2 Schaderichtlijn Pro. Als artikel 11 lid 4 Schaderichtlijn Pro kwalificeert als een materiële bepaling, is deze ook van toepassing, omdat Westlake op 14 juli 2020 immuniteit heeft ontvangen, ruim na de omzettingstermijn van de Schaderichtlijn van 26 december 2016, aldus steeds Westlake.
14.5.
SCE is het daar niet mee eens. SCE stelt dat zij op het moment dat Westlake de inbreuk beëindigde (29 juni 2016) een vorderingsrecht op Westlake verkreeg, dat pas daarna de omzettingstermijn van de Schaderichtlijn is verstreken (27 december 2016) en vervolgens de Schaderichtlijn in Nederland is geïmplementeerd (10 februari 2017) en weer daarna immuniteit aan Westlake is toegekend (14 juli 2020). Als op basis van die immuniteit haar vordering niet langer in volle omvang op Westlake verhaald zou kunnen worden, maar aan de beperkingen uit hoofde van immuniteit onderhevig zou worden, zou dat in strijd zijn met het verbod om terugwerkende kracht toe te kennen aan materiële bepalingen van de Schaderichtlijn (artikel 22 lid 1 Schaderichtlijn Pro). SCE zou dan namelijk een recht worden ontnomen op grond van de Schaderichtlijn, waarop zij voor de inwerkingtreding van de Schaderichtlijn gerechtvaardigd mocht vertrouwen. Celanese, Clariant en Vestolit hebben zich achter de interpretatie van SCE omtrent de toepasselijkheid van de Schaderichtlijn geschaard.
14.6.
De rechtbank volgt de redenering van Westlake en legt hierna uit waarom.
14.7.
Voorop staat dat terecht niet in geschil is dat Westlake “een ontvanger van immuniteit” is in de zin van artikel 2 punt Pro 19 en artikel 11 lid 4 Schaderichtlijn Pro, nu zij een onderneming is waaraan door een mededingingsautoriteit in het kader van de clementieregeling vrijwaring van geldboeten is verleend.
14.8.
Uit artikel 22 lid 1 Schaderichtlijn Pro volgt dat aan materiële bepalingen van de Schaderichtlijn geen terugwerkende kracht mag worden toegekend. Uit artikel 22 lid 2 Schaderichtlijn Pro volgt dat procedurele bepalingen van de Schaderichtlijn van toepassing zijn op alle vorderingen die sinds 26 december 2014 bij een nationale rechterlijke instantie aanhangig zijn gemaakt. De vraag of een bepaling van de Schaderichtlijn materieel of procedureel van aard is, moet worden beoordeeld aan de hand van het Unierecht. [25]
14.9.
De rechtbank oordeelt dat artikel 11 lid 4 Schaderichtlijn Pro een materiële bepaling is. Daaruit volgt een beperking van de hoofdelijkheid van mede aansprakelijke deelnemers aan een inbreuk op het mededingingsrecht voor “een ontvanger van immuniteit”. Deze beperking heeft betrekking op het materiële recht, omdat die invloed heeft op de wijze waarop een subjectief recht van de betrokkene om schadevergoeding te vorderen kan worden uitgeoefend. [26]
14.10.
Uit artikel 11 lid 4 Schaderichtlijn Pro kan worden afgeleid dat het daarin omschreven rechtsgevolg – namelijk een beperking van hoofdelijke aansprakelijkheid voor een “ontvanger van immuniteit” – intreedt als de immuniteit wordt ontvangen. In dit geval ontving Westlake op 14 juli 2020 immuniteit en daarmee ruim na het verstrijken van de omzettingstermijn van de Schaderichtlijn van 27 december 2016. [27] Van terugwerkende kracht is dus geen sprake.
14.11.
Ook het beroep van SCE op gerechtvaardigd vertrouwen gaat niet op. Uit de aard van toekenning van immuniteit vloeit voort dat de eerder bestaande hoofdelijke aansprakelijkheid wordt beperkt. Daarvoor maakt niet uit of die hoofdelijkheid al bestond voor de inwerkintreding van de Schaderichtlijn of pas daarna. SCE was op een eerder moment dan het EC-besluit ook niet op de hoogte van de aansprakelijkheid van gedaagden, zodat van gerechtvaardigd vertrouwen om die reden al geen sprake kan zijn.
14.12.
Bovendien leidt toekenning van immuniteit er niet toe dat SCE een vorderingsrecht jegens Westlake wordt ontnomen. Artikel 11 lid 4 Schaderichtlijn Pro heeft slechts gevolgen voor de volgorde waarin SCE schade kan verhalen.
14.13.
De rechtbank ziet – gelet op deze overweging ten overvloede – geen aanleiding om in te gaan op wat partijen in dit verband verder nog naar voren hebben gebracht.

15.De proceskosten en de daarover gevorderde rente

15.1.
SCE wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van gedaagden.
15.2.
De proceskosten van Celanese worden begroot op:
- griffierecht: € 17.038,00
- salaris advocaat: € 18.524,00 (4,0 punten x tarief VIII: € 4.631,00)
- nakosten:
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
- totaal: € 35.751,00
15.3.
De proceskosten van Clariant worden begroot op:
- griffierecht: € 8.519,00
- salaris advocaat: € 18.524,00 (4,0 punten x tarief VIII: € 4.631,00)
- nakosten:
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
- totaal: € 27.232,00
15.4.
De proceskosten van Vestolit worden begroot op:
- griffierecht: € 8.519,00
- salaris advocaat: € 18.524,00 (4,0 punten x tarief VIII: € 4.631,00)
- nakosten:
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
- totaal: € 27.232,00
15.5.
De proceskosten van Westlake worden begroot op:
- griffierecht: € 8.519,00
- salaris advocaat:
€ 18.524,00(4,0 punten x tarief VIII: € 4.631,00)
- totaal: € 27.043,00
15.6.
De proceskostenveroordelingen worden steeds zoals gevorderd vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro zoals hierna in de beslissing is vermeld.
15.7.
De nakosten van Westlake worden begroot en toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld. De reden dat de nakosten van Westlake afzonderlijk worden begroot, is dat Westlake – anders dan de andere gedaagden – geen wettelijke rente over de nakosten heeft gevorderd.

16.Uitvoerbaarheid bij voorraad

16.1.
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

17.Het geschil en de beoordeling in de (voorwaardelijke) 843a-incidenten

Het geschil in de (voorwaardelijke) 843a-incidenten
17.1.
Celanese vordert onder de voorwaarde dat de rechtbank de vorderingen van SCE in de hoofdzaak niet afwijst – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
- SCE beveelt afschrift te verstrekken van nader in haar conclusie van antwoord omschreven bescheiden,
- SCE veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
17.2.
Clariant vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
- SCE ingevolge artikel 22 Rv Pro beveelt afschrift te verstrekken van de nader in haar conclusie van antwoord omschreven bescheiden en onder de voorwaarde dat de rechtbank de vorderingen van SCE in de hoofdzaak niet afwijst en geen gebruik wenst te maken van haar bevoegdheid op grond van artikel 22 Rv Pro, vordert Clariant dezelfde stukken op grond van artikel 843a Rv.
- SCE beveelt afschrift te verstrekken van de nader in haar incidentele conclusie 843a Rv (oud) tevens houdende vordering tot tussenkomst omschreven bescheiden,
- SCE veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
17.3.
Vestolit vordert na eiswijziging – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
- SCE beveelt afschrift te verstrekken aan Vestolit van de bescheiden zoals nader omschreven in haar akte overlegging producties, aanbod tot overlegging aanvullende producties tevens wijziging van eis in incident 843a (oud) Rv,
- SCE veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
17.4.
SCE voert verweer tegen het 843a-incident van Vestolit en concludeert – samengevat – tot afwijzing van de vorderingen, met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Vestolit in de proceskosten.
SCE heeft in de (voorwaardelijke) 843a-incidenten van Celanese en Clariant niet afzonderlijk van antwoord gediend, omdat zij daartoe door de rechtbank niet in de gelegenheid is gesteld. Tijdens de zitting van 1 juni 2026 is de onderlinge samenhang tussen alle 843a-incidenten aan de orde gekomen, omdat die (in vergaande mate) overlap vertonen. SCE is toen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wijze waarop moet worden voort geprocedeerd in de (voorwaardelijke) 843a-incidenten van Celanese en Clariant in geval van (gedeeltelijke) toewijzing van het 843a-incident van Vestolit.
De beoordeling in de (voorwaardelijke) 843a-incidenten
17.5.
Gelet op de afwijzing van de vorderingen van SCE van de hoofdzaak, hebben Celanese, Clariant en Vestolit geen belang meer bij hun (voorwaardelijk) ingestelde incidentele vorderingen op grond van artikel 843a (oud) Rv, zodat die moeten worden afgewezen.
17.6.
Bij een afwijzing van vorderingen geldt als uitgangspunt dat de (in het ongelijk gestelde) eisende partij in de proceskosten (van de in het gelijk gestelde) verwerende partij veroordeeld. Dat zou hier meebrengen dat Celanese, Clariant en Vestolit in de proceskosten van SCE worden veroordeeld. Gelet op de afwijzing van de vorderingen van SCE in de hoofdzaak is de rechtbank evenwel niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de (voorwaardelijke) 843a-incidenten van Celanese, Clariant en Vestolit. In zoverre kan geen van partijen hier als de in het (on)gelijk gestelde partij worden beschouwd. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren, in de zin dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.

18.De beslissing

De rechtbank
in de incidenten
in de incidenten tot tussenkomst
18.1.
verklaart Celanese en Clariant niet-ontvankelijk in hun vorderingen,
18.2.
veroordeelt Celanese en Clariant in de proceskosten van SCE, begroot op nihil,
in de (voorwaardelijke) 843a-incidenten
18.3.
wijst de vorderingen van Celanese, Clariant en Vestolit af,
18.4.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in de zin dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt,
in de hoofdzaak
18.5.
wijst de vorderingen van SCE af,
18.6.
veroordeelt SCE in de proceskosten van Celanese van € 35.751,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag van algehele voldoening,
18.7.
veroordeelt SCE voor het geval zij niet tijdig aan de proceskostenveroordeling onder 18.6 voldoet, in de extra nakosten van € 98,00 plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag van algehele voldoening,
18.8.
veroordeelt SCE in de proceskosten van Clariant van € 27.232,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag van algehele voldoening,
18.9.
veroordeelt SCE voor het geval zij niet tijdig aan de proceskostenveroordeling onder 18.8 voldoet, in de extra nakosten van € 98,00 plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag van algehele voldoening,
18.10.
veroordeelt SCE in de proceskosten van Vestolit van € 27.232,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag van algehele voldoening,
18.11.
veroordeelt SCE voor het geval zij niet tijdig aan de proceskostenveroordeling onder 18.10 voldoet, in de extra nakosten van € 98,00 plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag van algehele voldoening,
18.12.
veroordeelt SCE in de proceskosten van Westlake van € 27.043,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag van algehele voldoening,
18.13.
veroordeelt SCE in de na dit vonnis aan de zijde van Westlake ontstane nakosten, begroot op € 189,00. Voor zover SCE niet tijdig aan de veroordelingen onder 18.12 en 18.13 voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, wordt zij ook veroordeeld in de extra nakosten van € 98,00 plus de kosten van betekening,
18.14.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, mr. R.H.C. Jongeneel en mr. R.A. Dudok van Heel, rechters, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
2.Commission Notice on Immunity from fines and reduction of fines in cartel cases (ook wel de “Leniency Notice” genoemd).
3.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en in het Engels Treaty on the Functioning of the European Union (TFEU).
4.Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II-Verordening).
5.HvJ-EU zaak C-425/25.
6.HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:945 (
7.HvJ-EU zaak C-425/25
8.Conclusie AG Vlas 5 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:561.
9.HvJ-EU 13 juli 2006 in gevoegde zaken C-295/04 t/m C-298/04, ECLI:EU:C:2006:461, (
10.HvJ-EU 14 december 2000, zaak C-344/98, ECLI:EU:C:2000:689 (
11.HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162 (
12.Door SCE overgelegd als producties 1, 43, 61, 62 en 63.
13.Werkdocument van de Diensten van de Commissie, Praktische Gids betreffende de begroting van schade bij schadeacties wegens inbreuken op artikel 101 of Pro 102 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie bij de Mededeling van de Commissie betreffende de begroting van schade bij schadeacties wegens inbreuken op artikel 101 of Pro 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
14.Door zowel Celanese en Vestolit overgelegd als productie 11 en door Clariant overgelegd als productie 5.
15.Door Westlake overgelegd als productie 6.
16.Door SCE overgelegd als productie 64.
17.Door Westlake overgelegd als productie 24.
18.Deze stelling is ter zitting van 18 maart 2026 met de volgende woorden ondersteund door [naam 3] (econoom werkzaam bij Compass Lexecon):
19.Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.
20.Door SCE overgelegd als productie 64.
21.Door Celanese overgelegd als productie 29, door Clariant overgelegd als productie 21, door Vestolit overgelegd als productie 25 en door Westlake overgelegd als productie 18.
22.Door Clariant overgelegd als productie 6.
23.Deze parallelle procedure is bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer: C/13/746821 / HA ZA 24-171. De overige parallelle procedures bij deze rechtbank zijn bekend onder de zaaknummers: C/13/774157 / HA ZA 25-1391, C/13/779165 / HA ZA 25-1737, C/13/781703 / HA ZA 26-38, C/13/782048 / HA ZA 26-61 en C/13/787016 / HA ZA 26-405.
24.Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie.
25.HvJ-EU 22 juni 2022, zaak C-267/20, ECLI:EU:C:2022:494 (
26.HvJ-EU 22 juni 2022, zaak C-267/20, ECLI:EU:C:2022:494 (
27.HvJ-EU 22 juni 2022, zaak C-267/20, ECLI:EU:C:2022:494 (