Conclusie
1.Inleiding
single and continuous infringement) op art. 101 VWEU Pro, de uitleg van art. 4 lid 1 Wet Pro conflictenrecht onrechtmatige daad (hierna: WCOD) [3] en van art. 6 lid Pro 3, sub a en b, Verordening betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (hierna: Rome II). [4] Deze prejudiciële vragen vertonen samenhang met de kwesties die aan de orde komen in de bij de Hoge Raad aanhangige zaken over het luchtvaartkartel (zaaknummers 23/00670 en 23/00676), waarin ik eveneens vandaag conclusie neem.
follow-onvorderingen [9] aanhangig gemaakt op grond van de gestelde schade die de afnemers en gebruikers van middelzware en zware vrachtwagens hebben geleden als gevolg van het door de Commissie vastgestelde truckkartel. De eisers zijn in twee groepen te verdelen: de eerste groep betreft eisers die stellen zelf afnemer en/of gebruiker van de bedoelde vrachtwagens te zijn en de tweede groep betreft zogenoemde claimvehikels die procederen op basis van een bundeling van individuele claims van achterliggende afnemers en/of gebruikers. [10]
2.De prejudiciële vragen
Inleidend
single and continuous infringement) op artikel 101 VWEU Pro naar Nederlands recht worden gekwalificeerd als een (enkelvoudige en voortdurende) onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die leidt tot afzonderlijke schadevergoedingsvorderingen op het moment dat schade wordt geleden (op het moment van verwerven van een bepaalde vrachtwagen (waaronder kan worden verstaan (huur)koop) óf het afnemen van een bepaalde transportdienst)?
single and continuous infringement) op artikel 101 VWEU Pro naar Nederlands recht worden gekwalificeerd als een (enkelvoudige en voortdurende) schadeveroorzakende gebeurtenis die resulteert in een enkelvoudige schadevergoedingsvordering per gedupeerde (hier: Claimant die zelf schade heeft geleden of Achterliggende partij, zie r.o. 2.1 tussenvonnis), bestaande uit verschillende schadeposten?
lex fori)?
lex fori(Nederlands recht) op grond van artikel 6 lid 3 sub b Rome Pro II als is voldaan aan de volgende vereisten?
3.De inleidende vragen (i) en (ii) inzake single and continuous infringement
vragen (i) en (ii)wenst de rechtbank in wezen te vernemen of een enkelvoudige en voortdurende inbreuk (
single and continuous infringement) op art. 101 VWEU Pro gekwalificeerd moet worden als één voortdurende onrechtmatige daad, resulterend in één schadevergoedingsvordering per Claimant.
Heureka/Google), [12] waarin zij is ingegaan op het karakter van een kartelschadevordering:
private enforcement) gebaseerd is op een inbreuk op artikel 101 of Pro artikel 102 VWEU Pro, kan het begrip „inbreuk”, dat een autonoom Unierechtelijk begrip is, geen andere betekenis hebben dan de betekenis die dit heeft in de context van een publiekrechtelijke handhaving van de mededingingsregels van de Unie (
public enforcement). Derhalve wordt de inbreuk waarop de schadevordering is gebaseerd, beheerst door het Unierecht.
vraag iidan ook tot de slotsom dat een enkelvoudige en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU Pro moet worden gekwalificeerd als één voortdurende onrechtmatige daad die resulteert in één enkelvoudige kartelschadevordering per gedupeerde.
4.Vraag (iii): toepasselijk recht – WCOD of Rome II?
lex fori). [20] Moet echter worden bepaald of een internationale rechtsverhouding behoort tot de verwijzingscategorie van een verdrag of een (EU) verordening, dan is een verdrags- of verordeningsautonome kwalificatie aangewezen. [21] Primaire kwalificatie moet worden onderscheiden van secundaire kwalificatie. Ziet primaire kwalificatie op het onderbrengen van de rechtsverhouding bij de verwijzingscategorie van een bepaalde conflictregel, secundaire kwalificatie heeft betrekking op het vaststellen van de omvang van het toepasselijk recht. Heersende opvatting is dat de secundaire kwalificatie de primaire kwalificatie volgt, zodat het begrippensysteem van de
lex forieveneens beslissend is voor het vaststellen van de omvang van het toepasselijk recht. [22]
vraag (iii)wenst de rechtbank te vernemen of, bij een bevestigende beantwoording van vraag (ii), het moment van de beëindiging van de schadeveroorzakende gebeurtenis tot uitgangspunt moet worden genomen bij de vaststelling van de toepasselijke conflictregel of dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen schadeposten van vóór 11 januari 2009 (de datum waarop Rome II toepasselijk is geworden) en schadeposten van ná 11 januari 2009. De vraag is van belang, omdat de Commissie in het kartelbesluit heeft geoordeeld dat in de periode van 17 januari 1997 tot 18 januari 2011 sprake was van een internationaal kartel.
Homawooaan de orde gekomen. In de literatuur heeft een enkele auteur daaraan aandacht besteed. Zo merkt Mankowski op:
eerste oplossingis die van Mankowski, waarbij Rome II wordt toegepast op alle ‘schadeposten’ (zowel van vóór als van na 11 januari 2009). Deze oplossing zorgt, zoals Mankowski heeft opgemerkt, voor een ruime toepassing van de uniforme conflictregels van Rome II. Ook heeft deze oplossing het voordeel dat niet nog jarenlang oud IPR moet worden toegepast, omdat schending van het Unierechtelijke mededingingsrecht vaak pas na jaren wordt vastgesteld en mede betrekking kan hebben op beperkende mededingingsgedragingen van vóór 11 januari 2009. Tegen deze oplossing kan worden aangevoerd, zoals Fitchen heeft opgemerkt, dat de tekst van art. 31 Rome Pro II en het
Homawoo-arrest van het HvJEU niet in deze richting wijzen en juist niet uitgaan van terugwerkende kracht.
tweede oplossingis om op kartelschadevorderingen (uit hoofde van de door de Commissie geconstateerde inbreuk op art. 101 VWEU Pro) het conflictenrecht toe te passen zoals dit heeft gegolden op het moment waarop de verboden mededingingsbeperkende gedraging een aanvang heeft genomen. Er is immers sprake van één enkelvoudige en voortdurende inbreuk, die in de truckkartelzaken een aanvang heeft genomen op 17 januari 1997. Op dat moment was het Nederlandse IPR ten aanzien van ongeoorloofde mededinging nog ongeschreven recht (nadien gecodificeerd in de WCOD). De onrechtmatige samenspanning heeft een aanvang genomen onder het oude recht (in 1997) en is voortgezet na 11 januari 2009, de datum waarop nieuw recht van toepassing is geworden. Dan ligt het voor de hand het oude recht te blijven toepassen. Deze oplossing, die overeenkomt met Mankowski’s tweede oplossing, komt niet in strijd met (de letterlijke tekst van) art. 31 Rome Pro II. Daardoor wordt ook eenheid bereikt in de toepassing van het conflictenrecht, omdat op alle ‘schadeposten’ van zowel vóór als na 11 januari 2009 dezelfde regeling wordt toegepast. Die eenheid wordt dan weliswaar niet op EU-niveau bereikt, omdat iedere lidstaat het eigen conflictenrecht toepast. Ik vind dat argument niet doorslaggevend genoeg om toch Rome II toe te passen. In het algemeen hebben EU-verordeningen op het gebied van het IPR geen terugwerkende kracht, zodat de toepassing van het voorheen geldende nationale IPR in bepaalde overgangsrechtelijke situaties aan de orde zal blijven. Alles afwegende, zou ik willen kiezen voor deze tweede oplossing.
lex foriuitbrengen op de voet van art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II. Zou voor de tweede hierboven geschetste oplossing worden gekozen en zou de WCOD op de truckkartelzaken worden toegepast, dan ben ik van mening – hetgeen ik hierna bespreek – dat onder de gelding van de WCOD de Claimanten eveneens een rechtskeuze voor de
lex forikunnen uitbrengen naar analogie van het bepaalde in art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II. Wanneer Uw Raad deze opvatting over de rechtskeuze deelt, is de vraag welke regeling temporeel van toepassing is – WCOD of Rome II – zonder belang, óók in het geval dat Uw Raad zou oordelen dat een ‘knip’ in de conflictenregeling moet worden aangebracht.
vraag (iii)als volgt kan worden beantwoord. Op de voortdurende onrechtmatige daad die resulteert in één enkelvoudige kartelschadevordering per gedupeerde is van toepassing het conflictenrecht zoals dit heeft gegolden op het moment waarop de door de Commissie geconstateerde enkelvoudige en voortdurende schending van art. 101 VWEU Pro een aanvang heeft genomen. In deze zaak leidt dit antwoord tot de toepassing van de WCOD.
vraag (vi)op de kwestie of onder art. 4 WCOD Pro een rechtskeuze voor de
lex forikan worden uitgebracht op een wijze die overeenkomt met art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II in het geval dat meerdere rechtsstelsels op de ongeoorloofde mededinging van toepassing zijn.
lex loci delicti). [31] In het tweede en derde lid zijn uitzonderingen op de hoofdregel opgenomen. Art. 3 WCOD Pro luidt als volgt:
Handlungsort) en de plaats waar zich het schadelijke gevolg van die daad voordoet (het
Erfolgsort) uiteenvallen. In dat geval is van toepassing het recht van het land waar de schade zich voordoet (de
lex loci damni). [32] Louter vermogensschade vormt geen ‘schadelijke inwerking’ in de zin van het tweede lid.
Marinari-arrest [35] heeft het Hof geoordeeld dat dit begrip niet zo ruim moet worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt.
Erfolgsort, waar de mededingingshandeling effect beoogt en sorteert. [38]
paraffinewaskartel. In een procedure bij de rechtbank Den Haag heeft CDC, een claimvehikel, gevorderd een verklaring voor recht dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens de achterliggende afnemers en schadevergoeding. In haar vonnis van 17 december 2014 [48] heeft de rechtbank vooropgesteld dat de in art. 4 lid 1 WCOD Pro bedoelde marktverstoring in de regel zal plaatsvinden op de plaats waar vraag en aanbod samenkomen (rov. 4.46). Vervolgens heeft de rechtbank overwogen:
The products to which the anti-competitive behaviour related are traded between the EEA Member States on at least a European wide market.”
liftenkartel, waarin een claimvehikel een kartelschadevordering aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank Midden-Nederland ten behoeve van uitsluitend in Nederland gevestigde afnemers. Bij vonnis van 20 juli 2016 [50] heeft de rechtbank geoordeeld dat op grond van art. 4 lid 1 WCOD Pro Nederlands recht moet worden toegepast, omdat de gestelde onrechtmatige handelingen betrekking hadden op een beperking van de mededinging op de Nederlandse markt (rov. 4.3). Dat oordeel hield stand in hoger beroep. [51]
natriumchloraatkartelheeft een claimvehikel bij de rechtbank Amsterdam een kartelschadevordering aanhangig gemaakt tegen Kemira, één van de geadresseerden van de kartelbeschikking, die zich heeft beroepen op verjaring. Bij vonnis van 10 mei 2017 [52] heeft de rechtbank geoordeeld dat de marktverstoring had plaatsgevonden op de plaats waar vraag en aanbod zijn samengekomen, te weten ter plaatse van de productielocaties van de achterliggende afnemers, zodat vijf rechtsstelsels van toepassing zijn (rov. 4.24).
lex loci damni) of dat hiervoor een specifieke conflictregel moet worden ingevoerd, werd overgelaten aan het Directoraat-Generaal
Competitionvan de Commissie, dat werkte aan het ‘Groenboek Schadevorderingen wegens schending van de communautaire antitrustregels’ (hierna: het Groenboek). [57] In het Groenboek, dat op 19 december 2005 is gepubliceerd, heeft de Commissie geconcludeerd dat het onduidelijk is of de algemene regel voorziet in de specifieke behoeften van het Europese mededingingsrecht, omdat het begrip ‘de plaats waar de schade intreedt’ in antitrustzaken voor meerdere interpretaties vatbaar is en ertoe zou kunnen leiden dat wordt aangeknoopt bij de – veelal toevallige – plaats van de financiële schade. [58]
lex loci damni-regel moet worden toegepast in het geval van kartelschadevorderingen. Niet de plaats waar een onderneming financiële schade heeft geleden is bepalend voor het toepasselijk recht, maar het grondgebied waar de concurrentiebeperkende gedraging gevolgen heeft voor de mededinging. De Commissie heeft opgemerkt dat een op de gevolgen gebaseerde benadering (‘
effects-based test’ of ‘
effects rule’) ertoe kan leiden dat – indien de concurrentiebeperkende praktijk de markt in meer dan één land heeft beïnvloed of zelfs in een zeer groot aantal landen, zoals in het geval van een pan-Europees of van een wereldwijd kartel – het recht van verschillende landen van toepassing is op de vordering en dat dit de procedure aanzienlijk gecompliceerd kan maken. [59] Als oplossing voor dit probleem heeft de Commissie voorgesteld dat de eiser ervoor kan kiezen de gehele schadevordering te laten beheersen door één rechtsstelsel, zoals de
lex fori. [60]
effects-based test’:
lex fori(art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II). [65] Op 11 juli 2007 is vervolgens Rome II formeel vastgesteld door de Raad en het Europees Parlement. De tekst van art. 6 lid 3 Rome Pro II is dus in een kort tijdsbestek tot stand gebracht. [66]
het landwaarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt’. Daaruit volgt dat art. 6 lid Pro 3, onder a, Rome II ook kan verwijzen naar het recht van een niet-lidstaat. [67] Dit sluit aan bij art. 3 Rome Pro II, waarin is bepaald dat het door Rome II aangewezen recht van toepassing is, ongeacht of dit het recht van een lidstaat is. Voor art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II geldt echter dat de in deze bepaling opgenomen rechtskeuze voor de
lex foriuitsluitend een keuze is voor het recht van een lidstaat en niet voor het recht van een derde staat.
follow- onvorderingen – veelal reeds zijn bepaald door de nationale of Europese mededingingsautoriteit, waardoor de rechter zelf geen marktanalyse behoeft uit te voeren [73] of gebruik kan maken van de feitelijke elementen die in het besluit van de autoriteit zijn opgenomen. [74]
effects-ruleinhoudt dat voor het toepasselijk recht wordt aangeknoopt bij de staat op wiens markt de benadeelde de gevolgen voelt van de concurrentiebeperkende gedraging (‘
the law of the state on whose market the victim was affected by the anti-competitive practice’). Er zijn geen aanwijzingen dat dat anders zou zijn voor de marktregel zoals deze uiteindelijk is opgenomen in art. 6 lid Pro 3, onder a, Rome II. [77] Het is moeilijk voorstelbaar dat het doel van de Europese wetgever is geweest om in het geval van een grensoverschrijdend kartel steeds de rechtsstelsels van alle betrokken landen van toepassing te verklaren op de kartelschadevordering van een benadeelde, ook wanneer deze benadeelde slechts in één land gevolgen van het kartel heeft ondervonden.
Handlungsort) als de plaats waar de schade is ingetreden die rechtstreeks uit die gebeurtenis voortvloeit (
Erfolgsort).
flyLAL, [79] overwogen dat wanneer de markt die wordt beïnvloed door de mededingingsrechtelijke gedraging zich bevindt in de lidstaat op het grondgebied waarvan de gestelde schade zich zou hebben voorgedaan, ‘de plaats waar de schade is ingetreden’ in de zin van (thans) art. 7, aanhef en onder 2, Brussel I-bis moet worden geacht zich in die lidstaat te bevinden. Een dergelijke vaststelling van het
Erfolgsortvoldoet volgens het HvJEU aan de eisen van consistentie van overweging 7 van de Considerans van Rome II in relatie tot art. 6 lid Pro 3, onder a, Rome II. [80]
CDC/Akzo [81] over het waterstofperoxidekartel dat de concurrentie op de gehele EU-markt had beïnvloed, heeft het HvJEU overwogen dat waar het gaat om schade die bestaat uit meerkosten die zijn betaald wegens een kunstmatig hoge prijs als gevolg van een kartel, voor iedere beweerde benadeelde individueel moet worden vastgesteld wat de plaats is waar de schade is ingetreden. Daarbij gaat het volgens het Hof in beginsel om de plaats van de statutaire [82] zetel van de beweerde benadeelde. [83] In het arrest ontbreekt een verwijzing naar art. 6 lid Pro 3, onder a, Rome II en het daarin opgenomen aanknopingspunt van de beïnvloede markt.
flyLALheeft het HvJEU, zoals hierboven bleek, wél gewezen op het marktcriterium van art. 6 lid Pro 3, onder a, Rome II. Deze zaak betrof geen prijskartel, maar een gestelde samenspanning van de luchtvaartmaatschappij AirBaltic en de luchthaven Riga Airport om de markten voor vluchten van en naar de luchthaven van Vilnius (Litouwen), waarop luchtvaartmaatschappij flyLAL actief was, te verstoren door afbraakprijzen te hanteren. Als gevolg van deze marktverstoring leed flyLAL financiële verliezen en ging zij failliet. Volgens het Hof is de door flyLAL geleden winstderving te beschouwen als de initiële schade van de mededingingsbeperkende handeling. Het Hof heeft overwogen:
Concurrence, C-618/15, EU:C:2016:976, punten 33 en 35).
Tibor-Trans. [84] In deze zaak had de in Hongarije gevestigde transportonderneming Tibor-Trans gesteld dat zij schade had geleden als gevolg van de kartelafspraken van de in Nederland gevestigde gedaagde. De schade bestond uit extra kosten wegens de kunstmatig hoge prijzen die voor de vrachtwagens werden gehanteerd als gevolg van de kartelafspraken. Tibor-Trans had de vrachtwagens niet rechtstreeks gekocht bij een kartellist, maar bij een in Hongarije gevestigde vrachtwagendealer, die vrachtwagens had gekocht van een kartellist en de prijsverhoging had doorberekend aan Tibor-Trans. Het Hof heeft overwogen dat de door Tibor-Trans gestelde schade rechtstreeks het gevolg was van de inbreuk op art. 101 VWEU Pro, waardoor er dus sprake is van rechtstreekse schade die in beginsel kan leiden tot bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die schade is ingetreden (punt 31). Ten aanzien van de plaats waar de schade is ingetreden, heeft het Hof overwogen dat de vastgestelde inbreuk op art. 101 VWEU Pro de gehele EER-markt bestreek, waaronder Hongarije. Het Hof heeft zijn overweging uit het arrest
flyLALherhaald dat wanneer de markt die wordt beïnvloed door de mededingingsbeperkende gedragingen zich bevindt in de lidstaat op het grondgebied waarvan de gestelde schade zich zou hebben voorgedaan, de plaats waar de schade is ingetreden voor de toepassing van artikel 7, aanhef en onder 2, Brussel I-bis moet worden geacht zich in die lidstaat te bevinden (punt 33). Dat Tibor-Trans actie heeft ondernomen tegen slechts één van de kartellisten, bij wie zij niet rechtstreeks vrachtwagens heeft gekocht, doet hieraan volgens het Hof niet af, nu sprake is van één enkele en voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht, die meebrengt dat de inbreuk makende ondernemingen hoofdelijk aansprakelijk zijn (punt 36).
lex loci damni-regel dat wanneer in verschillende landen schade ontstaat, het recht van de betrokken landen op distributieve wijze moet worden toegepast. [86] Ook ten aanzien van het voorstel voor de conflictregel voor oneerlijke concurrentie (thans art. 6 lid 1 Rome Pro II), heeft de Commissie erop gewezen dat deze regel onder omstandigheden leidt tot de distributieve toepassing van verschillende rechtsstelsels. [87]
lex-loci-damni-regel van art. 4 lid 1 Rome Pro II of de marktregel van art. 6 lid Pro 3, sub a, Rome II. Ook in de rechtspraak van de lidstaten zijn weinig uitspraken te vinden waarin de mozaïekbenadering is toegepast. In de literatuur is erop gewezen dat gerechten de mozaïekbenadering kunnen ontwijken, onder meer door de relevante aanknopingsfactor zo te interpreteren dat deze leidt tot de toepasselijkheid van één rechtsstelsel. [92]
Nintendo [93] , waarin het Hof uitleg heeft gegeven aan art. 8 lid 2 Rome Pro II, dat voor het toepasselijk recht op een inbreuk op een unitair intellectueel eigendomsrecht aanknoopt bij het land waar de inbreuk is gepleegd. In deze zaak had eiseres gesteld dat in meerdere landen inbreuken waren gepleegd op haar unitaire IE-recht. In eerste aanleg heeft de Duitse rechter, in lijn met de mozaïekbenadering, de rechtsstelsels van deze landen op distributieve wijze toegepast. In hoger beroep zijn aan het HvJEU prejudiciële vragen gesteld, onder meer over de toepassing van art. 19 lid Pro 1 Gemeenschapsmodellenverordening en art. 8 lid 2 Rome Pro II. Ik citeer uit het arrest van het Hof de volgende overwegingen:
Nintendo-arrest kan worden betoogd dat de mozaïekbenadering zich moeizaam laat verenigen met de doelstellingen van Rome II. [94] Daarbij teken ik aan dat in het
Nintendo-arrest uitleg is gegeven aan art. 8 lid 2 Rome Pro II, waarin wordt uitgegaan van de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis (‘waar de inbreuk is gepleegd’) en niet van de plaats waar de schade zich voordoet.
Volvovan het HvJEU kan worden afgeleid dat het Hof deze benadering afwijst waar het gaat om de bevoegdheid ten aanzien van vorderingen die zien op schade, bestaande in extra kosten die zijn betaald wegens een kunstmatig hoge prijs als gevolg van een kartel. Na in dat arrest te hebben overwogen dat ‘de plaats waar de schade is ingetreden’ de plaats is waar de goederen zijn gekocht, is het Hof ingegaan op de situatie dat de benadeelde de goederen op verschillende plaatsen heeft gekocht. Volgens het Hof levert de plaats van aankoop dan geen geschikt criterium op voor het bepalen van de bevoegdheid uit hoofde van art. 7, aanhef en onder 2, Brussel I-bis op grond van het
Erfolgsort:
CDC/Akzoheeft gegeven aan ‘de plaats waar de schade is ingetreden’:
Erfolgsortdus bij één gerecht: dat van de zetel van de benadeelde onderneming (voor zover gelegen binnen de beïnvloede markt). De plaats van aankoop is in die omstandigheden géén geschikte aanknopingsfactor voor de bevoegdheid. Denkbaar was geweest dat het Hof had geoordeeld dat de rechter van de plaats van aankoop wél bevoegd was, maar dan slechts ten aanzien van de schade die in zijn rechtsgebied is ingetreden. Het Hof heeft echter afgezien van de toepassing van de mozaïekbenadering in deze context en het noodzakelijk geacht dat de aanknoping bij de plaats van intreden van de schade leidt tot één bevoegde rechter.
lex fori. Van de algemene bevoegdheid tot het uitbrengen van een (meerzijdige) rechtskeuze, die is geregeld in art. 14 Rome Pro II, kan op grond van art. 6 lid 4 Rome Pro II geen gebruik worden gemaakt in zaken die een beperking van de concurrentie betreffen.
lex forikan uitbrengen, op voorwaarde dat (i) de vordering strekt tot schadevergoeding, (ii) de vordering aanhangig is bij het gerecht van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, en (iii) de markt in die lidstaat een van de markten is die
rechtstreeksen
aanzienlijkbeïnvloed worden door de beperking van de mededinging waaruit de niet-contractuele verbintenis voortvloeit waarop de vordering is gebaseerd.
lex foriuitbrengen indien de beperking van de mededinging, waarop de vordering tegen elk van deze verweerders berust, ook de markt van de lidstaat van dat gerecht rechtstreeks en aanzienlijk beïnvloedt. Art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II kan dus niet worden toegepast indien vorderingen tegen de verweerder(s) aanhangig zijn gemaakt op grond van het
forum delictivan art. 7, aanhef en onder 2, Brussel I-bis.
de minimis’-mededeling van de Commissie [109] die als richtsnoer dient voor de toepassing van de Europese regelgeving betreffende kartelverboden. [110] Deze mededeling bevat criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald of een kartelovereenkomst de handel tussen lidstaten of de mededinging merkbaar heeft beïnvloed, hetgeen een voorwaarde is voor een inbreuk op art. 101 VWEU Pro. In geval van
follow-onvorderingen zal veelal uit het besluit van de mededingingsautoriteit, dat ten grondslag ligt aan de vordering, kunnen worden afgeleid of sprake is van een rechtstreekse en aanzienlijke beïnvloeding van de markt in de forumstaat. [111]
lex fori. Het recht van het gerecht waarbij de eiser het geschil aanhangig heeft gemaakt, te weten het recht van het gerecht van de woonplaats van de verweerder, is dan van toepassing op de vordering uit hoofde van alle schade die zich heeft verwezenlijkt in verschillende landen waarvan de markten door de verboden overeenkomst of gedraging zijn beïnvloed.
lex fori, zoals is opgenomen in art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II. Wel kent art. 6 WCOD Pro de mogelijkheid van een rechtskeuze door partijen, maar daarvan is in de zaak die thans aan de orde is, geen sprake. Wanneer onder de WCOD een mozaïekbenadering wordt toegepast, kan deze toepassing de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten uiterst moeilijk maken. Het toestaan van een eenzijdige rechtskeuze voor de
lex forivoorkomt de problemen waartoe de mozaïekbenadering kan leiden. De toepassing van art. 4 lid 1 WCOD Pro op een geval waarin de mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen in meerdere landen heeft beïnvloed, kan inderdaad leiden tot versnippering van het toepasselijk recht (mozaïekbenadering). Bij de totstandkoming van de WCOD (in de jaren negentig van de vorige eeuw) was de privaatrechtelijke handhaving van het Europese mededingingsrecht nog tamelijk onontgonnen terrein. Ook was rechtskeuze bij onrechtmatige daad een tamelijk nieuw fenomeen en heeft het
COVA-arrest van de Hoge Raad [116] op dit punt voor een belangrijke doorbraak gezorgd. De WCOD heeft, zoals in de MvT is opgemerkt, de voornaamste regels van het IPR inzake onrechtmatige daad vastgelegd en ‘zo nauw mogelijk’ aangesloten bij het
COVA-arrest. ‘Van de bijzondere regels worden om hun maatschappelijk belang alleen die betreffende de ongeoorloofde mededinging uitgewerkt’, aldus de MvT. [117] Bij die uitwerking heeft de wetgever niet gedacht aan het opnemen van de mogelijkheid voor de benadeelde om een eenzijdige rechtskeuze voor de
lex foriuit te brengen, zoals thans is opgenomen in art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II. Er is naar mijn mening geen juridisch beletsel om onder de gelding van art. 4 lid 1 WCOD Pro een rechtskeuze voor de lex fori toe te staan naar analogie van het bepaalde in art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II.
ein Geschädigter’, maar in het vervolg van de bepaling wordt weer gesproken van ‘
der Kläger’, zodat aan deze enkele afwijking geen bijzondere betekenis kan worden toegekend.
lex foritoekomt aan degene die de vordering tot schadevergoeding instelt. [118] Daaronder kan ook worden begrepen een ander dan de benadeelde, waaronder een claimvehikel dat de schadevergoedingsvordering(en) heeft verkregen uit hoofde van cessie.
BMA Nederlandhad de curator van BMA Nederland en haar moeder BMA Groep BV een
Peeters/Gatzen-vordering ingesteld tegen de Duitse grootmoeder BMA Braunschweigische Maschinenbauanstalt AG, omdat zij haar zorgplicht jegens de gezamenlijke schuldeisers van BMA Nederland zou hebben geschonden. De Stichting Belangenbehartiging Crediteuren BMA Nederland, die tot doel heeft het behartigen van de belangen van de schuldeisers van BMA Nederland, was in het geding tussengekomen met een vordering op de voet van art. 3:305a BW. De verwijzende rechter heeft aan het HvJEU in essentie de vraag voorgelegd of art. 4 Rome Pro II aldus moet worden uitgelegd dat het recht dat van toepassing is op de verplichting tot schadeloosstelling uit hoofde van de zorgplicht die rust op de grootmoedermaatschappij van een failliete vennootschap in beginsel het recht is van het land waar deze vennootschap is gevestigd. Het HvJEU heeft die vraag bevestigend beantwoord en in dat verband het volgende overwogen:
BMA-zaak geen sprake was van een overdracht van vorderingen, moet het oordeel van het Hof dat de vraag wie de vordering instelt en om welk soort vordering het gaat geen invloed heeft op de vaststelling van de plaats waar de schade zich voordoet, ook van toepassing worden geacht in het geval van overdracht van vorderingen.
lex fori, zoals opgenomen in art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II naar analogie toe te passen onder de gelding van art. 4 lid 1 WCOD Pro, geldt dit eveneens voor de vraag wie die rechtskeuze kan uitbrengen. Er is geen reden om onder de WCOD aan een claimvehikel deze mogelijkheid van rechtskeuze voor de
lex forite onthouden.
vraag (vi)als volgt moet worden beantwoord: In het geval dat de concurrentieverhoudingen (ten minste) op de gehele interne markt en dus in meerdere landen, worden beïnvloed waardoor op grond van art. 4 lid 1 WCOD Pro meerdere rechtsstelsels van toepassing zouden zijn, kan de rechter het toepasselijk recht vaststellen op een wijze die overeenkomt met art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II (rechtskeuze voor de
lex fori).
6.Vragen (viii) t/m (x)
lex forikan worden uitgebracht naar analogie van het bepaalde in art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II, behoeft vraag (vii) geen beantwoording.
vragen (viii) en (ix)hebben betrekking op de mogelijkheid van rechtskeuze voor de
lex foriop grond van art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II. Deze vragen zijn aan de orde gekomen bij de bespreking van de WCOD en art. 6 Rome Pro II. Zoals ik heb betoogd, geldt onder art. 6 lid Pro 3, onder b, Rome II niet het aanvullende vereiste dat de gevolgen voor de gedupeerde zich in verschillende landen moeten hebben voorgedaan. Met het oog op de toepassing van de rechtskeuze voor de
lex foridoor de gedupeerde onder art. 4 lid 1 WCOD Pro, geldt evenmin zo’n aanvullend vereiste. Vraag (viii) kan dan bevestigend worden beantwoord en vraag (ix) ontkennend.