ECLI:NL:RBAMS:2026:7712

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
13-242867-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf voor mishandeling, poging tot afdreiging, bedreiging en bezit stroomstootwapens

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte schuldig bevonden aan mishandeling, poging tot afdreiging, bedreiging en het voorhanden hebben van drie stroomstootwapens. Op 14 september 2025 heeft verdachte haar ex-levensgezel mishandeld en bedreigd met een mes, waarbij ook seksuele beelden werden gebruikt om afdreiging te plegen. Op 26 januari 2026 werden drie stroomstootwapens in haar bezit aangetroffen.

De rechtbank achtte de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar, ondersteund door getuigenverklaringen en bevindingen van verbalisanten. Verdachte werd vrijgesproken van poging tot zware mishandeling, maar veroordeeld voor mishandeling. De poging tot afdreiging en bedreiging werden eveneens bewezen verklaard. Het bezit van stroomstootwapens werd door verdachte bekend.

De straf bestaat uit 132 dagen gevangenisstraf, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen, dagbesteding en middelencontrole. Daarnaast is verdachte veroordeeld tot betaling van €3.003,44 schadevergoeding aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 132 dagen gevangenisstraf, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, en betaling van schadevergoeding voor mishandeling, poging tot afdreiging, bedreiging en bezit van stroomstootwapens.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/242867-25 (zaak A) en 03/074985-26 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 10/037029-25
Datum uitspraak: 24 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaken tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen: [BRP-adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 juli 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.H. de Krijger, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. D. Vermaat, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer] , en wat haar raadsvrouw mr. W. van Egmond, advocaat te Amsterdam, hierover naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan:
ten aanzien van zaak A:
Feit 1:
poging tot zware mishandeling, subsidiair mishandeling begaan tegen haar
(ex-)levensgezel, op 14 september 2025;
Feit 2:
poging tot afdreiging op 14 september 2025;
Feit 3:
bedreiging op 14 september 2025;
ten aanzien van zaak B:
Feit 1:
voorhanden hebben van drie stroomstootwapens op 26 januari 2026.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 1 primair tenlastegelegde. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het karakter en de intensiteit van de geweldshandelingen niet vastgesteld kunnen worden en dat het letsel bij aangeefster beperkt is. Hierdoor kan niet worden bewezen dat verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de overige tenlastegelegde feiten.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Ten aanzien van zaak A:
Verdachte en aangeefster hebben allebei verklaard dat zij op 14 september 2025 in de woning van aangeefster ruzie hebben gekregen. Aangeefster heeft daarover verklaard dat verdachte op agressieve toon eiste dat aangeefster haar telefoon en toegangscode aan haar afstond. Toen zij hier niet aan voldeed, vloog verdachte haar aan. Aangeefster heeft verklaard dat zij uit bed is getrokken, dat er een ventilator op haar benen is gegooid, dat zij met een vuist op haar achterhoofd is geslagen, dat verdachte haar aan haar haren over de grond heeft gesleurd, haar knietjes tegen haar armen en hoofd heeft gegeven en haar keel heeft dichtgeknepen. Vervolgens pakte verdachte een mes en zei zij tegen aangeefster: “ik ga je doodmaken, dus je gaat nu op de bank zitten”. Toen aangeefster probeerde weg te rennen, maakte verdachte met het mes stekende bewegingen in haar richting. Aangeefster gooide haar telefoon in de hoek, waardoor zij naar het raam kon rennen en om hulp kon schreeuwen. Verdachte is vervolgens met de telefoon van aangeefster weggegaan en heeft seksuele beelden van aangeefster verzonden naar de telefoon van de moeder van aangeefster. Hierna heeft zij in een telefoongesprek gezegd dat aangeefster drieduizend euro moest overmaken en dat zij de beelden anders zou sturen naar de werkgever van aangeefster.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij zich niet alles van die bewuste avond kan herinneren, maar dat zij niets van wat aangeefster heeft verklaard wil ontkennen. Tegelijkertijd heeft verdachte verklaard dat zij niet een persoon is die op iemand in zou slaan en dat zij aangeefster niet aan haar haren heeft getrokken, over de grond heeft gesleurd of knietjes heeft gegeven. Verdachte heeft verklaard dat zij wel geduwd en getrokken zou kunnen hebben. Verder heeft zij verklaard dat het kan zijn dat zij aangeefster uit bed heeft getrokken en vervolgens met een ventilator heeft gegooid, maar dat zij dit niet meer zeker weet. Verdachte heeft verder verklaard dat zij geen beeld in haar hoofd heeft dat zij de keel van aangeefster heeft gepakt en zo lang heeft dichtgeknepen. Verdachte heeft verklaard dat zij waarschijnlijk aan de telefoon de zinsneden zoals geformuleerd in de tenlastelegging heeft gezegd tegen aangeefster, zoals de zin dat de drieduizend euro terug moest komen. Verdachte heeft verklaard dat het de bedoeling was om aangeefster onder druk te zetten met de seksuele beelden zodat zij een beetje bang zou worden en de drieduizend euro zou betalen.
Ten aanzien van zaak B:
In verband met bovenstaande verdenking liep verdachte in een schorsing van de voorlopige hechtenis onder voorwaarde dat zij verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Tijdens een doorzoeking op de kamer van verdachte zijn drie stoomstootwapens gevonden. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat de wapens van haar zijn.
4.3.2.
Conclusie van de rechtbank
Ten aanzien van zaak A:
Betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster
De rechtbank acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar en neemt deze tot uitgangspunt. Hiertoe overweegt de rechtbank dat aangeefster gedetailleerd en consistent heeft verklaard. Haar verklaring vindt bovendien steun in andere bewijsmiddelen in het dossier, zoals de verklaring van de buurman van aangeefster. Hij verklaart dat hij hoorde dat zijn bovenbuurvrouw om hulp had geroepen en dat hij toen naar boven is gelopen om te kijken wat er aan de hand was. Op dat moment zag hij een vrouw bij de woning weglopen. De verklaring van aangeefster vindt daarnaast steun in de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , die kort na het incident ter plaatse kwamen bij de woning van aangeefster en daar zagen dat zij volledig overstuur was, snel ademde en huilde. Verder wordt haar verklaring gesteund door verbalisant [verbalisant 2] die heeft verklaard dat het leek alsof er in de woning een worsteling had plaatsgevonden en dat hij in de kamer gelegen naast de slaapkamer een broodmes op een dressoir zag liggen. Daarnaast zijn er door hem plukken haar in de woning aangetroffen.
Feit 1: poging tot zware mishandeling, subsidiair mishandeling, begaan tegen haar (ex-)levensgezel
Voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling moet worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het teweegbrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank oordeelt, met de officier van justitie, dat verdachte moet worden vrijgesproken van een poging tot zware mishandeling. De rechtbank overweegt hiertoe dat de intensiteit van de geweldshandelingen niet vastgesteld kan worden en dat daarmee niet kan worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het teweegbrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster.
Gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden zal de rechtbank verdachte veroordelen voor het subsidiair tenlastegelegde, zijnde mishandeling. Nu de rechtbank de verklaringen van aangeefster betrouwbaar acht en niet ieder onderdeel van een aangifte steunbewijs behoeft, acht de geweldshandelingen onder alle gedachtestreepjes wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat aangeefster op het moment van de mishandeling als ‘levensgezel’ in de zin van artikel 304 Sr Pro kon worden aangemerkt, nu hun relatie een paar dagen eerder was verbroken. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van dit onderdeel vrijspreken.
Feit 2: poging tot afdreiging
Voor een bewezenverklaring van afdreiging moet komen vast te staan dat de verdachte ten tijde van het plegen daarvan ook het oogmerk had om zich (of een ander) wederrechtelijk te bevoordelen. Elke verbetering van positie valt hieronder, mits het voordeel economische waarde heeft.
Gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte ten tijde van het plegen van de afdreiging het oogmerk had om zich wederrechtelijk te bevoordelen, namelijk door de seksuele beelden als pressiemiddel te gebruiken zodat zij drieduizend euro zou ontvangen van aangeefster. De rechtbank acht de onder 2 tenlastegelegde poging tot afdreiging wettig en overtuigend bewezen op basis van de aangifte en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.
Feit 3: bedreiging
Voor een bewezenverklaring van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling is vereist dat de uitlatingen van de verdachte van dien aard waren en onder zodanige omstandigheden zijn gedaan dat de bedreigende uitingen in het algemeen een redelijke vrees kunnen opwekken dat verdachte zijn woorden tot uitvoering zou brengen.
Gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat bij aangeefster de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte haar bedreigingen tot uitvoering zou brengen, namelijk door aan aangeefster een mes te tonen, achter haar aan te rennen en daarbij met het mes stekende bewegingen te maken richting aangeefster terwijl zij zei: “ik ga je doodmaken dus je gaat nu op de bank zitten.” De rechtbank zal verdachte veroordelen voor de onder 3 tenlastegelegde bedreiging.
Ten aanzien van zaak B:
Feit 1: voorhanden hebben van drie stroomstootwapens
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde (zaak B) heeft begaan, zoals omschreven in rubriek 5.
Nu verdachte dit feit ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsman hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan, op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met de hierna genoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan:
  • de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 10 juli 2026;
  • een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL2300-2026014309-5, d.d. 26 januari 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pagina’s 12 t/m 14;
  • een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL2300-2026014309-10 d.d. 2 maart 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3] , doorgenummerde pagina’s 20 t/m 22.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen zoals opgenomen in
bijlage IIbij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte:
Ten aanzien van zaak A:
Feit 1 subsidiair
op 14 september 2025 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld, door meermalen, althans eenmaal,
- een ventilator te gooien op de benen van die [slachtoffer] en
- die [slachtoffer] te slaan op het achterhoofd en
- die [slachtoffer] aan de haren te trekken en te sleuren over de grond en
- die [slachtoffer] (met kracht) te duwen op de grond en over de grond te sleuren en
- die [slachtoffer] knietjes te geven tegen het hoofd en de armen en
- de keel/hals van die [slachtoffer] vast te pakken en/of dicht te knijpen;
Feit 2
op 14 september 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met openbaarmaking van een geheim,
[slachtoffer] te dwingen tot afgifte van een geldbedrag ter waarde van € 3.000,-, dat geheel aan [slachtoffer] , in elk geval aan die [slachtoffer] toebehoorde
die [slachtoffer] videobeelden heeft toegestuurd van seksueel contact tussen die [slachtoffer] en meerdere personen en
(daarbij) telefonisch tegen die [slachtoffer] heeft gezegd:
- ' Ik ga je kapotmaken. Ik ga zorgen dat ik van jou geld krijg.' en
- ' Je gaat zorgen dat die drieduizend euro terugkomt.' en
- ' Het boeit mij niet. Je zorgt dat het geld terugkomt.' en
- ' Ik zorg ervoor dat dat filmpje ook bij je werk terecht komt.' en
- ' Je bent vies, ik ga je kapot maken.' en
- ' Maak het over.'
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 3
op 14 september 2025 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door meermalen, althans eenmaal,
- aan die [slachtoffer] (dreigend) een mes te tonen en voor te houden en (vervolgens) achter die [slachtoffer] te rennen en(daarbij) stekende bewegingen te maken richting die [slachtoffer] en
- ( daarbij) die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: 'Ik ga je dood maken dus je gaat nu op de bank zitten.'
Ten aanzien van zaak B:
Feit 1
op 26 januari 2026 te Venlo wapens van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten stroomstootwapens, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht voorhanden heeft gehad.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van 132 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar wordt opgelegd. Daarbij heeft de officier van justitie oplegging gevorderd van de in het reclasseringsrapport van 3 juli 2026 geadviseerde voorwaarden, te weten: een meldplicht, meewerken aan een ambulante behandeling, het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, het meewerken aan het vinden en behouden van dagbesteding en het meewerken aan middelencontroles en het leren beheersen van middelengebruik.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij de strafeis van de officier van justitie.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
8.3.1.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft op verbaal agressieve wijze de telefoon en de toegangscode daarvan van aangeefster geëist. Toen zij hier niet aan voldeed, vloog verdachte haar aan en heeft zij aangeefster mishandeld. Hierdoor heeft aangeefster letsel opgelopen. Verdachte pakte hierna een mes waarmee zij aangeefster heeft bedreigd. Met dit handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer, op een plek waar zij zich bij uitstek veilig had moeten voelen. De rechtbank rekent dit verdachte aan. De handelingen van verdachte hebben bij aangeefster gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht en zij was genoodzaakt hiervoor in behandeling te gaan.
Verdachte is vervolgens met de telefoon van aangeefster weggegaan en heeft seksuele beelden van aangeefster verzonden naar de telefoon van de moeder van aangeefster. Hiermee heeft zij aangeefster gechanteerd tot afgifte van een geldbedrag. Het handelen van verdachte, ook wel bekend als
sextortion, heeft doorgaans een grote impact op slachtoffers, omdat voortdurend sprake is van angst dat de dader het beeldmateriaal openbaar zal maken.
Daarnaast zijn drie stroomstootwapens onder verdachte gevonden. De rechtbank vindt het zorgelijk dat verdachte dergelijke voorwerpen in haar bezit had. Het onbevoegd voorhanden hebben daarvan maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
8.3.2.
Persoon van verdachte
Uittreksel Justitiële Documentatie
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 27 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke geweldsdelicten.
Reclasseringsadvies
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsrapport omtrent verdachte van 3 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte een belast verleden heeft en veel heeft meegemaakt in haar jeugd. Deze gebeurtenissen hebben sporen achtergelaten in haar psychosociaal functioneren. De reclassering noemt in het rapport als steunende factoren dat verdachte inzicht heeft in haar problemen en open staat voor hulp. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden in de vorm van een meldplicht, meewerken aan een ambulante behandeling, het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, het meewerken aan het vinden en behouden van dagbesteding en het meewerken aan middelencontroles en het leren beheersen van middelengebruik.
8.3.3.
Op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank dat een vrijheidsbenemende straf passend en geboden is. Naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ziet de rechtbank, net als de officier van justitie, aanleiding om aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het voorwaardelijk strafdeel dient als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen. Daarnaast strekt het ertoe het traject van de bijzondere voorwaarden, dat in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis is ingezet en waar verdachte volgens de reclassering aantoonbaar baat bij heeft, te laten voortduren. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 132 dagen, waarvan het voorwaardelijk deel 60 dagen bedraagt.
De tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, dient bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering te worden gebracht, zodat de verdachte na de uitspraak niet opnieuw gedetineerd zal raken.

9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 328,44 aan materiële schade en € 2.675, - aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het subsidiair ten laste gelegde onder feit 1 (zaak A) en het ten laste gelegde onder feit 2 en 3 (zaak A) bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10.Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 1 juni 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 10/037029-25, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 6 augustus 2025 van de politierechter in Rotterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een geldboete van € 400, - (vierhonderd euro) met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten, met aftrek van de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van dat onherroepelijk geworden vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Dit geschiedt volgens de maatstaf van € 50, - (vijftig euro) per dag, zodat na aftrek € 350, - (driehonderdvijftig euro) te betalen geldboete resteert, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 285, 300 en 318 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 54 van de Wet wapens en munitie.

12.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in zaak A primair onder feit 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde onder feit 1 (zaak A), het ten laste gelegde onder feit 2 en 3 (zaak A) en het ten laste gelegde onder feit 1 (zaak B) heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A:
Feit 1 subsidiair
mishandeling
Feit 2
poging tot afdreiging
Feit 3
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Ten aanzien van zaak B:
Feit 1
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
132 dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte,
60 dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij SVG-reclassering Limburg op het adres [adres] , telefoonnummer [telefoonnummer] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door de Rooyse Wissel Ambulant Behandelen of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start bij het ingaan van het vonnis. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, sociale vaardigheden en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft in Exodus of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start met ingang van het ingaan van het vonnis. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor haar heeft opgesteld.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk en een studie, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Beheersing middelengebruik
Veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/ speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 3.003,44 (drieduizendendrie euro en vierenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 14 september 2025. Voormeld bedrag bestaat uit € 328,44 (drie honderdachtentwintig euro en vierenveertig cent) aan materiële schade en
€ 2.675, - (tweeduizend zeshonderdvijfenzeventig euro) aan immateriële schade.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel:
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 3.003,44 (drieduizendendrie euro en vierenveertig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 14 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling:
Gelast de tenuitvoerlegging van het bij genoemd vonnis van 6 augustus 2025 door de politierechter in Rotterdam opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een geldboete van geldboete van € 400, - (vierhonderd euro), met aftrek van de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van dat onherroepelijk geworden vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Dit geschiedt volgens de maatstaf van € 50, - (vijftig euro) per dag, zodat na aftrek € 350, - (driehonderdvijftig euro) te betalen geldboete resteert, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis.
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,
mrs. D. Bode en A.R. Vlierhuis rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. K.M.S. Kamp en L.D. de Vries griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juli 2026.
[....]

1.[....]